<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE dtbook
  PUBLIC "-//NISO//DTD dtbook 2005-2//EN" "http://www.daisy.org/z3986/2005/dtbook-2005-2.dtd">
<dtbook xmlns="http://www.daisy.org/z3986/2005/dtbook/" version="2005-2">
   <head>
      <meta name="dtb:uid" content=""/>
      <meta name="dc:Title" content="Papieren Kinderen"/>
      <meta name="Author" content="Justus Van Maurik Jr."/>
      <meta name="Description"
            content="Mystery, Suspense, History, Gothic, Literature, Books, Arts"/>
   </head>
   <book>
      <frontmatter>
         <doctitle>Papieren Kinderen</doctitle>
      </frontmatter>
      <bodymatter>
         <level1>
            <h1>Papieren Kinderen</h1>
            <level2>
               <h2>Justus Van Maurik Jr.</h2>
               <p>This page formatted 2009 Blackmask Online.</p>
               <p>
         http://www.blackmask.com<br/>
			               <br/>
		             </p>
               <list type="ul">
                  <li>
				                 <a href="#1_0_2">EEN BENEFIET.</a>
			               </li>
                  <li>
				                 <a href="#1_0_3">EEN MASSAGEKUUR.</a>
			               </li>
                  <li>
				                 <a href="#1_0_4">BIJOU.</a>
			               </li>
                  <li>
				                 <a href="#1_0_5">HENRI DE SNOEPER.</a>
			               </li>
                  <li>
				                 <a href="#1_0_6">DIRK DE SNORDER.</a>
			               </li>
                  <li>
				                 <a href="#1_0_7">DE FASHIONABELE DINEUR.</a>
			               </li>
                  <li>
				                 <a href="#1_0_8">HOE JETJE GEZOEND WERD.</a>
			               </li>
               </list>
               <!-- **** No template for element: hr **** -->
<!-- **** No template for element: pre **** -->
Produced by Branko Collin and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net
<p>                      PAPIEREN KINDEREN</p>
               <p/>
               <p/>
               <p>                      PAPIEREN KINDEREN</p>
               <p>                      NOVELLEN EN SCHETSEN</p>
               <p>                      DOOR</p>
               <p>                      JUSTUS VAN MAURIK Jr.</p>
               <p>                      AMSTERDAM</p>
               <p>                      Tj. VAN HOLKEMA</p>
               <p>                      1888</p>
               <p/>
               <p>
			
<!-- **** No template for element: i **** --> EEN BENEFIET.
      </p>
               <p/>
               <p/>
               <level3>
                  <h3>
			                  <a id="a1_0_2">EEN BENEFIET.</a>
		                </h3>
                  <p> I.</p>
                  <p> Daar stond hij dan nu voor de deur, gereed om te schellen.</p>
                  <p> Met een zucht, die als een zenuwachtige huivering over zijn lippen
         gleed, zei hij in zichzelf: »Hier moet 't zijn,” en keek oplettend naar
         de zwarte letters op 't porseleinen naambordje aan den deurpost.
      </p>
                  <p> »W. F. Hostein” 't stond er duidelijk, hij was dus terecht. Zijn
         hand beefde een weinig, toen hij den blank geschuurden koperen
         schelknop aanvatte, en als geschrikt van den helderen metaalklank trok
         hij snel de hand terug en zocht haastig in den achterzak van zijn jas
         naar de garen handschoenen, die hij onder weg had gekocht; hij begon ze
         aan te trekken. Ze gingen moeilijk over zijn klamme vingers.
      </p>
                  <p> Vragend zag het kleine dienstmeisje, dat de deur opende, hem aan.</p>
                  <p> »M'neer thuis?”</p>
                  <p> »Wie bedoelt u? Menheer,—of meneer Hostein, die hier binnenshuis
         woont?”
      </p>
                  <p> »Meneer Hostein!”</p>
                  <p> »Jawel, die is thuis, maar.....”</p>
                  <p> »Niet te spreken misschien?”</p>
                  <p> »Meneer is aan 't studeeren voor van avond en....”</p>
                  <p> »O zoo! Vraag hem dan even: wanneer of 't schikt dat ik weerom kom.”
         Een ietwat smoezelig naamkaartje, dat haar werd toegereikt, deed het
         meisje zeggen: »Wacht u dan maar effentjes.”
      </p>
                  <p> Terwijl zij de gang doorging, las ze halfluid: »Adriaan Walten,
         tooneelspeler a/d. K. S.” en onwillekeurig keek zij even om naar den
         ouden man, die met zijn hoed in de hand op de vloermat stond. In een
         oogwenk zag zij, hoe afgedragen en oud zijn jasje, hoe grauw zijn
         linnengoed was en hoe zonderling zijn grijze pantalon hem op de hielen
         hing.
      </p>
                  <p> Vóórdat zij nog de trap op kon gaan, riep van boven uit 't portaal
         een welluidende mannenstem: »Is de kapper daar, Antje? Laat hem dan
         maar boven komen.”
      </p>
                  <p> »Neen, meneer; 't is een...” 't Woord »heer” wilde niet vlot over
         Antjes lippen. Vlug wipte zij de trappen op en fluisterde zacht: »'t Is
         zoo'n raar persoon, weet u, zoo'n...” Zij reikte 't kaartje over.
      </p>
                  <p> Beneden in de gang trok Adriaan Walten met zenuwachtige rukjes den
         linkerhandschoen verder aan en wischte zich met de beverige rechterhand
         een paar droppels van 't hooge voorhoofd, terwijl hij in de spiegelruit
         van de tochtdeur, die op 't haakje was vastgezet, trachtte te ontdekken
         of zijn das en boord goed zaten.
      </p>
                  <p> »Kom boven, meneer Walten!” klonk van het portaal af de mannenstem;
         't meisje verscheen opnieuw voor den wachtenden oude en zei, lichtlijk
         hijgend door 't haastige trap op-en af snellen: »Gaat u maar naar
         m'neers kamer, de trap op linksom; de deur zal u wel zien.”
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> In den deurpost, half beschenen door de zon, die, tusschen de
         gedeeltelijk dichtgeslagen overgordijnen door, een baan helder licht in
         de kamer werpt, staat een nog jeugdig man, met een joviaal rond,
         gladgeschoren gezicht; op 't kort gesneden haar draagt hij een roode
         Fez; een kleurige kamerjapon omgeeft zijn slanke figuur en een witte
         pantalon met geborduurde pantoffels voltooien zijn ochtendkleeding. Den
         bezoeker afwachtend, roept hij hem vroolijk toe: »Pas op 't drempeltje,
         ouwe heer: 't is een beetje duister op 't portaal.”
      </p>
                  <p> De »ouwe heer” nadert met zijn hoed in de hand. Nogmaals klinkt hem
         een: »voorzichtig!” tegen en dan hoort hij uit een blauwige wolk van
         sigarettenrook de woorden: »Leef je nog, papa Walten?—Kom binnen.”
      </p>
                  <p> Langzaam komt Walten het vertrek binnen; hij ziet even rond, met een
         bijna schuwen blik, vóórdat hij antwoordt.
      </p>
                  <p> 't Is alsof die stemmig behangen kamer, met de fraai gesneden
         eikenhouten meubels hem ontstemt, alsof dat sierlijke, gemakkelijk
         ingericht vertrek hem onaangenaam aandoet, want om zijn mond speelt
         eensklaps een pijnlijk droevige trek en zijn wenkbrauwen fronsen zich
         merkbaar terwijl hij enkele seconden de oogleden sluit.
      </p>
                  <p> »'t Is hier mooi, fijn!” zegt hij zacht, zóó zacht dat de andere 't
         niet verstaat en vriendelijk vraagt:
      </p>
                  <p> »Zei je wat, Walten?”</p>
                  <p> »U woont hier chic, comfortabel, meneer Hostein. Ik hoop niet, dat
         ik u erg kom hinderen, maar....”
      </p>
                  <p> »Volstrekt niet, papa Walten; voor u heb ik altijd wel een
         oogenblikje over.”
      </p>
                  <p> »Dat dacht ik wel, meneer Hostein.”</p>
                  <p> »Hé?”</p>
                  <p> »Ik zal u ook niet lang ophouden, meneer Hostein.”</p>
                  <p> »Maar Walten, ben je nou heelemaal.....? Zeg je: »Meneer”—en dàt
         tegen mij, je ouwen leerling Willem?”
      </p>
                  <p> »Ja, maar meneer Hostein...”</p>
                  <p> »Ben je gek, ouwe heer; wat beteekent dat? Weet je niet meer hoe ik
         heet?”
      </p>
                  <p> Een glans van vreugde glijdt bij 't hooren van dien hartelijken toon
         als een zonneschijntje over 't gelaat van den ouden Walten, en als
         toegevend aan een plotselinge opwelling van vertrouwelijkheid steekt
         hij beide handen uit naar den vóór hem staanden jongen man, terwijl
         een: »Willem, beste jongen!” zijn mond ontsnapt.
      </p>
                  <p> »Zoo! dàt mag ik hooren!” Hartelijk drukt Hostein Waltens magere
         handen, terwijl hij vraagt: »Waarmee kan ik je dienen, papa?”
      </p>
                  <p> Eenige seconden lang ziet Walten den jongen man diep treurig aan met
         doffe, moedelooze oogen en dan barst hij plotseling los met:
      </p>
                  <p> »Ik ben zoo ongelukkig, Willem!”</p>
                  <p> Hostein werpt vluchtig een blik op 't oude beduimelde kaartje, dat
         hij in de hand houdt, leest de woorden: »Tooneelspeler a/d K. S.” en
         terwijl hij denkt: »Aan den Koninklijken Schouwburg,—dat's heel lang
         geleden, arme vent!” zegt hij met een kleine trilling in zijn stem: »Is
         't waarachtig?”
      </p>
                  <p> »Ja, ik weet nu geen raad meer.”</p>
                  <p> »Arme ouwe kerel!”</p>
                  <p> »'t Is hard, hé! dat ik zóó voor jou moet komen staan! Maar....”</p>
                  <p> »Kom! kom! je zult wel te helpen zijn.—Is 't alleen dàt?” Hostein
         maakt de beweging van geld tellen.
      </p>
                  <p> »Niet alleen; maar—toch....”</p>
                  <p> »Zit je weer in den brand?”</p>
                  <p> »Neen, lach niet, Hostein; ik ben niet alleen met geld geholpen.—Ik
         wou, hum!—'t is zoo ellendig om.... Ik wil niet leenen, begrijp je?
         Waarachtig niet, want ik kan 't nooit teruggeven en....”
      </p>
                  <p> »Dat is ook niet noodig.”</p>
                  <p> »Neen! Willem, dàt wil ik niet. Maar ik—hum! ik wou nog één ding
         probeeren en daartoe....”
      </p>
                  <p> »Waarom ben je niet eerder gekomen? Je wist toch wel, dat ik en
         andere collega's je met alle liefde wat assisteeren willen en....”
      </p>
                  <p> »Ja! ja! dat weet ik wel,” knikt Walten; »maar ik begeer niets te
         hebben; ik....”
      </p>
                  <p> »Je hart zit nog altijd te hoog, ouwe heer!”</p>
                  <p> »Te hoog? Och God! neen, die tijd is er geweest, en je ziet immers
         wel, dat ik nu dan toch....”
      </p>
                  <p> »Ja! ik voel er alles voor; ik ken je immers niet van gisteren.—Ga
         nu eerst eens bedaard zitten, dáár in dien fauteuil.—Wil je
         rooken?—Hier staan sigaren.—Niet?—'n Sigaret?—Ook niet?—'n Glas
         port dan?—Kom! dat zou ik nemen, dat geeft 'n beetje toon in de
         maag.—Wil je niet?—Nu wacht dan maar even; ik ken je ouwe gewoonten
         nog wel!”—Hostein schelt, en als 't meisje een oogenblik later is
         binnengetreden, zegt hij: »Haal eens een kop bouillon, hiernaast in 't
         café—en 'n paar beschuitjes.”
      </p>
                  <p> »Wat heb je dat goed onthouden, Willem?” Een lachje begeleidt die
         woorden.
      </p>
                  <p> »Niet waar? Ik heb je voorbeeld trouw gevolgd; ik drink iederen dag
         bouillon. 't Is bepaald een behoud voor de stem.”
      </p>
                  <p> »Zeker! dat heb ik je ook altijd gezegd en....” Plotseling houdt
         Walten op: hij heeft toevallig een blik geslagen in de groote Psyché,
         die tegenover hem staat. De zonnestralen vallen, tusschen de gordijnen
         door, warm en schitterend op den ouden man die, als hij zijn beeld zoo
         fel verlicht in den spiegel weerkaatst ziet, met een zucht over de
         bijna witte lokken, die spaarzaam zijn kruin bedekken, heenstrijkt en
         droevig zegt: »'k Ben ijselijk oud geworden, hé? De laatste jaren
         hebben me kapotgemaakt, en hum!—'k zie er zoo echt sjofel uit.—Neen!
         zeg maar niet, dat ik 't me verbeeld; 't is de waarheid,—ik word
         langzaam aan oud; dat voel ik wel.”
      </p>
                  <p> »Kom! kom! Walten, je bent melancholiek, maar....”</p>
                  <p> »Ik weet heel goed, dat ik er ellendig uitzie; maar ik heb 't ook
         zoo hard gehad in den laatsten tijd.”
      </p>
                  <p> »Och! heb je gesukkeld, ben je ziek geweest?”</p>
                  <p> »Ook al, Willem; maar dat was 't ergste niet: 'k heb eeuwig en
         altijd »Pech” gehad in de laatste jaren.”
      </p>
                  <p> »Ja! voor den wind is 't je niet gegaan, dat weet ik. Maar waarom
         sprak je niet?”
      </p>
                  <p> »Je weet wel, klagen is nooit mijn zwak geweest; ik wou niemand
         lastig vallen en scharrelde er altijd nog zoo wat door. Maar nu....”
         Walten zucht een paar malen en trommelt met zijn vingers op de leuning
         van den stoel, terwijl hij strak voor zich uit staart.
      </p>
                  <p> »Heb je niets om handen op 't oogenblik?”</p>
                  <p> »Niets, Willem. Je weet immers 't ongeluk, dat mij trof met mijn
         schouwburgtent?”
      </p>
                  <p> »'k Heb er destijds van gehoord.”</p>
                  <p> »Zoolang ik de kermissen kon afreizen, had ik ten minste een stuk
         brood, soms redelijk goed zelfs; maar toen mijn heele rommel afbrandde
         en.....”
      </p>
                  <p> »Je was toch geassureerd?”</p>
                  <p> »Ja natuurlijk! maar....” Eensklaps worden Waltens oogen rood en
         vochtig, en terwijl langzaam en stil een heldere droppel over zijn
         wangen rolt, glinsterend in 't zonnestraaltje, dat zijn gelaat helder
         verlicht, vraagt hij zachtkens: »Je weet immers, hoe ik toen bestolen
         ben?”
      </p>
                  <p> »Hum ja! ik herinner me wel zoo iets.”</p>
                  <p> »Ik heb geen cent van 't geld gezien.”</p>
                  <p> »Dat 's een ijselijkheid. En kon je niet nagaan, wie je....?”</p>
                  <p> »Zeker wel! Ik wist heel goed wie; maar....”</p>
                  <p> »O! nu herinner ik 't me weer, 't is waar ook; dat 's een ellendige
         historie geweest. Je kondt om je dochter geen gevolg aan die zaak
         geven; die gemeene schoelje had haar 't leven toch al zuur genoeg
         gemaakt.—Zij is onlangs gestorven, hé?”
      </p>
                  <p> »Ruim een jaar geleden. Tot zóólang heb ik haar en haar kinderen ook
         nog moeten onderhouden; die stumperds zijn nu in 't weeshuis.”
      </p>
                  <p> »En hij?”</p>
                  <p> »Zit ergens in Australië, geloof ik.”</p>
                  <p> »Zoo'n schoelje!—En—Annette, je tweede meisje?”</p>
                  <p> »Die is nog altijd 'tzelfde.”</p>
                  <p> »Dus totaal....?” Hostein wijst met den voorvinger op zijn
         voorhoofd.
      </p>
                  <p> »Neen! alleen maar van tijd tot tijd; maar 't wordt gaandeweg erger,
         de buien komen nu zoo gauw achter elkaar, dat ik....”
      </p>
                  <p> »Jammer, doodjammer van 't arme schepsel. Ze had wel wat talent,
         hé?”
      </p>
                  <p> »Of ze talent had? Kerel, Willem!”—Waltens oogen worden minder
         dof—»ik heb nooit zoo'n talent gezien als van dàt kind, 'n geboren
         tragédienne! En dat zou ze geworden zijn, dat verzeker ik je, wanneer
         die geschiedenis maar niet gebeurd was met dien.... Enfin! je weet er
         alles van. Wat 'n debuut maakte zij! Heb jij ooit zoo de Ines de Castro
         zien spelen? Je was er immers bij, toen ze voor 't eerst optrad? Wat 'n
         stem, hé? Sonoor, mooi en fluweelig.—O! dat geluid heeft ze nog,
         maar—'t loopt alles bij haar door mekaar en als ze kalm is,—zie je,
         ik bedoel, als ze zoogenaamd normaal is,—zit ze met de handen over
         mekaâr en zegt niets.” Walten wacht even, en als spreekt hij tot
         zichzelf, herhaalt hij: »Niets, bijna geen stom woord. Die vervloekte
         kale mof met z'n gladde tong had m'n arme Netje totaal ingepakt en....”
      </p>
                  <p> »En 't kind, is dat blijven leven?”</p>
                  <p> »'t Is drie jaren geworden; toen is 't goddank gestorven.
         Wonderlijk, hé! zij taalde er nooit naar; tusschenbeide was 't bepaald
         alsof ze 't niet kende. Ja! dàt was al een raar verschijnsel.”
      </p>
                  <p> »'t Is treurig.—O! ben je daar met de bouillon, Antje? Zet den kop
         maar neer, voor meneer.—Kom, papa Walten, proef nu eens of ze goed
         is.—Ja 't is een droevig geval met je dochter.”
      </p>
                  <p> »Ja waarachtig, wel is 't dat! Dadelijk na haar bevalling is 't al
         eens mis geweest, maar 't liep er toen niet zoo erg door; ze beterde en
         daarom kon ik haar weer laten spelen, begrijp je? Daarna is ze een paar
         jaren vrij goed gebleven. Ze was toen nog een heele steun voor mijn
         zaak. Later had ik niets meer aan haar: ze kon zelfs 't kleinste werk
         niet meer doen, geen geheugen, sufferig—en dan toch weer oogenblikken,
         soms een maand lang, dat je zeggen zoudt: ze is goed in orde. Ja, 't is
         'n ellende! Die muzikant met z'n sentimenteele oogen heb ik nooit
         vertrouwd. Netje is wel honderdmaal voor hem gewaarschuwd, maar ze was
         als met blindheid geslagen. Enfin! dat hij haar heeft laten zitten was
         nog 't ergste niet, dat gebeurt meer; maar dat zij door die hum!—die
         geschiedenis aan 't malen is geraakt, dat 's fataal.” Walten drinkt
         langzaam een paar teugen en vervolgt dan: »'t Is zuiver physiek, zie
         je, want ik geloof, dat ze niet eens zoo allemachtig dol op dien vent
         was, ten minste later niet; en daarom heb ik altijd nog hoop, dat ze
         niet ongeneeslijk is. Ik geloof bepaald, dat ze geholpen kan worden,
         maar—ze moet goede verpleging en rust kunnen hebben. Vat je, onder
         dokters handen, in 'n gesticht en....”
      </p>
                  <p> »Zou je dat waarlijk denken, Walten?”</p>
                  <p> »Waarachtig! Maar gauw zal 't niet gaan. Jongens, Willem, als ze van
         die talentbuien heeft—zoo noem ik ze, weet je?—dan moest je eens
         hooren, hoe ze heele brokken uit haar vroegere rollen zegt en goed
         zegt, verduiveld goed zelfs! En dan dat heerlijke geluid! God! God! wat
         'n jammer, dat ze zoo....”
      </p>
                  <p> »'t Is zonderling!”</p>
                  <p> »Ja, wel is 't dàt, en juist daarom wou ik probeeren om haar onder
         behandeling te krijgen; lukt me dàt, dan kan ik voor mij altijd nog wel
         hier of daar »emplooi” vinden.” Een min of meer ijdel lachje glijdt
         vluchtig over Waltens gelaat, terwijl hij vervolgt: »Als ik wil, kan ik
         't nog wel. Natuurlijk geen eerste komiek meer, dat begrijp je; maar
         »père noble", dat zou best gaan; ik zou nog menig »jonkie” een lesje
         kunnen geven.”
      </p>
                  <p> Hostein ziet zijn voormaligen leermeester, zonder dat deze 't merkt,
         met medelijden aan en antwoordt; »Ja, je hebt van de piek op gediend,
         je hebt alles meegemaakt en ik was nooit geworden wat ik ben, als
         ik....”
      </p>
                  <p> »Als je niet zoo'n gelukkigen aanleg had gehad. Och! beste jongen,
         artisten worden niet gemaakt, wel geboren; ik heb 't je dikwijls
         gezegd: je zult carrière maken, want jij voelt goed, jij pakt wat je
         pakken moet.” En Walten ziet met eenigen trots naar Hostein als hij
         vervolgt: »'k Heb eer met jou ingelegd—en ik heb je altijd graag mogen
         lijden omdat je dezelfde gebleven bent voor je ouwe vrinden—daarom kom
         ik nu ook bij jou om hulp.”
      </p>
                  <p> »Zoo! En wat kan ik dan eigenlijk voor je doen?”</p>
                  <p> »Ik wou probeeren om 'n benefiet te geven!”</p>
                  <p> »Ei! Ei!”</p>
                  <p> »Ik weet wel, Willem, dat 't moeilijk zal gaan bij deze directie,
         want die kent mij niet. Bij de vorige heb ik eens een benefiet gehad,
         maar—dat 's al lang geleden. Nu dacht ik, dat 't misschien gaan zou,
         als jij mijn voorspraak woudt zijn.”
      </p>
                  <p> »Met pleizier! Ik maak me sterk, dat ik 't wel voor je in orde
         speel.”
      </p>
                  <p> »Zou je denken?—Maar, Willem, 't moet 'n benefiet zijn, waar ik
         goed wat van overhoud; ik heb bij 't vorige, een jaar of vier geleden,
         maar 'n kleine tweehonderd gulden gemaakt.”
      </p>
                  <p> »Dat's weinig!”</p>
                  <p> »Och! je begrijpt, 't ging voor 't derde, na aftrek van de
         avondkosten; ik was toen al blij, dat 'k 't kreeg, al had de Directie
         er per saldo ook 'n »goeien” avond aan, want 't was in den slappen
         tijd, en daarom deden ze 't. De zaal was goed bezet, we hadden ook hard
         gewerkt met lijsten. We maakten een recette van zoo wat negenhonderd
         gulden; daar ging 'n groote driehonderd gulden af voor armengeld en
         avondkosten. Ik kreeg één derde: reken dus maar zelf na.”
      </p>
                  <p> »Ja, dat's akkoord!”</p>
                  <p> »En toen ik 't geld in handen had, was 't dadelijk geblazen, want
         iedereen, die wat hebben moest, kwam om zijn dubbeltjes; er waren zelfs
         lui, die geld van me moesten hebben, 's avonds aan den schouwburg. Wat
         ik overhad, was een mondje vol, meer niet.”
      </p>
                  <p> »Weet je wat, papa Walten: laat mij dat zaakje maar eens voor je
         opknappen; ik heb nogal een wit voetje bij de Directie. Ik zal 't wel
         zóó voor je rooien, dat je niets anders hoeft af te geven dan de
         avondkosten; dan hou je allicht een goeie vijf, zeshonderd pop over.”
      </p>
                  <p> »Zou 't lukken, Willem? Zie je, 't is wel hard om zoo'n
         armoe-benefiet[1] te geven, en ik schaam me eigenlijk wel, maar—och!
         't is voor Netje, en daarom....” De oude man zucht diep bij die
         woorden.
      </p>
                  <p> [1] Benefiet, geheel ten voordeele van den beneficiant.</p>
                  <p> »'t Zal wel gaan. Maar .... wil je soms »en attendant” 'n pop of
         tien hebben?”
      </p>
                  <p> »Graag! Van jou neem ik dat aan; 'k zal 't dadelijk weerom geven na
         mijn benefiet.”
      </p>
                  <p> »Ja! dat komt wel terecht; en als ik soms verder iets voor je doen
         kan.... Hier heb je een muntje.”
      </p>
                  <p> »Dank je, Willem!—Wanneer zou je denken, dat 'k hooren kan of 't
         lukt?”
      </p>
                  <p> »'k Zal er morgen dadelijk over spreken.”</p>
                  <p> »Wil 'k dan overmorgen komen hooren?”</p>
                  <p> »'k Zal je wel een boodschap sturen. Waar is je adres?”</p>
                  <p> »Hum! och! ik loop toch, ik kom overmorgenmiddag wel even aan.” En
         na een groet en een handdruk verlaat Walten de kamer, begeleid door
         Hostein, die hem aan de trap nog naroept: »'k Zal 't wel voor je
         klaren.”
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Niemand zou, wanneer hij den vervallen ouden man had zien heengaan,
         hebben vermoed, dat hij Adriaan Walten den eens zoo gevierden eersten
         komiek van den Koninklijken Schouwburg zag, en toch was dat zoo.
      </p>
                  <p> Uit fatsoenlijke burgerouders gesproten, had Walten een vrij
         zorgvuldige opvoeding genoten en was door zijn vader op een
         notaris-kantoor geplaatst, waar 't droge, iederen dag regelmatig
         terugkeerende, werk volstrekt niet met zijn aard en geest strookte. De
         kantoorvloer brandde den vroolijken jonkman onder de voeten en over de
         brug der Rederijkerij naderde hij, tot ergernis van zijn familie, het
         tooneel, waar hij zijn loopbaan met een zeer kleine rol en een nog
         kleiner salaris begon.
      </p>
                  <p> Allengs »kwam hij op", zooals men dat in de tooneelwereld noemt en
         binnen eenige jaren was hij de lieveling van het publiek. Als Walten
         speelde was de schouwburg eivol; zijn naam op 't affiche bleek
         voldoende om een stuk te doen »trekken.”
      </p>
                  <p> Beminnelijk en vriendelijk van aard, was en bleef hij bij de
         collega's in aanzien. Ze mochten hem lijden, en de vrouwelijke
         collega's, en niet het minst de priesteressen van Terpsichore, zagen
         hem maar al te gaarne: zijn »geluk” bij haar evenaarde zijn succes op
         de planken; en zeker zou hij evenals Don Juan zijn veroveringen niet
         hebben kunnen tellen, wanneer hij niet na een vlinderachtige jeugd op
         rijperen leeftijd nòg fladderend, in 't net van een Fransche danseuse
         was gevlogen, die »le beau Valten” zoodanig de baas werd, dat hij zijn
         rug—misschien met een zucht—eindelijk onder Hymens juk kromde. Of hij
         't geduldig droeg, blijft de vraag.
      </p>
                  <p> Haar eerzucht, haar drijven en doorzetten waren de oorzaken, die hem
         de eerste schreden deden zetten op 't hellende vlak, waarop hij
         langzaam, maar zeker, omlaaggleed.
      </p>
                  <p> Zij wilde hem doen stijgen, zij wilde »Madame la Directrice”
         heeten—en ze deed hem vallen.
      </p>
                  <p> »Een eigen troep” was zijn droom geworden. Ongelukkig genoeg duurde
         die droom niet lang; 't ontwaken er uit was ontnuchterend en akelig.
      </p>
                  <p> »De troep” bestond eenigen tijd, werd toen een »troepje” en na veel
         tobben, teleurstellingen en wederwaardigheden opnieuw »een troep", maar
         in de andere beteekenis van 't woord.
      </p>
                  <p> Van stad tot stad trekkend, beproefde hij nu hier dan daar zich te
         vestigen en aan die stad een eigen schouwburg, een tooneelgezelschap te
         schenken. Telkens werden zijn verwachtingen bedrogen en altijd verder
         gleed hij voort op de schuine helling, die hem ten slotte in de
         kermistent voerde.
      </p>
                  <p> Had hij toenmaals nog de kracht bezeten om zich los te maken van die
         vrouw, die hem, als 't ware met magnetische kracht vasthield en
         beheerschte, zijn gezond verstand benevelend en op allerlei wijze zijn
         ijdelheid prikkelend, hem steeds tot de grootste dwaasheden verleidde,
         misschien ware het hem dan gelukt weer op de hoogte te komen. Hij deed
         het niet; Walten was, zooals men 't heet, een goeie vent, een
         artistieke natuur, prikkelbaar en opvliegend, maar zwak van karakter,
         toegevend soms meer dan noodig was en zonder doorzettingsvermogen dáár,
         waar 't hem inspanning kostte zijn wil door te drijven.
      </p>
                  <p> 't Ongeluk bleef hem trouw ter zijde, hij werd arm aan geld en moed,
         en toen eindelijk na jaren vol doorworstelde moeilijkheden een tijdstip
         kwam, waarop eenige vrienden—gedachtig aan 't geen hij vroeger was en
         rekening houdend met 't geen hij nog kón zijn—hem een fatsoenlijk
         engagement aanboden bij een schouwburg van den 2en rang, was 't alweer
         die vrouw, die hem er toe dreef zijn eischen zóó hoog te stellen, dat
         men die niet kon toestaan.
      </p>
                  <p> Hij bleef dus wat hij geworden was, een kermis-artisten-directeur,
         zich lavend en bedwelmend door de bravo's en toejuichingen van een
         publiek, dat àl te spoedig tevreden is. Allengs begon hij zijn
         oorspronkelijkheid te verliezen, hij deed zijn talent geweld aan,
         speelde alles, wanneer 't slechts »DE ROL” was van 't stuk; 't
         handgeklap van jan en alleman was hem onontbeerlijk geworden, evenals
         de flesch aan den dronkaard.
      </p>
                  <p> Huiselijke onvrede, verdriet dat hij door zijn kinderen ondervond,
         zorg en kommer knakten in hem den »artist” voordat de »mensch” Walten
         oud was; en toen hij inderdaad op leeftijd kwam, waren zijn oogen dof
         geworden, zij zagen slechts schemerend 't licht der kunst en straalden
         't niet meer uit. 't Eenige wat hem voor geheelen ondergang behoedde,
         was de omstandigheid dat hij niet dronk; hij had een aangeboren afkeer
         van »den drank", en zeker zou hij zonder dien gelukkigen afschuw nog
         veel sneller de maatschappelijke ladder zijn afgedaald.
      </p>
                  <p> Arm was hij geworden, zeer arm zelfs, maar een stijfhoofdige trots
         was hem bijgebleven. Hij was in zijn eigen oogen—misschien ook in die
         van anderen—een »gentleman” gebleven; hij »voelde” zich,
         niettegenstaande hij niets meer was.
      </p>
                  <p> Dat zijn talent in die worsteling met het leven gebroken was,
         begreep hij niet; zijn stem was rauw en heesch geworden, want hij had
         in allerlei rollen zijn geluid verschreeuwd voor een publiek, dat brult
         en juicht, als 't degens en dolken ziet, en dat samenvalt van 't
         lachen, als 't hansworsterij aanschouwt. Walten was de ruïne van een
         kunstenaar,—een bouwval echter, waarvan de overblijfselen aantoonden
         hoe schoon het geheel eenmaal was.
      </p>
                  <p> Eindelijk was de vrouw, die hem niet tot zegen was geweest,
         gestorven; zijn ondernemingen volgden haar de een na de andere, en
         eindelijk was 't gedaan: er bleef hem niets over dan de herinnering aan
         zijn zwerven, de afgodische liefde voor zijn arme krankzinnige dochter,
         zijn jongste kind, een nakomertje, dat jaren na het andere was geboren,
         en het denkbeeld dat hij weer een emplooi moest zoeken.
      </p>
                  <p> Dat »zoeken” vond echter een groot beletsel in de omstandigheid, dat
         Walten zijn kind niet kon verlaten, omdat hij de eenige was, die wist
         hoe zij behandeld moest worden, als die vlagen van
         verstandsverbijstering over haar kwamen. Hij zocht dus en wachtte,
         verteerde wat hem nog was overgebleven, en ten slotte vervolgd door
         schuldeischers, door den nood geperst, zocht hij hulp en troost bij
         zijn vroegeren leerling Hostein, die op dat oogenblik de eerste acteur,
         de gevierde artist was bij de Directie en bij 't publiek.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Terwijl de oude man de straat opging, zag Hostein van uit 't venster
         hem na en zei in zichzelf: »Arme kerel! ik zal voor je doen, wat ik
         kan”.
      </p>
                  <p> Den volgenden dag wendde hij al zijn invloed aan bij de Directie van
         den Koninklijken Schouwburg, en toen Walten een dag later hem weer
         bezocht kon hij hem met het blijde bericht verheugen, dat binnenkort
         een voorstelling zou worden gegeven, waarvan de geheele opbrengst, na
         aftrek van de alleronvermijdelijkste kosten, ten voordeele zou zijn van
         den ouden komiek en karakterspeler Adriaan Walten.
      </p>
                  <p> II.</p>
                  <p> 't Is even na den middag. 't Is koud en guur winterweer, zonder
         sneeuw, maar met regen aan de lucht en daardoor nattig, doordringend
         kil in de atmosfeer. Nu en dan schijnt een schraal, waterig zonnetje
         een oogenblik tegen de gevels der oude burgermanshuizen van de straat
         der achterbuurt, waar Walten woont, maar 't is geen zonneschijn die,
         weldadig verwarmend, doordringt in de vertrekken, 't is alleen een
         teringachtig schijntje, een flauwe glans, die even spoedig verdwijnt
         als komt.
      </p>
                  <p> Op 't open erf, achter het huis van den hokkebaas[1], waarvan Walten
         de beneden-achterkamer en een heel klein keukentje in huur heeft, staat
         een vrouw van middelbare leeftijd met opgestroopte mouwen aan de
         waschtobbe! 't Is een groote, stoere vrouw met een grof, maar
         goedhartig gelaat, waarop de kinderpokken hier en daar eenige
         herinneringen hebben achtergelaten. Haar lichtblauwe oogen staan helder
         in haar hoofd en vestigen zich nu en dan met welgevallen op een klein,
         dik ventje van een jaar of acht, dat met inspanning van al zijn kracht
         bezig is om tusschen de voegen der klinkertjes, waarmee 't plaatsje
         bestraat is, een gebroken houten lepel te drijven, door er uit alle
         macht met een stuk plank op te slaan, en als wilde hij bewijzen, dat
         gewillige last licht is, zingt hij het hoogste lied er bij uit. Zijn
         schelle kinderstem snijdt door de lucht, en glimlachend luistert de
         moeder naar hem, totdat het kloppen den zang overstemt en »'t lawaai”
         haar te erg wordt. »Stil, Keesie!” zegt ze, hem even met den van
         zeepsop druipenden vinger dreigend; en als van uit de achterkamer, voor
         welks ramen haar waschtobbe geplaatst is, een paar galmende tonen haar
         oor bereiken, herhaalt zij een weinig luider en bevelender: »Stil dan
         toch, joggie!”
      </p>
                  <p> [1] Turf-en houtverkooper.</p>
                  <p> Die achterkamer is boven het halfgezonken onderstuk, waarin de turf,
         het hout en de cokes van den hokkebaas bewaard worden, en daardoor zijn
         de twee, vrij groote ramen op iets meer dan manslengte van den grond.
         Een paar wit en blauw gestreepte rolgordijnen zijn tot op eenige
         centimeters van de vensterbank neergelaten en beletten zooveel mogelijk
         het inkijken in Waltens kamer, die tamelijk duister zou zijn, wanneer
         niet, door de openstaande deur van 't kleine keukentje het volle
         daglicht binnenviel.
      </p>
                  <p> Opnieuw bereiken eenige op luiden, bijna galmend zingenden toon
         geuite woorden haar oor, en voorzichtig zet de vrouw de zware tobbe van
         het bankje, dat als onderstel dienst doet, herhaalt nog eenmaal haar:
         »Stil dan toch, Keesie” en klimt behoedzaam op 't bankje. Nu reikt ze
         met haar hoofd juist tot even boven de vensterbank, zoodat zij naar
         binnen in de kamer kan zien.
      </p>
                  <p> »Hum!” mompelt zij, »de gordijne benne weer dicht, maar ik ken ze
         toch net effetjes zien.” Zij stapt van 't bankje af en luistert
         opnieuw, want binnen klinkt de stem al luider en luider.
      </p>
                  <p> »Kind! hou nou toch ereissies eve je snater; 'n mensch kan niks niet
         hoore, als jij aldoor zingt; 't wordt nou net persies mooi.” Zij doet
         een paar passen naar rechts op de plaats en roept halfluid: »Juffrouw
         Jaling! Juffro-ou-w!—toe Keesie, hou je mond nou—juffrouw, kom nou
         gauw! Nou beginne ze weer. Allo! Keesie, jij zoolang naar achtere,
         vort! Roep jij de juffrouw ereis gauw, als een knappe jonge!”
      </p>
                  <p> Uit de openstaande achterdeur van 't naburig huis, dat eveneens op
         't erf uitkomt, klinkt een heesch: »Ik kom al!” en dadelijk daarop
         waggelt een buitengewoon zwaarlijvige vrouw, als een vette gans, naar
         buiten.
      </p>
                  <p> Een katoenen japon hangt haar, als een hier en daar opgeblazen zak,
         om 't lijf en haar dikke voeten steken in een paar zwartleeren
         pantoffels, die op de straatsteentjes een sloffend gedruisch maken, als
         zij nadert.
      </p>
                  <p> »Benne ze weer bezig?” vraagt hijgend de dikke juffrouw, terwijl ze
         een paar droppels van haar slapen veegt, want niettegenstaande 't koude
         gure weer heeft zij het erg warm, terwijl ze voortschommelt.
      </p>
                  <p> »Nou! uwé komt nog bijtijds, juffrouw Jaling; 't is posetief 'n
         extratje vandaag. Uwé kan nou nog net profeteere van de kemedie. Gaat u
         maar op 't bankie staan, dan kan je onder de gordijnfranje door in de
         kamer zien; 't eene raam staat een êndje ope, dat tref je. Je mot nou
         meteens je oore maar ereissies de kost geve. Wacht 'k zal je
         helpe.—Komaan dan!—Ho!—Huup! Eén ootje, twee ootje, mensch! mensch
         wat ben je toch dikkig: als m'n bankie 't maar uithoudt—drie ootje!
         oepla!—Zoo! Hou je nou stiekum! Zachies prate.—Nou ben je d'r.—Zie
         je wat?”
      </p>
                  <p> »Gut, lieve ziel, wacht effies!—'k Ben blij, dat ik staan, hoor!
         Voor 'n dikkig persoon is 't een heele toer om op zoon bankie te komme;
         ik ben weer zoo kort van aassem teugenwoordig, weet je? O! nou kan ik
         zien.”
      </p>
                  <p> »Zie je wat?”</p>
                  <p> »Nou!”</p>
                  <p> »Wat dan?—Zeg 't me maar zoetjes.”</p>
                  <p> »Kristemensch! wat is 'r 'n herrie in die kamer.”</p>
                  <p> »Nou hé!”</p>
                  <p> »Alles leit overhoop; zij zit op 't bed. O! Gossie! wat ziet ze 'r
         raar uit, en hij maakt grimassies voor d'r. Hij buigt. Hè! hè! hè! hè!”
      </p>
                  <p> »Stil! lach niet zoo hard, anders hoort ie 't!”</p>
                  <p> »Dat's allemachtig kemiek: hij zoent 'r hand.—Zeg, 'k kan ommers
         niet valle, juffrouw Daters?—Hij doet 't bij wijs alsof ie 'n
         onderdaan is of zoo ies, en.... Sjuut! zij zeit 'n soortement vers op.”
      </p>
                  <p> »Nou wat heb ik je gezeid? Allemenschelijk aardig, hé?”</p>
                  <p> »Stil dan, mensch, laat me nou hoore.”</p>
                  <p> »Vertel dan ereis, wat ie zeit?”</p>
                  <p> »Nou persies kan 'k 't niet verstaan, maar.... Hè! hè! hè! hij gaat
         op z'n eene knie legge en zij—o, groote Gerritje, dat's grappig—zij
         vliegt op en pakt die ouwe kerel om z'n hals. Sjuut! nou ken 'k 'r
         verstaan. Jij ook?”
      </p>
                  <p> »Ja. Hou je nou koest en spreek toch niet zoo hard!”</p>
                  <p> Een diepe volle altstem zegt binnen in de kamer luid en duidelijk:</p>
                  <p>   ».... Hernani! 'k beef.... In 's hemels naam,
         <br/>   Spoed, spoed u voort van hier.... Kom! vluchten wij te zaâm.”
      </p>
                  <p> en Waltens stem, antwoordt:</p>
                  <p>   »Te zaâm?—Neen! neen!.... Hélaas! dat uur is heengevaren,
         <br/>   Toen gij mij, Donna Sol! uw hart woudt openbaren;
         <br/>   Toen gij zoo naamloos goed, tot hulp m' uw liefde boodt,
         <br/>   Mocht ik u bieden, wat mijne armoê overschoot.”
      </p>
                  <p> »Zeg,” fluistert juffrouw Jaling zich half omwendend, »hij heit 't
         over z'n armoê. Nou! dat 's geen wonder: 't is daar 't noordermarkie
         wel.”
      </p>
                  <p> »Nou hé?—Pas op dat je niet om valt; 't bankie is zwak; je mot
         stilstaan, hoor!—Wat 'n malle mensche om zoo met mekaar in d'r eentje
         komedie te doen.”
      </p>
                  <p> »Nou!”</p>
                  <p> Een poosje luisteren de vrouwen zwijgend en aandachtig toe en, als
         eindelijk de vrouwenstem vol innigheid zegt:
      </p>
                  <p>   »Neen, 'k volg u, waar gij gaat; ik wil u lijkwa deelen;
         <br/>   'k Hecht me aan uw schreden .... ik hoor naar smeeken noch
         bevelen.”
      </p>
                  <p> zegt juffrouw Jaling zachtkens: »Wat 'n mooie stem heit ze'.”</p>
                  <p> »Jawel, maar luister nou liever, m'n goeie mensch.”</p>
                  <p> Walten antwoordt:</p>
                  <p>   ....... Laat mij alleen ontvluchten!</p>
                  <p> »Gaat ie 'r van door?” vraagt vrouw Daters fluisterend aan de
         andere, die voortdurend door de ruiten naar binnen ziet.
      </p>
                  <p> »Wel, mensch, 't is ommers allemaal spul!—Nou begint zij weer, hoor
         je wel?”
      </p>
                  <p>           ..... »Ge ontvliedt mij!... Hoe ontzind
         <br/>   Zijn leven te offeren aan den een'gen, dien men mint,
         <br/>   En, weggestooten, nog 't geluk te moeten derven
         <br/>   Na zooveel liefde en smart met hem te mogen sterven.”
      </p>
                  <p> Deze laatste strofe is zoo melodieus, zoo goed en met gevoel gezegd
         geworden, dat de dikke juffrouw, die, zooals meer corpulente menschen,
         gevoelig van natuur is, merkt dat haar oogen vochtig worden en tot de
         andere zegt: »'k Heb met 'r te doen, juffrouw; ik word er vol van; je
         gaat er niet voor naar de komedie, hoor; 't is waar wat je zei—hè!
         dat's jammer, hij doet de keukedeur dicht, nou wordt 't zoo donker dat
         'k bekans niets zie—maar hoore kan 'k wel.”
      </p>
                  <p> »Haar ken je goed verstaan; ze spreekt zoo duidelijk, is 't niet?”</p>
                  <p> »Nou! Maar hij is van de tand—dat hoor je wat goed.”</p>
                  <p> »'t Is net of ie een aardappel in zijn mond heen en weer draait, als
         ie praat. Je ken 'm haast niet verstaan tusschenbeie.—O! daar beginne
         ze weer; maar....”
      </p>
                  <p> Krak! krak! doet 't bankje en meteen: »Groote Gerritje, daar heb je
         't nou,” vangt juffrouw Daters nog bijtijds haar buurvrouw op, houdt
         haar tegen en helpt haar veilig op den grond. 't Bankje is door »de
         dikkigheid” van juffrouw Jaling en de bewegingen die zij maakte tot het
         uiterste gebracht en bezweken.
      </p>
                  <p> Met een: »Da's nog net bijtijds” blijft de zwaarlijvige juffrouw een
         oogenblik staan, hijgend en blazend; en terwijl ze haar opgeschorte
         japon en zwarten rok over de ontzagwekkend dikke beenen neerslaat,
         vraagt ze:
      </p>
                  <p> »En is daar nou alle dage weêr-an zoo'n spektakel?”</p>
                  <p> »Alle dage, ten minste in den laatsten tijd.”</p>
                  <p> »Heere, Heere!—'k Wou dat 'k hier eerder was komme wone; 't
         verdiverteert me wel.”
      </p>
                  <p> »M'n man is ereis op z'n kamer geweest.”</p>
                  <p> »Kom?”</p>
                  <p> »Waarentig!—'n Rommel, m'n goeie mensch, een rommel, van alles en
         nog wat!”
      </p>
                  <p> »Wel, wel!”</p>
                  <p> »En speult ie nou nog op den Schouwburg?”</p>
                  <p> »Wel neenik, hij kan niet meer, dat hoor je wel.”</p>
                  <p> »Wat je zegt!”</p>
                  <p> »'t Mot vroeger anders 'n baas zijn geweest.”</p>
                  <p> »Zoo!”</p>
                  <p> »Jawel, 'n eerste kemiekeling!”</p>
                  <p> »Ja! je ken nog wel zien, dat ie kemiekig is, vooral als ie zoo
         buigt; anders is z'n gezicht eigentlijk meer mankeliekig, als je 'm zoo
         ziet.”
      </p>
                  <p> »Nou!”</p>
                  <p> »Zoo'n beetje verloopen ook, hé?”</p>
                  <p> »Nou! 't is een echte ouwe narigheid op sloffen; maar tusschenbeien
         zeit ie toch nog wel ereis 'n grappie.”
      </p>
                  <p> »Och kom!”</p>
                  <p> »Ja, als Pietersen komt.”</p>
                  <p> »Wie is Pietersen?”</p>
                  <p> »O! ken je dien nog niet?”</p>
                  <p> »Neen!”</p>
                  <p> »'t Is ook een eerste kemediant geweest; ze vertelle van hem, dat ie
         vroeger bij 'n Fransche opera gezonge heit en gespeuld en later is ie
         zooveel als sefleur geworde. O Gunst! juffrouw, dat's zoo'n mirakel van
         'n vent. Hij heit nog één haar en één tand en de rest is beentjes met
         'n jas van »dankie meneer” er over. 'n Liefhebber van een slokkie, erg!
         Maar vinnig, als 't er op ankomt ook.”
      </p>
                  <p> »Zoo? Ja! die kemediante-lui benne door de bank nogal van: berg 'm
         maar weg achter je stropdas.” Juffrouw Jaling maakt met twee vingers
         van de rechterhand de beweging van iemand, die een glas uitdrinkt.
      </p>
                  <p> »Hij vooral! Weet je: als ie genoeg heit, lust ie niet meer, als ie
         niks krijgt en... Kijk! als je van den duvel spreekt, dan staat ie om
         'n hoekie; daar komt ie waarentig de gang in.—O Pietersen!—O!
         Pie-ie-ietersen!”
      </p>
                  <p> »Mensch, wat begin je?”</p>
                  <p> »Nou! mot je 'm niet ereis zien? 't Is wat 'n smakelijke
         poelepetaat; misschien krijgt ie nog idee in je; zoo'n dikke weduwvrouw
         zonder kindere zou 'm nog wel lijke.—Dag, Pietersen; hoe gaat 't?”
      </p>
                  <p> De aangesprokene, inmiddels genaderd, is inderdaad een zonderling
         type. Lang, mager, min of meer met een knik in de knieën loopend, ziet
         hij er uit alsof hij op 't punt is om door te breken.
      </p>
                  <p> Zijn gelaat is groezelig vaalbleek en om den ingevallen mond, zoowel
         als op de wangen bewijzen talrijke grijze stoppels, dat de barbier geen
         oortje aan hem verdient. Zijn oogen zijn dof, als uitgedoofd, en 't is
         alsof hij de oogleden slechts met moeite openhoudt. Nu en dan sluit hij
         het linkeroog geheel en ziet met het rechter, eenigszins scheel en
         voortdurend knippend, langs den dikken rooden neus. Een groote
         breedgerande hooge hoed dekt zijn kalen schedel, terwijl zijn jas en
         pantalon er uitzien, alsof ze een aandenken zijn aan een of anderen
         menschenvriend.
      </p>
                  <p> Door 't bijna totaal gemis van tanden, klapt zijn tong nu en dan
         dubbel tegen de holle wanden van zijn mond en geeft daardoor aan zijn
         stem een klank, die aan 't klokken van een flesch, die uitgeschonken
         wordt, doet denken. Pietersen heeft in zijn leven veel meer dan noodig
         was aan Bacchus geofferd en behoort nu tot dat soort van menschen, die
         eenvoudig niet meer beschonken worden, omdat ze 't voortdurend zijn.
         Zelfs nu op dit oogenblik is hij niet geheel vrij van den invloed des
         alcohols: dronken is hij niet, nuchter evenmin; hij is in een
         zoogenaamde »pleizierige bui", die zich bij hem aankondigt door een
         kleine moeilijkheid bij 't uitspreken van enkele woorden en letters.
         Overigens is er aan hem niets bijzonders te bespeuren; zijn gelaat
         heeft de gewone vervallen comische uitdrukking en met zijn rechteroog
         knipt hij niet vaker dan anders.
      </p>
                  <p> De vrouwen uit de buurt kennen hem allen en mogen hem lijden, want
         Pietersen heeft er slag van om door een of ander grappig woord of een
         zoogenaamden »ui” op haar lachspieren te werken; hij is de schim van
         een galant man en mengt veel Fransche woorden in zijn gesprek, een
         eigenaardigheid die hem bij de vrouwtjes uit de buurt een soort van
         overwicht bezorgt. »Hij is vroeger een heer geweest,” zeggen ze, en
         hoewel ze hem zoodra ze kunnen in 't ootje nemen, gaan ze nooit te ver;
         »dat ken je niet met 'm risekeeren, want dan wordt ie zoo akelig
         beleefd dat je dadelijk snapt dat ie je in de maling neemt,” beweert
         vrouw Daters. Intusschen is Pietersen genaderd en vraagt met grappigen
         ernst:
      </p>
                  <p> »Rr-oept u, schoone dame?”</p>
                  <p> »Ja, Pietersen!”</p>
                  <p> »Meneer Pietersen, als ik u verz—zoeken mag!”</p>
                  <p> Lachend stoot vrouw Daters juffrouw Jaling aan en zegt: »Nou, voor
         mijn part mag je »meheer” wezen, maar 'n meheer met angst ben je toch,
         ha! ha! ha!”
      </p>
                  <p> »Sans peur et sans reproche! Waarom met angst, schoone f-f-fee?”</p>
                  <p> »Och schei maar uit met je parlevinken; je bent toch 'n oud
         mirakel.”
      </p>
                  <p> »Wanneer u me roept om geridicu—cu—liseerd te worden,
         beminnelijke, dan vertrek ik liever vóór ik arriveer, Donna mia.”
      </p>
                  <p> Half achter juffrouw Jalings breede schouders verborgen, giegelt
         vrouw Daters: »Hij heit 'm te pakke van middag!” en luid zegt ze: »Ouwe
         graantjespikker, ga maar naar Walten; die zit zeker al met smart op je
         te wachte. Ha! ha! 'n mooi spannetje voor 'n bokkewage die twee.”
      </p>
                  <p> »Aangenaam kennis te hebben gemaakt. Que le bon Dieu vous protège!”
         Pietersen keert zich om en roept plotseling op allesbehalve aangenamen
         toon: »Verdikke! die wasch—tobbe ko—kon je wel ergens anders hebben
         gezet, lieveling!”
      </p>
                  <p> Schaterend zien de vrouwen, hoe Pietersen, die over de tobbe is
         gestruikeld, zijn hoed uit 't zeepsop opvischt en, tegen den muur
         leunend, zijn linker scheenbeen zachtkens wrijft.
      </p>
                  <p> »Kom hier, kraantjelek, dan zal ik je ophelpe,” lacht vrouw Daters,
         en juffrouw Jaling, die bij de eerste kennismaking niet erg spraakzaam
         was, voegt er bij: »Uwes pootjes benne nog al dun; ze benne immers niet
         kapot? Ha! Ha! Ha! Mensch! 't is de pijne waard om te zien.”
      </p>
                  <p> Tusschen de tanden iets brommend wat de anderen niet verstaan, gaat
         Pietersen, eenigszins hinkend, terug de gang in en bereikt de deur, die
         toegang geeft tot de trap, die naar Waltens woning leidt. Hij is door
         dien onverwachten stoot tegen den scherpen kant der waschtobbe uit zijn
         humeur geraakt en volkomen ontnuchterd.
      </p>
                  <p> »Canaille-pak,” zegt hij halfluid, en als hij de deur binnengaat,
         keert hij zich nog even om naar de vrouwen, neemt met een spottende
         buiging zijn kletsnatten hoed af en roept: »Au revoir, mes anges”.
      </p>
                  <p> Hij hoort nog hoe zijn kwelgeesten schateren, vloekt een paar malen
         binnensmonds en gaat dan de trap op.
      </p>
                  <p> 't Zijn slechts acht of negen treden, die hij behoeft op te klimmen,
         maar hij wacht toch even in 't enge donkere portaal, vóórdat hij naar
         boven gaat. Hij luistert, want een hem bekende stem klinkt boven uit de
         kamer:
      </p>
                  <p>   »Ik volg u!”</p>
                  <p> »Dat's Annette,” zegt hij in zich zelf. »Och Heere! zou 't weer mis
         wezen? Jawel zeker, want hij antwoordt haar.”
      </p>
                  <p>   »De hertog heeft het al, geluk en goud en eer,”</p>
                  <p> klinkt boven hem Waltens stem.</p>
                  <p> »Jongens! jongens! 't is toch 'n ding voor Walten,” vervolgt hij
         hoofdschuddend; en behoedzaam, zacht, zonder gedruisch te maken, klimt
         hij de treden op.
      </p>
                  <p> Voordat hij aanklopt aan de deur, die in het schier geheel duistere
         bovenportaal bijna onzichtbaar is en alleen door een flauwe lichtstreep
         onder aan den drempel wordt aangeduid, trekt hij zijn jas een weinig
         naar beneden, slaat zijn natten hoed een paar malen uit en strijkt de
         enkele haren, die aan zijn slapen welken, glad.
      </p>
                  <p> »Binnen!” roept Walten op gesmoorden toon, zoodra Pietersen heeft
         aangeklopt.
      </p>
                  <p> Nauwelijks heeft hij de deur geopend, of Walten wenkt hem toe, dat
         hij zwijgen moet.
      </p>
                  <p> Zijn »me voilà monsieur le Directeur” besterft hem op de lippen, als
         hij een blik in de kamer werpt. Haastig bijt de oude acteur hem toe:
         »Geen grappen, hoor je! 't Is heelemaal mis, o, zoo erg! 'k Heb 'n
         nachtje gehad!—Ze is nu Donna Sol. Begrepen?”
      </p>
                  <p> Pietersen knikt, doet een paar passen voorwaarts in de kamer en
         slaat dan langs zijn rooden neus een meêwarigen blik op de vrouw, die
         op 't bed achter in de kamer zit. Als zij Pietersen bemerkt, rijst ze
         langzaam op, ziet hem met groote, glazige oogen aan, zonder hem te
         herkennen en zegt:
      </p>
                  <p>   »Wij gaan op morgen saam—ik wil niets anders meer.
         <br/>   Wil die stoutmoedigheid, hoe vreemd ook, mij vergeven.”
      </p>
                  <p> Ongeduldig wenkt zij met de kleine blanke hand, dat Pietersen
         naderen moet; en daar deze aarzelt, fluistert Walten hem haastig toe:
         »Maar ga dan toch naast haar zitten; je weet immers, hoe ze is. Gauw!”
      </p>
                  <p> Met een diepe, hoffelijke buiging treedt de oude souffleur tot voor
         't bed, kust de hem toegestoken hand en zegt:
      </p>
                  <p>   »Ik nader, Donna Sol, ik plaats me aan uw voeten.”</p>
                  <p> Met de hand zachtkens over Pietersens kalen schedel strijkend,
         vervolgt Waltens dochter:
      </p>
                  <p>   »O! mijn Hernani, kom! ik kan niet wederstreven.
         <br/>   Zijt gij de engel of de daemon van mijn leven?
         <br/>   Geliefde! 'k weet het niet, maar zeker is 't, o ja!
         <br/>   
<!-- **** No template for element: i **** -->Ik, ik ben uw slavin. Ga wáár gij wilt, ik ga.
         <br/>   Blijf of vertrek van hier, ik zal steeds de uwe wezen.
         <br/>   Waarom?... 't Is m' onbewust... Met u noch angst noch vreezen,
         <br/>   Ik moet u zien altijd! Wanneer gij mij verlaat,
         <br/>   Is 't of mijn hart niet meer in d'engen boezem slaat.
         <br/>   Hernani! spreek dan toch.....”
      </p>
                  <p> Met de armen over de borst gekruist ziet Walten, met somberen blik
         tegen de deur van 't keukentje leunend, de zonderlinge groep dáár voor
         hem aan, en als Pietersen blijft zwijgen, fluistert hij hem toe: »Zeg
         maar wat, als ze je de »de wacht"[1] geeft; anders wordt ze zoo
         ongeduldig.”
      </p>
                  <p> [1] »Stichwort”—'t laatste woord, waarop de andere speler invallen
         moet.
      </p>
                  <p> Met zijn eene oog herhaaldelijk knippend; hij doet 't nu uit
         verlegenheid, antwoordt Pietersen:
      </p>
                  <p> »'k Heb reeds te lang gehoopt, geliefde Donna Sol.”</p>
                  <p> Eensklaps lacht de krankzinnige luid en snijdend, ziet den naast
         haar zittenden man met groote oogen aan en zegt daarna, schijnbaar
         kalm: »Je kent je rol niet; dàt staat er niet. Ha! ha! ha!—wat 'n
         leelijke Hernani—maar dat's minder; ik zal je wel helpen, al ken ik je
         niet.”
      </p>
                  <p>   »Tot morgen Hernani, te middernacht! 'k Zal waken.
         <br/>   't Gevoel dat mij doorgloeit zal mij manmoedig maken.
         <br/>       Klap driewerf in de hand, opdat ik u herken;
         <br/>       Aan 't venster wacht ik u......”
      </p>
                  <p> Pietersen, die niet meer weet wàt hij antwoorden moet, ziet met een
         angstigen blik en knipoogend naar Walten, die langzaam nadert, de armen
         om de hals van zijn kind slaat en de rol van Hernani vervolgend, op
         innigen toon vraagt:
      </p>
                  <p>   »Weet gij thans wie ik ben?”</p>
                  <p> Voorzichtig, langzaam neemt Walten de plaats in van den souffleur,
         die met een meêwarigen blik op vader en dochter terugtreedt en in een
         hoek van 't vertrek zwijgend blijft staan kijken.
      </p>
                  <p> 't Is somber halflicht in die vrij groote achterkamer; onder,
         tusschen de rafelige franje der neergelaten gordijnen door, schijnt
         enkele malen een flauw, roodgele zonnestraal op 't vergroende goudgalon
         van den purperfluweelen mantel, die over Annette Waltens nachtjapon
         hangt; ze weerkaatst eenige seconden in de gekleurde steenen en 't
         verguldsel van den halsketen, waarmee zij getooid is en schittert nu en
         dan een ondeelbaar oogenblik in de glazen robijnen en saffieren van de
         koningskroon, die op de verward loshangende, zwarte haren van Donna Sol
         prijkt. Soms kleurt die zwakke schijn de bleeke wangen der vrouw met
         een hooger blosje dat verdwijnt, zoodra de jagende wolken 't zonlicht
         onderscheppen. Eindelijk valt nog een lange matgele lichtstreep langs
         de kozijnen heen op den houten vloer der kamer, blijft daar afwisselend
         flauwer en helderder een korte poos met de kwasten en naden van 't hout
         spelen en verdwijnt dan, allengs verbleekend, geheel en al.
      </p>
                  <p> 't Is buiten donkerder geworden, een regenbui komt opzetten en door
         de grauwe wolken breekt zich geen enkel zonnestraaltje meer baan. In de
         kamer is alles grijs van tint, kil en koud evenals te voren; alle
         voorwerpen dommelen weg in één mistigen, vaalgrauwen toon.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Inderdaad, vrouw Jaling had gelijk, toen zij het »een rommel” noemde
         wat ze in die kamer zag, tusschen de gordijnen door.
      </p>
                  <p> De enkele meubels, die er aanwezig zijn, kunnen bezwaarlijk op den
         naam van »ameublement” aanspraak maken; er is van alles zoo wat. Een
         latafel, met half opengetrokken laden, toont dat haar inhoud bestaat
         uit oude, versleten tooneelkostumes. Een paar gekleurde tricot-kousen
         hangen treurig gescheurd uit de bovenste lade, over een verschoten en
         geplet fluweelen kleed, dat met slappe mouwen uit de tweede in de
         onderste lade schijnt te grijpen naar een zwart en rood geruite
         caricatuurjas, die op haar beurt met een der mouwen een poging doet om
         in de tweede lade een paar bontgekleurde vesten te bereiken, die
         nieuwsgierig over den rand kijken naar een aantal niet te herkennen
         zaken, die òf uit de onderste lade zijn gevallen òf daarvoor moeite
         doen. Boven op de latafel staan een paar dansschoenen en een
         geellederen ridderlaars, die met zijn spoor verward is geraakt in een
         kanten kraag, die moeite doet om een broodbak en een melkkan zonder oor
         te bedekken.
      </p>
                  <p> Op een der stoelen, die vadzig en gebrekkig achterover tegen den
         wand leunt, prijkt Waltens jas, netjes opgehangen over een oud
         afgedragen Louis XIIIkostuum, waarvan de degen met zwart gevest zijn
         einde verbergt in een zwaar beschadigde infanterietrommel, die onder
         den stoel geplaatst, tot bergplaats dient voor een vergulden schepter
         en een parapluie, die er eendrachtig uitkijken.
      </p>
                  <p> Een eind verder tegen den wand der kamer ziet men aan een kapstok
         ettelijke vrouwenkleederen en een drietal versleten pantalons van
         verschillende kleur, terwijl een lias met tooneelaffiches, geel en
         grauw door stof en vlekken, er naast is opgehangen.
      </p>
                  <p> Op de tafel, midden in 't vertrek, liggen in kunstvolle wanorde
         allerlei voorwerpen, die bij het toilet van een actrice noodig kunnen
         zijn, dooreen. Een kapdoos met spiegel, een blikken trommel met
         benoodigdheden voor 't grimeeren en blanketten; verschillende
         haarvlechten, kapsels en damespruiken rusten naast een drietal
         armbanden en colliers met valsche steenen, in verguld montuur, op een
         kapmantel, die half over de tafel is gehangen.
      </p>
                  <p> Twee vuile witte handschoenen steken hun vingers uit naar een potje
         vol rouge de théâtre, met een hazenpootje er in, en een groote krulstok
         ligt dwars over een bord met een paar mootjes haring en een halve
         boterham heen, terwijl een groote ridderhandschoen geduldig zijn duim
         in een half leeggedronken glas met melk doopt.
      </p>
                  <p> Een inktfleschje op een schoteltje leunt schuins tegen een penhouder
         en een haarborstel aan, en in een oud sigarenkistje er naast huizen
         eenige pakjes entree-kaarten, die er gloednieuw uitzien.
      </p>
                  <p> Het bed, dat aan de andere zijde in de kamer staat, is zonder
         twijfel 't beste meubelstuk dat er aanwezig is. 't Schijnt òf uit beter
         tijden te stammen òf bij vergissing in deze armoedige omgeving te zijn
         gekomen, want 't is een zoogenaamd »Lit trône” met een hemel van donker
         gebloemd cretonne er boven; en de aan weerszijden afhangende gordijnen
         zijn, wel is waar, hier en daar gescheurd en gerafeld, maar toch met
         een zekeren smaak gedrapeerd. Een roodkatoenen deken, geheel over 't
         bed gelegd, verbergt de kussens en lakens en geeft inderdaad iets
         troonachtigs aan 't geheel, vooral nu op die roode deken de rijzige
         gestalte van Annette in den purperen mantel en met een kroon op 't
         hoofd gezeten is. Haar bloote voeten, die in met goud geborduurde
         Turksche muiltjes steken en even van onder het witte nachtkleed
         zichtbaar zijn, dragen er toe bij om de illusie te vergrooten.
      </p>
                  <p> In den tegenovergestelden hoek van 't vertrek naast een bedstede
         staat een geopende koffer, waarvan de inhoud gedeeltelijk op den grond
         is verspreid.
      </p>
                  <p> Kostuumstukken van verschillende kleur en vorm liggen bij en over
         een paar zwaarden en een gebulten en gedeukten helm, terwijl een
         Jacobijnenmuts en een koningskroon in roerende eendracht over elkander
         liggen op 't vuilwitte Pierrotpak, dat te zamen met een duffelsche jas
         uit den koffer hangt.
      </p>
                  <p> Het licht van den reeds scheidenden dag, dat zoo spaarzaam mogelijk
         in de kamer dringt, is medelijdend genoeg om voor den oppervlakkigen
         beschouwer de versletenheid en verschoten tinten van een en ander te
         verbergen, en als een flauw zonnestraaltje zich, bij vergissing, nu en
         dan nog even vertoont, lacht het, als droevig, over den schijn, die
         hier zoo akelig werkelijkheid wordt.
      </p>
                  <p> Pietersen, moe van 't staan, heeft zonder gedruisch te maken een
         stoel genomen, den daarop liggenden zak verwijderd en zit nu met de
         ellebogen op de knieën en de handen onder 't hoofd naar Walten en
         Annette, die samen »voortspelen,” te kijken.
      </p>
                  <p> »Kom, lieveling,” zegt de oude man op zacht, overredenden toon »houd
         op; je wordt moe; je kent je rol uitstekend. Bravo! Bravo!” en zeer
         voorzichtig klapt hij zachtjes in de handen. Pietersen weet nu niets
         beters te doen, dan deel te nemen aan 't applaudissement; hij richt
         zich op en slaat met kracht zijn knokige handen ineen, terwijl hij
         luidkeels »Bravo! Bravissimo!” roept.
      </p>
                  <p> »Om Godswil! niet zoo hard; zachtjes, zachtjes, anders schrikt ze,”
         fluistert Walten, haastig zich omwendend, hem toe.
      </p>
                  <p> »O! dat wist ik niet!”</p>
                  <p> »Zachtjes applaudisseeren, heel zacht! dan hoort ze 't
         graag.—Zóó,—ja zóó doe je 't goed.”
      </p>
                  <p> De ongelukkige ziet met strakke oogen vóór zich uit, rijst op van
         haar bed, neemt Waltens hand, en terwijl zich een glimlach om haar mond
         vertoont, doet zij een pas vooruit en nijgt diep, twee-of driemaal, als
         voor een onzichtbaar publiek.
      </p>
                  <p> »Zie je wel, m'n lieve, dat ze tevreden zijn?—Kom! ga nu wat
         liggen; je bent moê, dat zie ik!” smeekt Walten met angstige blikken
         zijn kind aanziende.
      </p>
                  <p> Langzaam schudt Annette het hoofd en dan, als door een plotselinge
         huivering overvallen, rilt ze, wordt bleek en gaat zitten, met de
         handen tegen de borst gedrukt.
      </p>
                  <p> »Zoo m'n kind! zóó is 't goed. Ben je nu tevreden? Ja hé?—Dan nu
         rusten. Kom! doe 't maar!”
      </p>
                  <p> Nogmaals schudt de krankzinnige zachtkens het hoofd, en opstaande
         doet zij een pas of twee vooruit, breidt de armen uit naar Walten, die
         een schrede ter zijde is gegaan, en begint dan te zingen, zacht en
         langzaam, als droomend, terwijl ze met de diepliggende donkere oogen
         voortdurend op één punt staart.
      </p>
                  <p> Aangrijpend schoon klinkt haar diepe altstem door 't vertrek;
         ademloos hoort Pietersen toe, als zij mezzo voce zingt:
      </p>
                  <p>   »Onder 't loof der boomen,
         <br/>     In het donkere woud,
         <br/>   Is mijn lief gekomen,
         <br/>     Heb ik hem vertrouwd:
         <br/>   Hoe 'k hem heb geschonken
         <br/>     Heel mijn ziel en hart,
         <br/>   En hoe trouw mijn liefde
         <br/>     Storm en onweêr tart.”
      </p>
                  <p> »Neen, neen! Stil! niet doen,” fluistert Walten haastig tot
         Pietersen, die reeds de handen gereedhoudt om zijn bijval te toonen.
         »Stil! De bui loopt op z'n einde; als ze gaat zingen, is 't gauw
         gedaan.—Wat 'n geluid, hé? God! hoe jammer toch van 't kind!—Dat lied
         is nog 'n herinnering aan dien—hm! dien moffen-muzikant—dien hm!—Dàt
         vergeet ze niet; hij heeft 't op muziek gezet, weet je?”
      </p>
                  <p> Terwijl Annette zingt, doet zij eenige passen vooruit, slaat met een
         waarlijk schoone beweging den koningsmantel terug en beweegt de ronde
         goed gevormde bloote armen, die halverwege uit de wijde mouwen van de
         nachtjapon steken, op de maat van 't lied sierlijk heen en weder.
      </p>
                  <p> De oude souffleur ziet haar, met zijn eene oog knippend, bewonderend
         aan en wijst aan Walten door een duidelijke handbeweging, hoe schoon
         hij haar bewegingen en gebaren vindt.
      </p>
                  <p> Plotseling stoort een zonderling knorrend geluid den zang. Annette,
         die nu 't tweede couplet van 't lied meer neuriet dan zingt, hoort het
         niet; zij gaat zitten en ziet naar de punten van haar muiltjes, die ze
         op de maat der melodie op-en neer beweegt. Walten daarentegen is naar
         den hoek der kamer gegaan, van waar 't knorrend geluid komt, schopt met
         den voet tegen een pakkist, die met een oud tafelkleed overdekt
         Pietersens aandacht ontgaan is, en pruttelt: »Wil jij je bek wel eens
         houden?”
      </p>
                  <p> 't Knorrend geluid wordt al luider en luider en begeleid door een
         hevig gestommel in de kist.
      </p>
                  <p> De souffleur blijft onbeweeglijk op zijn plaats zitten, maar vraagt
         met een blik uit zijn rechteroog en een optrekken der wenkbrauwen aan
         Walten: »Wat is dàt daar?”
      </p>
                  <p> Annette neuriet verder en rijst op, langzaam beweegt zij zich voort
         naar Pietersen, die haar te gemoet gaat en de hem toegestoken hand met
         een eerbiedige beweging aanneemt en kust. Zij slaat haar eenen arm om
         zijn hals en zingt luider:
      </p>
                  <p>   »Zeg hem luid, gij bloemen,
         <br/>     Hoe mijn hart verlangt,
         <br/>   Hoe mijn ziel, mijn leven,
         <br/>     Aan zijn leven hangt.”
      </p>
                  <p> Pietersen knikt haar toe, verwijdert zachtkens haar arm van zijn
         schouder, en als wilde hij een schreiend kind troosten, zegt hij
         vleiend: »Ja, ja! ma chérie, dat is zoo.—Zeg! Walten, wat heb je toch
         in die kist? 't Lijkt waarachtig wel een....”
      </p>
                  <p> »Stil dan toch!”</p>
                  <p> »Och, ze hoort 't immers niet.—Ja! ja! m'n beste, je zingt subliem.
         Ja! ja! we zullen gaan zitten, hé?—Ze is heelemaal abnormaal zie je
         dat niet?”
      </p>
                  <p> »Ze kan soms in eens zoo akelig worden; daarom....”</p>
                  <p> »'k Zal wel zorgen, dat ze kalm blijft.—Wel sacristie! wat 'n
         gestommel en 'n geknor; 't is of dáár een varken in zit. Heb je
         soms....?”
      </p>
                  <p> »Stil! 't is een big.”</p>
                  <p> »Hè?”</p>
                  <p> »Ja! een big.—Kijk naar Annette: ze wankelt. Laat ze gaan zitten,
         gauw!”
      </p>
                  <p> »Kom! dan,” herhaalt Pietersen en met zacht geweld doet hij de
         krankzinnige plaats nemen op 't bed; zij omklemt krampachtig zijn hand
         en staart opnieuw vóór zich op den grond.
      </p>
                  <p> »'t Is een biggetje,” herhaalt Walten, steeds moeite doende om het
         dier stil te houden. »Gisterenavond in de Zwarte Zwaan op den Overtoom
         .... je weet wel....?”
      </p>
                  <p> »Ja!” knikt de andere, »ze hebben er zulk goed oranjebitter.”</p>
                  <p> »In de Zwaan,” vervolgt Walten, »heb ik 't gisterenavond getrokken
         op 'n lootje van 'n kwartje.”
      </p>
                  <p> »Ei!”</p>
                  <p> »Och! 't was een bof. Ik ging er heen, om wat plaatsen van de
         zestien en 't guldentje kwijt te raken aan ouwe kennissen.”
      </p>
                  <p> »En?”</p>
                  <p> »Toen werd dat zwijntje verloot, en ze hielden niet op: ik moest een
         lootje nemen. Jij een lootje op 't zwijntje, en wij lootjes op je
         benefiet, zeien ze, en ik heb er heel wat geplaatst; alle beetjes
         helpen; voor m'n benefiet moet ik eerst de kosten hebben. Bij de fijne
         lui raak ik die plaatsen niet kwijt.—Kijk naar Annette,
         Pietersen.—Stil dan toch beest!”
      </p>
                  <p> »Ik nam 't mee, en omdat ik niet wist waar ik er mee heen moest, heb
         ik 't hier zoolang in die kist ge....”
      </p>
                  <p> »Ha! Ha! Ha! Ha!” lacht Pietersen plotseling overluid.</p>
                  <p> »Lach niet! Groote God! dat kan ze niet velen.”</p>
                  <p> »O, dat's waar ook!—Stil! ze snapt 't niet,—ja toch wel.”</p>
                  <p> De krankzinnige is, als door een plotselingen schok getroffen,
         opgestaan, een huivering siddert door haar lichaam, haar oogen worden
         nog grooter en glaziger en eensklaps begint ze mee te lachen, zóó
         akelig en snijdend, dat Pietersen er koud van wordt en angstig haar
         beide polsen vastgrijpt, omdat hij ziet, dat zij de armen krampachtig
         verdraait.
      </p>
                  <p> Te laat! Zij heeft de duimen reeds stijf binnen in de hand gedrukt,
         stuipachtig trekt zij de armen omhoog, de oogen rollen in hun kassen en
         met een luiden snik slaat zij het hoofd achterover in den nek. Haar
         lachen gaat over in schreien en eindigt in snikkend gillen, gepaard met
         zenuwschokken, die haar achterover op 't bed doen vallen.
      </p>
                  <p> Walten snelt toe en houdt het heen en weer slaande hoofd van zijn
         dochter vast. »Water, geef water!” roept hij. De souffleur grijpt
         haastig een kom met water van de tafel en bevochtigt Annettes slapen en
         polsen. De ongelukkige heeft een toeval en gilt onophoudelijk voort; in
         de kist stommelt al knorrend de big.—Walten roept zijn kind met
         angstige stem bij haar naam, en terwijl zij afwisselend gilt en akelig
         lacht, verschijnen, buiten voor het venster, een paar nieuwsgierige
         mannen en vrouwen, die tusschen en onder de gordijnfranje door naar
         binnen trachten te zien en lachend de hoofden bijeensteken om elkander
         toe te fluisteren: »Nou is de kemedie goed ân den gang; hoor ze nou
         ereis angaan. Wat 'n spul! Wat 'n spul!”
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> »De kemedie” is eindelijk uit, want na een benauwd en angstig half
         uur is Annette tot kalmte gekomen en staat Walten met Pietersen,
         vermoeid en warm van de inspanning om haar vast te houden en voor
         kneuzingen van hoofd of lichaam te bewaren, bij 't bed, waarop de
         ongelukkige vrouw, nu met gesloten oogen, schijnbaar rustig ligt te
         slapen. Voorzichtig wischt de oude man haar nog een paar kleine
         schuimblaasjes van de lippen en eenige kille droppels van 't voorhoofd,
         dan brengt hij den zakdoek aan zijn oogen en zucht smartelijk, diep. Nu
         en dan schokt Annettes lichaam zenuwachtig heen en weer en trillen de
         oogappels onder de witte, blauwig dooraderde leden, maar de aanval is
         voorbij, en als zij straks de oogen weer opent, zal elke herinnering
         aan de vervlogen uren voor haar zijn uitgewischt.
      </p>
                  <p> Medelijdend schenkt de natuur slaap en verademing aan de arme vrouw,
         die allengs rustig wordt en eindelijk met een kalmen lachenden trek om
         den mond stil blijft liggen.
      </p>
                  <p> »Dat's me een baantje geweest,” zegt Pietersen, die met zijn mouw
         langs zijn voorhoofd strijkt. »Heb je niet een druppeltje van een of
         ander in huis, Walten?”
      </p>
                  <p> »'k Heb niets; je weet wel, drank gebruik ik niet.”</p>
                  <p> »Hum! dàt weet ik. Jij bent geen amateur, ik wèl.”</p>
                  <p> »Dat's juist je ongeluk; je bent anders waarachtig een goeie vent,
         als je maar niet zoo....”
      </p>
                  <p> »Pimpelde, hé?—Och! spaar je Philippica's, die kennen we; ik weet
         wel, dat je 't goed meent, mon Prince, maar ik ben nou eenmaal zoo'n
         likkebroêr, en daar is niets aan te veranderen. Heb je nou waarachtig
         niks,—niemendal?”
      </p>
                  <p> »Neen!”</p>
                  <p> »Niks ter wereld, rien du tout?” Pietersen ziet den ouden man zóó
         doordringend aan met zijn wijdgeopend linkeroog en knipt zoo snel en
         guitig met het rechter, dat Walten eindelijk, aarzelend zegt: »Hum!
         misschien heb ik nog een druppeltje brandy; 'k heb laatst een flesch
         cognac gekocht voor Annette; de dokter wou, dat ze dien met melk zou
         drinken.”
      </p>
                  <p> »C'est tout ce qu'il me faut, ouwe jongen! Ik wist wel, dat je wat
         voor me zoudt opduiken, hè hè hè!”
      </p>
                  <p> »Nou ja, maar....”</p>
                  <p> »Geen excuses, mon Directeur; voor den dag er mee.”</p>
                  <p> Pietersen lekt zich vol verwachting de dunne lippen; hij is reeds,
         voor
<!-- **** No template for element: i **** --> zijn doen,
<!-- **** No template for element: i **** --> te lang nuchteren geweest.
      </p>
                  <p> Schoorvoetend gaat Walten naar een kast in den muur, haalt de flesch
         te voorschijn, vult 't eenige likeurglaasje dat hij rijk is en zet het
         voor den souffleur neer met de woorden: »Daar dan; meer krijg je in
         geen geval.”
      </p>
                  <p> Voorzichtig brengt Pietersen de hand, met middelvinger en duim tot
         grijpen vooruitgestoken, naar 't glaasje, dat hij knipoogend toelacht;
         maar op 't oogenblik dat hij 't aanvatten zal, vraagt hij hoffelijk,
         met een licht kuchje: »Et vous, mon Directeur? Neem je niet zoo'n
         klein, petieterig beetje? Je ziet er zoo betrokken, zoo koud uit.”
      </p>
                  <p> »Ik ben niet koud, maar 'k voel me al dagen lang ongesteld duizelig,
         onlekker; ik weet zelf niet hoe, maar 'k ben niets wèl.”
      </p>
                  <p> »Dan moet je juist zoo'n cognac fine nemen. Une petite goutte, mon
         Prince.—Après vous dan!”
      </p>
                  <p> »Neen! ga jij je gang maar!”</p>
                  <p> »Jamais de ma vie!” Pietersen schuift met ware zelfverloochening het
         glaasje naar Walten.
      </p>
                  <p> »Och zanik nou niet; drink uit.”</p>
                  <p> »Neen!” Een glimlach omspeelt Pietersens lippen, als hij vervolgt:
         »Ik begrijp je: geen glaswerk meer in huis, hé?—Qui se gêne est gêné;
         dáár is raad voor.” En vóór Walten recht weet wat de andere wil, grijpt
         deze een op tafel staand ledig schoensmeerpotje, spoelt het met
         vaardige hand in de waschkom een paar malen om, droogt 't vluchtig af
         met de slip van zijn jas, giet den inhoud van 't glaasje er in over en
         zegt lachend: »Voilà! dee'z beker is voor mij.—A vous!”
      </p>
                  <p> Langzaam en weifelend neemt Walten nogmaals de flesch en vult 't
         glaasje, dat hij daarna half ledig drinkt en voor zich op tafel zet met
         de woorden: »'k Word er misschien wat pleizieriger door; hè! 'k ben zoo
         rillerig.”
      </p>
                  <p> »Zenuwen, man! Je hebt je portie ook wel gehad.”</p>
                  <p> »Ja!”</p>
                  <p> »En hoe is 't nu met de lijsten, mon Directeur? Wanneer krijg ik
         die?”
      </p>
                  <p> »Morgenavond. Ze hebben mij beloofd, dat ze klaar zullen zijn.”</p>
                  <p> »Magnifique! Dan begin ik overmorgen voor je te werken. Ik maak me
         sterk, dat ik 't geheele parterre en 't amphitheater voor je verkoop;
         ik zal er wel een broodje uithalen.”
      </p>
                  <p> »Tien percent voor jou, Pietersen.”</p>
                  <p> »Akkoord! Misschien kan ik nog wat loges ook plaatsen.”</p>
                  <p> »'t Is te wenschen! Ik moet, vóórdat ik mijn benefiet bepaald
         annonceer, zekerheid hebben voor de avondkosten.”
      </p>
                  <p> »Hoeveel?”</p>
                  <p> »Driehonderd gulden!”</p>
                  <p> »Hm! ze hebben je schappelijk behandeld.—Zeg! die cognac is
         délicaat. Smaakt ze jou niet?”
      </p>
                  <p> »Ik hou er niet erg van.”</p>
                  <p> »Ik wèl!” Pietersen schuift met een gebaar vol uitdrukking het
         schoensmeerpotje vooruit, ziet Walten schuins aan en zegt grinnekend:
         »Da capo, mon Prince.”
      </p>
                  <p> »Neen! je hebt genoeg; 't deugt je niet.”</p>
                  <p> »Kom!—'n Halfie dan?”</p>
                  <p> »Nu, in Godsnaam! maar geen droppel meer dan 'n half.”</p>
                  <p> »Bon! maar 'n slordig halfie, hé? Dan werk ik morgen met meer
         ambitie en dubbel hard.”
      </p>
                  <p> »Onverbeterlijke nathals, dáár dan!”</p>
                  <p> »Merci!—Op je gezondheid, hoor!”</p>
                  <p> »Vader!” klinkt uit 't bed Annettes stem. »Vader! Een glas water
         asjeblieft!”
      </p>
                  <p> Walten springt op, neemt de flesch van tafel, bergt die haastig weg,
         gaat naar 't bed en vraagt: »Ben je wakker lieveling? Wou je drinken?
         Ben je weer beter?”
      </p>
                  <p> »Ik ben zoo moe, 'k heb zoo'n dorst, zoo'n hoofdpijn.”</p>
                  <p> »Je hebt ook weer 'n toeval gehad, m'n kind; 't is geen wonder, dat
         je arme hoofd dan klopt. Wil 'k er een doek met water op leggen?”
      </p>
                  <p> »Nog niet; eerst wat drinken, vader!”</p>
                  <p> »Goed, Netje! Hier, drink dan maar.”</p>
                  <p> Als zij met groote teugen, haastig gedronken heeft, richt zij zich
         op en vraagt Pietersen, die, om beter te kunnen zien, op den rand der
         tafel is gaan zitten, bemerkend: »Wie zit daar?”
      </p>
                  <p> »Pietersen.”</p>
                  <p> »O! zoo, Pietersen.”</p>
                  <p> »Dag, juffrouw! Is 't 'n beetje over?—Jongens, jongens, wat had je
         't benauwd daar straks.”
      </p>
                  <p> »Ik weet er niets van. O, God! mijn hoofd. Vader, geef me je hand,
         laat me slapen.”
      </p>
                  <p> »Hier, lieve kind! Hou mijn hand dan maar vast. Zoo! Is 't zóó
         goed?”
      </p>
                  <p> »Ja! Ga nu naast me zitten. Ba! wat zie ik er uit! Dien mantel wil
         'k niet omhebben. Wie heeft me dien omgedaan?”
      </p>
                  <p> »Ik, lieveling, omdat je zoo koud waart.”</p>
                  <p> »En die kroon,—wie heeft dat ding op mijn bed gelegd?”</p>
                  <p> »Ik, kindlief, omdat je ... hm! je vroegt er om, zie je.”</p>
                  <p> »Deed ik?”</p>
                  <p> »Ja, weet je, je zei ... hm! je dacht, dat ... hm!....”</p>
                  <p> »'k Weet het niet meer, maar mijn hoofd klopt ook zoo. Je hand,
         vader; hou m'n pols goed vast. Zoo! nu niets meer zeggen, vader!”
      </p>
                  <p> Walten zit op een stoel, naast 't bed en omsluit met zijn
         rechterhand Annettes linkerpols; met zijn andere hand strijkt hij zacht
         liefkoozend, als bedarend over de witte doorschijnende vingers, die
         zich nu en dan zenuwachtig bewegen op de roode deken.
      </p>
                  <p> Het is alsof een magnetische stroom van den ouden man uitgaat en
         kalmeerend werkt op zijn dochter. Zij sluit de oogen, haar gelaat wordt
         rustiger, de neusvleugels bewegen zich nog wel, maar bijna onmerkbaar
         gaan ze op en neer; regelmatig daalt en rijst haar boezem.
      </p>
                  <p> Pietersen is van de tafel opgestaan en heeft in den hoek op de
         koffer plaats genomen, zoodat hij Annettes gelaat kan gadeslaan. Met de
         handen om de opgetrokken knieën samengevouwen, zit hij doodstil vader
         en dochter aan te zien en mompelt: »Wonderlijk! nu gaat ze slapen,
         rustig en kalm; 't is toch een allerzonderlingste historie: 'k begrijp
         er niks van.—Slaapt ze nu, Walten?”
      </p>
                  <p> »St!”</p>
                  <p> Een kleine poos heerscht er een volslagen stilte in 't vertrek,
         alleen nu en dan afgebroken door een zacht, bijna onhoorbaar snorken
         van de big, die in de kist ligt te slapen en zich enkele malen beweegt
         of heen en weer schurkt.
      </p>
                  <p> Annette sluimert. Voorzichtig laat Walten haar hand uit de zijne
         glijden, legt behoedzaam den purperen mantel over haar heen, maakt dan
         een der cretonnen draperieën los, zoodat 't gordijn de slapende vrouw
         halverwege aan zijn blikken onttrekt en mompelt in zichzelf:
      </p>
                  <p> »Goddank! nu heeft ze weer een dag of wat rust.”</p>
                  <p> »Heeft die bui dezen keer lang geduurd?” vraagt de souffleur
         opstaande.
      </p>
                  <p> »Van gisterennacht tot nu.”</p>
                  <p> »Dat's lang, zoo'n heele nacht.”</p>
                  <p> »Ik ben ook doodop; 'k voel me zoo naar. Ze was gisterenmorgen al
         niet richtig, maar den aanval zelf kreeg ze eerst van nacht, toen ik
         t'huis kwam. Ze begon met Ophélia te wezen.”
      </p>
                  <p> »Mon Dieu!—En jij?”</p>
                  <p> »Ik was Hamlet natuurlijk.”</p>
                  <p> »Heelemaal buiten je emplooi,” merkt Pietersen aan, met 't ernstigst
         gelaat der wereld.
      </p>
                  <p> Walten ziet hem even schouderophalend aan en vervolgt dan: »Toen
         werd ze in eens Ines de Castro en later Donna Sol.—Dat was ze nog,
         toen jij kwaamt en....”
      </p>
                  <p> »Ja!—'t Is toch ongelukkig voor je, Walten!”</p>
                  <p> »Wel is 't dat,” zucht de oude man, en terwijl hij in stilte een
         traan uit den hoek van zijn oog wischt, zegt hij: »En voor haarzelf 't
         ergst.”
      </p>
                  <p> »Nu is ze zoo goed, als 't maar hoeft,—merkwaardig goed, mon
         Directeur!”
      </p>
                  <p> »Niet waar? En daarom heb ik hoop, dat ze te genezen is; verleden
         jaar heb ik dien dokter er nog bij gehaald; je weet wel, dien.....”
      </p>
                  <p> »Jawel, van 't gesticht.”</p>
                  <p> »Juist!—Hij zei, dat Annette niet ongeneeslijk was, maar dat ze
         voortdurend geobserveerd moest worden.”
      </p>
                  <p> »C'est clair!—Zeg! dat beestje in die kist is geen eau de cologne.
         Je hebt bijgeval geen sigaren in huis? Zwaar of licht, dat's me 't
         zelfde.”
      </p>
                  <p> »Neen! ik rook al sedert lang niet meer.”</p>
                  <p> »Och kom! en je was vroeger zoo'n liefhebber.”</p>
                  <p> »Ja! maar Netje kon er niet meer tegen.”</p>
                  <p> »O!”</p>
                  <p> Een oogenblik zit Walten in gedachten voor zich te kijken en zegt
         dan: »Als ik nu maar 't geluk heb, dat mijn benefiet zooveel opbrengt,
         dat 'k haar kan laten genezen, dan.....”
      </p>
                  <p> »Hoeveel moet er wezen?”</p>
                  <p> »'n Goeie vijfhonderd, op z'n minst.”</p>
                  <p> »Hm! die blijven er wel over, als 't een beetje vol loopt.”</p>
                  <p> »Zoo reken ik ook, Pietersen.—Och! als ik haar maar eerst van den
         vloer heb, zal ik voor mezelf er wel doorscharrelen,—ik kan nog best
         mee;—dan zoek ik weer een emplooi, ouwe rollen en.....”
      </p>
                  <p> Pietersen kucht, humt een paar malen en ziet met zijn linkeroog
         Walten strak aan, terwijl hij met het rechter voortdurend knipt, als
         wilde hij zeggen: »Dat zal er nog om spannen.”
      </p>
                  <p> De andere vervolgt: »'t Is wel niet pleizierig om ondergeschikte
         rollen te spelen, als je vroeger de keus had; maar och! wat doe je al
         niet voor je kind? Wie weet wanneer zij weer heelemaal in orde is, of
         ik dan geen furore met haar maak; want talent heeft ze, allemachtig
         veel talent, dat heb je daar straks nog gezien. Is 't niet zoo?”
      </p>
                  <p> »Zeker, mon Prince, zeker!” Pietersen spreekt schijnbaar in vollen
         ernst.
      </p>
                  <p> »En wat 'n geluid, hé?”</p>
                  <p> »Kolossaal!”</p>
                  <p> »En wat 'n verschijning!”</p>
                  <p> »Kapitaal!”</p>
                  <p> »Ja, je begrijpt, ze is nu vervallen, ze ziet er niet goed uit, maar
         als ze beter is, komt dat alles weer bij; ze is op 't tooneel een
         schoonheid; enfin, jij weet het, jij hebt haar gezien, toen ze nog
         »goed” was.”
      </p>
                  <p> »Oui, mon directeur!”</p>
                  <p> Intusschen heeft iemand buiten aan de kamerdeur geklopt maar noch
         Walten, noch Pietersen hebben 't gehoord, en daarom zien beiden
         verwonderd op, als ze plotseling achter zich een barsche stem hooren
         zeggen: »Pin jelui hier toof? 'k Hèv wol dreimaal jeklopft.”
      </p>
                  <p> »Wâblief!” vragen beiden ongeveer te gelijk.</p>
                  <p> Een groote, dikke, onhebbelijk uitziende man, in de gewone vettig
         witte kleeding van een spekslager, staat voor hen en vraagt, na een
         oogenblik de voor hem zittende personen te hebben aangekeken: »Wer von
         jelui ist Walten?”
      </p>
                  <p> »Ik! En u is meneer Träger!”</p>
                  <p> »So! ja noe herken ik je; 't wordt hier al doenkel.”</p>
                  <p> »Wat wenscht u?”</p>
                  <p> »Was ich will?—Noe das soll jij wol begrijpen” en terwijl de dikke
         man zijn rechterwijsvinger en duim schuivend over elkander beweegt,
         zegt hij: »Ich will de couleur von jou centen 'r is zien.”
      </p>
                  <p> »Ik heb waarachtig niets op 't oogenblik, baas Träger; maar wees
         niet bang: je geld zul je hebben.”
      </p>
                  <p> »So! soll je denken?”</p>
                  <p> »Waarlijk, zoodra mijn benefiet voorbij is, zul je....”</p>
                  <p> »Papperlapap! 'n benefiz—so'n praatje kennen wir; das heb jijlui
         komödianten-volk immer bij der hand; wann's voorbij ist, krijg jelui
         gewoonlich kein cent, dann ist alles sjoon op.”
      </p>
                  <p> »Maar baas Träger, ik heb je toch altijd eerlijk betaald.”</p>
                  <p> »Jawol, drei maanden vooruit, oend noe ich so schtom pin geweest om
         je das zweite kwartaal zoe creditiren neem jij me peet.”
      </p>
                  <p> Waltens wangen kleuren zich eensklaps met een hoogen blos en zijn
         lippen trillen, als hij antwoordt: »Ik ben een eerlijk man, baas
         Träger, en als ik 't had, zou je dadelijk geld krijgen; maar....”
      </p>
                  <p> »Maar noe hèv je 't nicht, oend daaroem moess jij janz eenvoudig von
         de kamer af; die roemmel, die prulleboel von je, kun je mitnemen, die
         is kein cent weerdig, allein die bedstelle ist passabel, maar die wil
         'k nicht nehmen weil je kind krank ist.—Oend noen basta! overmorjen
         verhuis je,—versta je? Die drei maanden huur kan je me sjoeldig
         blijven; dat doe ich omdat jij »Walten” bint, waaroem ich vroeger so
         dikwijls jelachen heb. Ik geef je zwei dagen oem zoe verhuizen.—Noe!
         bin je zoefrieden?”
      </p>
                  <p> Schamper lachend, antwoordt Walten: »O! volkomen”.</p>
                  <p> »Komân, dat's joet; dan kennen wir als vrinden sjeiën. Jij bint
         allezeit 'n fatsoenlicher kerl geweest oend....”
      </p>
                  <p> »Dáárom moet ik met m'n zieke kind op straat? 't Is mooi, baas
         Träger.”
      </p>
                  <p> »Kan d'r nichts an thoen! Dabei kommt noch das de hokkepaas, die 'n
         puik joeie betaler ischt oend die andere nachbaren d'r over klagen das
         jijlui zoo spektakelt.”
      </p>
                  <p> »Maar, Träger! Over vier of vijf weken is mijn benefiet; dan ontvang
         je 't zeker en....”
      </p>
                  <p> »Das ist mir ejaal. Hèv je jeld?”</p>
                  <p> »Neen!”</p>
                  <p> »Dan overmorjen von die kamer af—verschta je?”</p>
                  <p> Pietersen, die tot dusverre zwijgend het gesprek heeft aangehoord,
         vindt nu het oogenblik gekomen om zich in de zaak te mengen en zegt
         daarom op tamelijk gezwollen toon: »Mijnheer! 't is een crime om een
         fatsoenlijk mensch zoo maar op straat te zetten. Maar je badineert, dat
         zie ik; je hebt wel een dik spekslagerslichaam, maar geen
         spekslagersziel. Je hart is gevoelig!—Is 't niet zoo?”
      </p>
                  <p> »Nein! ich will blos jeld.”</p>
                  <p> »Kom, kom! mon Prince, je meent 't niet! Nog een wijl geduld en
         alles komt terecht. Wil je een borg hebben, disponeer over mij; ik wil
         garant blijven, dat....”
      </p>
                  <p> »Kottorie! das waar noch besser!” De spekslager ziet Pietersen aan
         en nolens volens moet hij lachen.
      </p>
                  <p> »Qui rit, est desarmé,” zegt Pietersen, maar bij Walten komt
         plotseling de oude trots weer boven.
      </p>
                  <p> »Pietersen voor mij borg blijven? Ba!” denkt hij, »'t is al te
         akelig; zóó ver is 't dus met me gekomen.” Hij heft het hoofd hooger
         op, doet een pas vooruit en zegt: »Ik zal je betalen, baas Träger,
         morgen aan den dag. Hoeveel ben 'k je schuldig?”
      </p>
                  <p> »Acht-oen-vierzig joelden!”</p>
                  <p> »Kom ze morgenavond halen!”</p>
                  <p> »Was? Morgen! allemaal jekheid, das binnen praatjens; wenn gij nich
         dadelich wat op afrekening jeeft, dan....” De spekslager houdt
         eensklaps op met spreken, steekt 't hoofd vooruit en luistert, want uit
         den donkersten hoek der kamer vangt hij een hem overbekend geluid op.
         Zijn blikken trachten den allengs duister geworden hoek en de kist, die
         hij flauw daarin onderscheidt, te doorboren.—Ja! 't is een gestommel
         en een geknor, dat hij dagelijks hoort. »Maar hoe is 't mogelijk",
         denkt hij, »hier?”
      </p>
                  <p> Pietersen, die eveneens dat zonderlinge gedruisch heeft waargenomen,
         knipt haastig een paar malen met zijn rechteroog, brengt den wijsvinger
         even aan zijn rooden neus, als wilde hij te kennen geven: »Daar krijg
         ik op eens een idee” en is met twee stappen bij de kist.
      </p>
                  <p> Voordat baas Träger eigenlijk weet wàt hem gebeurt, voelt hij den
         snoet van een jong varkentje tegen zijn dikke wangen en omvat hij
         schier werktuiglijk het spartelende en luid schreeuwende dier, dat
         Pietersen met één greep uit de kist heeft gepakt en hem in de armen
         drukt met de woorden: »Il te connait, beau masque! Dáár! neem dat op
         afrekening; dat's voor jou contant geld, mon Prince!”
      </p>
                  <p> »Soll der Deibel wissen wo das schweinche von daan kommt,” roept
         verwonderd de spekslager en betast inmiddels, als man van 't vak, de
         big, binnensmonds zeggend: »'n Feines diercke, joet soort, moess nog
         fett werden, maar drei rijksdalers ist weerdig.”
      </p>
                  <p> Evenals een boer op de markt, de vlakke hand uitstekend en met de
         andere er in slaande, roept de souffleur: »Voor vier ben je koopman!”
      </p>
                  <p> »Drei!”</p>
                  <p> »Vier!”</p>
                  <p> »Noen in Kottesnamen, 't is jekocht.”</p>
                  <p> »Mooi!” En plotseling gehoorzamende aan den ouden Adam, die in hem
         wakker wordt, zegt Pietersen, hoog ernstig: »Neem 't mee, baas Träger!
         Maar zal u 't goed behandelen? 't Is zoo'n lief beestje.” En met een
         traan in de stem voegt hij er bij: »We waren er al zoo aan gehecht,
         niet waar Walten?”
      </p>
                  <p> Met een zekere walging wendt de oude man zich zwijgend af.</p>
                  <p> »Noen, soll ich's mitnemen voor 'n tientje?”</p>
                  <p> »Ja, ja! maar laat 't in Godsnaam niet langer zoo schreeuwen!”
         Walten ziet angstig naar 't bed, waarop zijn dochter rust.
      </p>
                  <p> »Sjreeuwen thoen al die ferkens; da's die natoer.”</p>
                  <p> »En mag ik je nu verzoeken om heen te gaan? M'n dochter ligt daar
         ziek achter dat gordijn en dus...” Met een tamelijk trotsche beweging
         wijst Annettes vader naar de deur.
      </p>
                  <p> »Kott im Himmel! armoeth hèvt 'n hooge broest ooch nog; allemaal
         Komödiantenbluf. Hà! Hà! Hà! Hà!”
      </p>
                  <p> »Lach niet, kerel, of...!”</p>
                  <p> »Maak je niet boos. Dat 's heelemaal verkeerd, mon Directeur!” zegt
         Pietersen, die 't onbegrijpelijk vindt, dat de schuldenaar zóó tegen
         zijn schuldeischer durft opstaan, en tot den spekslager gewend,
         vervolgt hij soetsappig: »Meneer Träger, je moet dat zoo hoog niet
         opnemen: hij meent 't zóó niet.—'n Fijn varkentje, hé?”
      </p>
                  <p> »Wie er 's nimmt, kan mijn niet sjeelen; maar wenn ich morjenavond
         das overige jeld nicht heb, schtaat hij over zwei dagen mit die janze
         rataplan op de jroote schteenen.”
      </p>
                  <p> Annette beweegt zich onrustig in haar slaap en mompelt een paar
         onverstaanbare woorden.
      </p>
                  <p> Walten ziet angstig naar 't bed en zegt kalm, bijna fluisterend: »Je
<!-- **** No template for element: i **** -->
            zult 't hebben, baas.”
      </p>
                  <p> »Joet, maar noen verder?”</p>
                  <p> »Verder?”</p>
                  <p> »Jawol, denk jij dat ich jou op 's nieuw drei monate zal laten wonen
         oend....?”
      </p>
                  <p> »'k Zal je nog een maand vooruit betalen ook; maar ga nu heen, wat
         ik je bidden mag. Jij en dat dier, jelui schreeuwen om 't hardst, en
         mijn arme Netje
<!-- **** No template for element: i **** --> moet rust hebben.”
      </p>
                  <p> »Jou Netchen kan mir jestohlen worden.”</p>
                  <p> Verder komt de spekslager niet, want Walten heeft eensklaps den
         grooten krulstok van de tafel gegrepen, plaatst zich vlak voor baas
         Träger, ziet hem dreigend aan en bijt hem toe:
      </p>
                  <p> »Breng me niet tot 't uiterste; ga heen, man!”</p>
                  <p> Er ligt iets in Waltens blik, in 't heesche geluid van zijn stem dat
         den ruwen slager onwillekeurig een oogenblik doet schrikken; maar dat
         gevoel is dadelijk weer voorbij, en met een tartend lachje om zijn
         dikke lippen antwoordt hij, de grove, groote rechterhand heen en weer
         bewegend: »Bang machen jeldt nich, maar ich will je wol plaisier doen.
         Tot morjenavond dan. Achtoenddreiszig joelden oend ein maand vooruit,
         macht samen vieroendfünfzig. Wenn jij die morjenabend vóór negen uur
         nich hev't; logier jij verder in 's Hôtel blauwe lucht, verschta
         je?—Adjé!”
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Zoodra de huisbaas vertrokken is, zegt Pietersen tot Walten, die, op
         den stoel bij de tafel heeft plaats genomen en met de armen slap langs
         het lijf hangend, het hoofd vóórovergebogen, in doffe moedeloosheid
         voor zich zit te staren: »Jij bent en blijft toch altijd onpractisch,
         Walten! Neem me niet kwalijk, maar je kwaamt er heel onzinnig tusschen
         met je propositie om morgen te betalen. Ik had dien kerel wel zóóver
         gekregen, dat hij....”
      </p>
                  <p> »Ik wil van zoo'n vent niets hebben, geen consideratie, geen....”</p>
                  <p> »Mais, mon Prince! als je zoo royaal bent, blijft er per saldo van
         je benefiet niet veel over. Betaal je morgen hém, dan weet overmorgen
         de heele buurt het en komen ze je allemaal op den hals. Boven en
         behalve dàt zal 't nog mooi wezen, als de Directie je vier en vijftig
         gulden voorschot wil geven op je....”
      </p>
                  <p> »Pietersen, hou je in godsnaam stil!”</p>
                  <p> »Maar heb ik geen gelijk, mon Directeur?”</p>
                  <p> »Ja! ja! ja! je hebt gelijk, maar schreeuw mijn kind niet wakker: je
         hebt zoo'n harde stem. Zij rust nu en dat is al genezing, weet je?—Ga
         nu heen asjeblieft en neem wat kaarten mee. 't Zijn eerste galerijen;
         die kun je hier en daar wel plaatsen.”
      </p>
                  <p> »Goed! Au revoir dan; morgen haal ik de lijsten.—Hm! heb je soms
         niet een versleten gulden voor me ter leen?—”
      </p>
                  <p> »Neen!”</p>
                  <p> »'n Paar kwartjes dan?”</p>
                  <p> »Och!”</p>
                  <p> »Nou één dan?”</p>
                  <p> »Enfin! daar heb je er één. Maak nu dat je wegkomt.”</p>
                  <p> »Mon Prince! waar er één is, zitten er meer. Kom! geef er nog eentje
         bij; ik heb m'n portemonnaie thuis gelaten.”
      </p>
                  <p> »Dáár dan!—En nu....”</p>
                  <p> »»Vertrek, heer graaf,”” zooals Egmond zegt. »Adieu!”</p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Walten blijft alleen; nog een oogenblik zit hij mijmerend op den
         stoel en ziet naar 't flauwe licht van den scheidenden dag, dat door de
         groezelige ruiten onder de gordijnen door nog zichtbaar is.
      </p>
                  <p> De avond valt; 't is bijna geheel duister geworden in de kamer. Met
         een zucht staat de oude man op, grabbelt in zijn zak naar een doosje
         lucifers, ontsteekt er een en daarmede een kleine petroleumlamp, die
         hij zóó op de latafel plaatst, dat het licht de zieke niet hinderen
         kan. Dan nadert hij het bed en ziet naar zijn dochter. Zij ademt rustig
         en kalm, een glimlach zweeft om haar lippen. Liefkoozend neemt hij haar
         fijne blanke blauw-dooraderde hand in de zijne, drukt er voorzichtig
         zijn lippen op en strijkt even met den rug zijner hand over 't zacht
         bedauwde voorhoofd der slapende.
      </p>
                  <p> Langzaam knielt hij neder bij 't bed, legt zijn wang tegen Annettes
         hand, snikt een paar malen en blijft zoo liggen, lang—heel lang.
      </p>
                  <p> III.</p>
                  <p> »Hoe staan we er nu mede, Walten?” vraagt den volgenden dag de
         Directeur van den Schouwburg aan den ouden man, die met een
         portefeuille onder den arm in min of meer gebogen houding vóór hem
         staat.
      </p>
                  <p> »Heb je al bepaald, welk stuk je wilt geven?”</p>
                  <p> »Nog niet, mijnheer. Ik heb gedacht over de rol van Jérôme Duflou in
         Arthur of zestien jaren later.”
      </p>
                  <p> »Hm! die rol is niet groot voor 'n beneficiant.”</p>
                  <p> »Wat dunkt u dan van »De Vrek?” Die heb'k altijd met succes
         gespeeld.”
      </p>
                  <p> »Niet kwaad, ten minste wanneer je...” de Directeur zwijgt een paar
         seconden en ziet met een zweem van medelijden zijn bezoeker aan—»hm!
         wanneer je die rol nog aandurft.”
      </p>
                  <p> »Nòg...?” Walten verbleekt een weinig, zijn onderlip beeft.</p>
                  <p> »Ja! je wordt een dagje ouder en 't is een zware rol.”</p>
                  <p> »O, ik ken ze nog wel op mijn duim. 't Is een van mijn beste
         creatiën; ik denk er zelfs over, om, zoodra Annette goed verzorgd is,
         weer een engagement te zoeken. 't Kon soms zijn, dat u hier nog een
         plaats had, die vervuld moest worden; dan beveel ik me daarvoor aan; ik
         zou wel weer willen optreden.”
      </p>
                  <p> In de oogen van den Directeur, die eerst met deelneming op den ouden
         man hebben gerust, komt nu een uitdrukking van medelijdende
         verwondering; zij zien den sollicitant aan als wilden zij vragen:
         »Jij?—Zoek jij nog een engagement? Neen, 't is niet zoo, je houdt mij
         voor 't lapje.”
      </p>
                  <p> 't Is alsof Walten voelt wat de Directeur denkt, want hij voegt er
         snel bij: »Ik meen 't in vollen ernst: als u me kunt emploieeren...”
      </p>
                  <p> »Daar zullen we later wel over spreken. Walten.—Vertel me nu eerst
         eens: heb je al wat plaatskaarten verkocht?”
      </p>
                  <p> »'t Schikt nogal; ik doe natuurlijk mijn best om eerst de
         avondkosten bij mekaar te krijgen; nu, die zullen er gauw zijn. Dan zal
         ik verder met de lijsten werken; ik heb er nu nog maar boven, laten
         zetten: 't Op te voeren stuk zal nader worden bekend gemaakt.”
      </p>
                  <p> »Goed! maar bepaal dat liefst zoo gauw mogelijk; dan heb je meer
         succes bij de lui. Hier heb je een lijstje, waarop ik eenige adressen
         heb genoteerd van menschen, die ik ken als liefhebbers van 't tooneel;
         ook zullen enkelen ervan zich jou nog wel herinneren van vroeger en
         daarom....”
      </p>
                  <p> Walten wordt bleek; dat gezegde: »Enkelen zullen zich jou nog wel
         herinneren” heeft hem getroffen; onmiddellijk beseft hij de treurige
         waarheid er van. Ja! hij leeft eigenlijk alleen nog maar in de
         herinnering van enkelen; den Walten van 't heden kent men nauwelijks
         meer. Een paar kille droppels, die op zijn voorhoofd verschijnen,
         wischt hij met de hand weg, strijkt even over zijn oogen en dan
         antwoordt hij, met schorre zenuwachtige stem: »'k Heb al een paar oude
         kennissen opgezocht, en die hebben dadelijk een heele loge genomen;
         maar—als u 't niet kwalijk neemt, meneer Schröder, wou 'k wel gaan
         zitten, want....”
      </p>
                  <p> »Och neem me niet kwalijk, ik heb vergeten je een stoel aan te
         bieden, excuseer mijn lompheid!” En snel opspringend, neemt hij een
         stoel, die onder zijn bereik staat, en zet dien naast Walten.
      </p>
                  <p> Haastig grijpt de oude man naar de leuning, en terwijl de vale
         bleekheid, die zijn gelaat had overtogen, plaats maakt voor een
         congestieusen blos, wankelt hij een oogenblik en neemt dan plaats. »Ik
         weet niet wat mij mankeert, meneer Schröder, maar in den laatsten tijd
         heb ik telkens van die duizelingen, en daarom ben ik zoo vrij om....”
      </p>
                  <p> »Wel, m'n goeie man, geneer je niet, neem je gemak.”</p>
                  <p> »Dank u; 't gaat nu alweer over. 't Is een alleronaangenaamst
         angstig gevoel; tusschenbeide weet ik één oogenblik niet waar ik ben,
         dan draait me alles voor de oogen en zou ik zóó neer kunnen vallen.”
      </p>
                  <p> »Dat's niet goed, Walten. Wil je soms een glas water?”</p>
                  <p> »O, als u 't bij de hand heeft, graag.”</p>
                  <p> Als Walten gedronken heeft, wordt zijn gelaatskleur weer gewoon en
         is het alleen aan het eenigszins rood gekleurde wit van zijn oogen te
         zien, dat hij nog niet geheel normaal is.
      </p>
                  <p> »Ik denk, dat 't van 't heen en weer loopen en draven komt,” zegt
         hij: »ik ben dat niet meer gewend. Bovendien heb 'k weinig nachtrust
         gehad in de laatste dagen: die toevallen van mijn dochter kwamen zoo
         gauw achter elkander; vroeger bleef ze wel eens een maand, soms zes
         weken vrij. 't Is treurig, erg treurig.”
      </p>
                  <p> »We willen 't beste hopen, als ze eenmaal onder een geregelde
         behandeling komt,” troost de Directeur.
      </p>
                  <p> »Juist! dàt heeft ze hoog noodig; in 't gesticht zou ze....”</p>
                  <p> »Ja, ja!” valt hem de Directeur haastig in de rede, omdat hij reeds
         herhaalde malen 't relaas van den vader heeft gehoord; en om een andere
         wending aan 't gesprek te geven, vervolgt hij: »Hoe sta je met de
         artisten?”
      </p>
                  <p> »Goed!”</p>
                  <p> »Je begrijpt, hoe meer je van de eerste krachten op je programma
         kunt krijgen, des te beter.”
      </p>
                  <p> »Natuurlijk! Ik heb er alleen een hard hoofd in, dat juffrouw Andrée
         zal willen meewerken, als ze de hoofdrol niet krijgt.”
      </p>
                  <p> »Hoezoo?—Die moet je vooral hebben, die is op 't oogenblik »the
         grand attraction.””
      </p>
                  <p> »Ik heb haar dezer dagen bezocht en gevraagd, of ze mij steunen wou.
         Ze was heel beleefd, maar ze zei meteen, dat
<!-- **** No template for element: i **** --> ik wel begrijpen
         zou, dat ze niet anders dan een eerste vrouwenrol, en dan in haar
         emplooi vallend, kon aannemen.”
      </p>
                  <p> »Zoo, hm! Och! wat zal ik je zeggen, Walten: jij kent de artisten
         zoo goed als ik. Ze is een jong ding, dat in den laatsten tijd door
         haar aardig bekje veel opgang maakt. Ze heeft een beetje talent, maar
         ze is erg van 't hondje gebeten, nogal over 't paard getild....
         Binnen!”
      </p>
                  <p> Walten heeft, evenals de Directeur, het kloppen op de deur gehoord
         en rijst werktuiglijk op van zijn stoel.
      </p>
                  <p> »Is er belet?” vraagt vriendelijk een aangename vrouwenstem en te
         gelijk kijkt een reeds min of meer bejaarde dame, met een zeer
         intelligent en prettig voorkomen, om 't hoekje van de deur.
      </p>
                  <p> »Belet? Voor u is er nooit belet; kom binnen, mevrouw Groote!”
         antwoordt de directeur, terwijl hij opstaat en de naderbij komende dame
         de hand reikt. Met een vriendelijk hoofdknikje begroet zij Walten en
         neemt op den haar aangeboden stoel plaats.
      </p>
                  <p> »U komt als geroepen, mevrouw!”</p>
                  <p> »Waarom?”</p>
                  <p> »Hier is”—de Directeur wijst op den ouden man, die nog naast zijn
         stoel staat,—»Walten, die u juist wilde gaan bezoeken om u te vragen
         of....”
      </p>
                  <p> »Heere! Heere! Walten jij hier? Dat doet me pleizier!” En
         vriendelijk lachend staat zij op, legt haar handen op zijn schouders en
         drukt hem zachtkens neer op zijn stoel, terwijl zij vervolgt: »Ga eerst
         weer zitten, collega. 'k Had je waarlijk zoo gauw niet herkend, maar nu
         zie ik het wel. Hoe gaat het je? Hm! je ziet er niet florissant uit.
         Ben je ziek geweest?”
      </p>
                  <p> »'k Voel me niet wel, mevrouw!”</p>
                  <p> »Dat's verkeerd, hoor! Ik heb van Hostein gehoord, dat je in den
         laatsten tijd.... hm! hoe zal ik 't zeggen....”
      </p>
                  <p> »Dat ik oud word, mevrouw! Zeg 't maar.”</p>
                  <p> »Nu, nu! dat bedoel ik zóó niet, maar.... Zeg! wat denk je voor je
         benefiet te geven?”
      </p>
                  <p> »Ik hoop »De Vrek”.”</p>
                  <p> »Ei! dat's geen kleinigheid. Ben ik er ook in?”</p>
                  <p> »Ik ben al bij u aan huis geweest, zonder u te treffen; 'k had u
         beleefd willen vragen, of u de goedheid zoudt willen hebben om....”
      </p>
                  <p> »Om mee te doen? Maar, vadertje, dat spreekt immers vanzelf.”</p>
                  <p> »Ja?” Met een vroolijk gelaat knikt Walten haar toe.</p>
                  <p> »Zeker! Er zal toch wel een rolletje voor mij inzitten?”</p>
                  <p> »Ja, mevrouw, maar eigenlijk is er geen eerste moederrol in, en uw
         emplooi....”
      </p>
                  <p> »Kom! kom! gekheid, emplooi of geen emplooi, dat komt er niet op
         aan; geef me maar wat je wilt; desnoods breng ik een brief op. Voor een
         collega en vooral voor iemand zooals jij, die zóó getobd heeft, doe ik
         alles. Als 't niet anders kan, figureer ik zelfs mee,—ten minste als
         je mijn naam graag op 't programma wil hebben,” voegt zij er met een
         klein vleugje van ijdelheid bij.
      </p>
                  <p> »Wat is u goed, mevrouw Groote!”</p>
                  <p> »Zie je, Walten, daar spreekt nu 't artistenbloed,” zegt de
         Directeur; en tot mevrouw Groote gewend, voegt hij er bij: »Juffrouw
         Andrée is minder toeschietelijk geweest; ze heeft nog niet toegestemd.”
      </p>
                  <p> »Wel! wel!” antwoordt mevrouw Groote met een zweem van hatelijkheid
         in haar stem. »Nu, zoo'n grrroote artiste mag haar kuif ook wel
         opzetten. Zoo'n kolossaal talent wil natuurlijk de eerste rol hebben,
         is 't niet zoo?”
      </p>
                  <p> »Ja, mevrouw.”</p>
                  <p> »'t Is om te lachen,—zoo'n kind! Ze heeft een aardig gezichtje, een
         mooi figuurtje,—dat 's waar! Ze heeft geluid ook, maar dat kan zij
         niet helpen. Als ze zooveel talent had als inbeelding, zou ze er wel
         komen; maar om een stuk te helpen dragen, zie je! dáárvan heeft ze geen
         kaas gegeten. En welke rol had je haar gegeven?”
      </p>
                  <p> »Nog geen rol; 't was maar bij voorbaat, dat zij....”</p>
                  <p> »Wel goeie hemel! wat 'n drukte voor niemendal!—Luister eens,
         Walten, ik ken haar: ze schermt altijd met haar emplooi, hé?”
      </p>
                  <p> »Ja, mevrouw; nu zei ze ook, dat als 't niet in haar...”</p>
                  <p> »Emplooi viel, dat ze dan er voor passen zou. Jawel, dàt kennen we!”
         En plotseling op uitstekend natuurlijke wijze de houding eener coquette
         jonge dame nabootsend, zegt mevrouw Groote, met brauwende stem: »'t
         Spijt me menèrrh Walten, mèrrh wanneerrh de rrhol niet.... Ha! Ha! Ha!
         weet je wat, ouwe jongen, laat zij naar de Franschen loopen; ik zal je
         anders en beter helpen. Als onze Directeur 't goedvindt, laat je haar
         heelemaal buiten alles—ik heb 't land aan dat creatuur—en dan geef je
         aan juffrouw Berg, mijn élève, een goeie rol. Dat's een aardig
         eenvoudig kind met 'n snoepje van 'n gezichtje en met meer talent dan
         die »grrhoote juffrrrhouw Andrrhée.” Dan zetten we op 't programma:
         Debuut van Mejuffrouw Berg, élève van Mevrouw Groote.—Wat zeg je daar
         van, meneer Schröder?”
      </p>
                  <p> »Nu, dat 's nog zoo kwaad niet,” merkt Schröder, die eigenlijk
         juffrouw Andrée ook niet goed lijden kan, aan. »'n Debuut met 'n
         benefiet samen is een goed idee.”
      </p>
                  <p> »Mevrouw, 'k ben dankbaar, dat ik u hier ontmoet heb.”</p>
                  <p> »Heel goed, Walten, dat doen we dan zoo.—Kijk!” Mevrouw Groote
         wrijft zich eventjes in de handen, »ik ben heusch in m'n schik, dat we
         die Andrée er zoo liefjes uitknikkeren; ik moet je eerlijk zeggen: ik
         kan haar niet zetten; ze heeft zoo'n paar opera-maniertjes, die 't
         publiek aardig vindt; ze coquetteert met de jongelui, die
         sprinkhaantjes uit de stalles, 't balcon enz. Voilà tout! Voor 't
         overige zit alles er dunnetjes op. Ze is eigenlijk geen artiste, ze
         heeft voor geen dubbeltje sentiment, geen opvatting, geen gloed,
         geen....”
      </p>
                  <p> »Och! Och! mevrouw Groote, als ik je niet zoo
<!-- **** No template for element: i **** --> heel lang en
         beter kende, zou ik werkelijk denken, dat hier 'n beetje »jalousie de
         métier” in 't spel was,” hervat Schröder, lachend mevrouw Grootes
         woordenvloed stuitend.
      </p>
                  <p> »Kom, Schrödertje! dat weet je wel beter;
<!-- **** No template for element: i **** --> ik heb me
         waarachtig niet te beklagen,
<!-- **** No template for element: i **** --> ik heb succes genoeg gehad”—en met
         een zelfgenoegzaam lachje—»en nog succes! Begrijp je, dat's veel
         gezegd, als men bijna vijf en dertig jaren op de planken is.—Maar ik
         zie, dat je heen wilt gaan, Walten, en ik wou je toch dit nog zeggen:
         doe mij nu pleizier en repeteer zoo spoedig mogelijk. Dan kan ik de
         kleine Berg nog eens flink onder handen nemen; je begrijpt, als ze
         debuteert, wil 'k ook 'n beetje eer met 'r inleggen.”
      </p>
                  <p> »Wanneer dunkt u dan, meneer Schröder?”</p>
                  <p> »'k Zal er met den régisseur over spreken; overmorgen weet u 't.”</p>
                  <p> »Best!”—Walten neemt zijn portefeuille op en grijpt naar zijn hoed.</p>
                  <p> »Ho, vadertje! wacht nog even; ik wou je nog één raad geven. Je moet
         na »De Vrek” een grappig nastukje geven, zoo een van je ouwe comische
         rollen; er zijn nog genoeg lui, die je vroeger in die rollen gezien
         hebben en die zoo'n dolligheid nog eens weer willen zien, b. v. de
         zuster van Jocrisse.—Ja, hm! voor Jocrisse ben je—hm! niet boos
         worden!—een beetje af-tandsch. Maar—zing je nog?”
      </p>
                  <p> Walten antwoordt kortaf met een zucht: »Neen Mevrouw!”</p>
                  <p> »Dat's jammer; anders zou ik je proponeeren: »'t Huishouden van den
         schoenlapper” of »De Behanger”.”
      </p>
                  <p> De Directeur ziet intusschen zwijgend naar Waltens somber gelaat en
         denkt: »Sic transit.”
      </p>
                  <p> »Ik weet wat,” gaat mevrouw Groote voort. »Geef als toegift: »De
         dochter van Dominique”; dan speel jij voor Nicolaas den knecht—dat kun
         je best, en ik zal de Cathérine spelen; dat 's altijd een glansrolletje
         voor me geweest,—al zou ik dat nu alleen maar doen om aan die Andrée
         met al haar drukte te laten zien, dat
<!-- **** No template for element: i **** --> ik me nog jong kan maken,
         als mij dat blieft”; en terwijl zij dit zegt, ziet zij den Directeur
         even aan.
      </p>
                  <p> »Is dat een pique sous l'eau, mevrouw?”</p>
                  <p> »Onder of boven water, meneer Schröder, zoo je 't nemen wilt,” lacht
         mevrouw Groote en vervolgt: »Nu, Walten, wat denk je daarvan?”
      </p>
                  <p> »'k Ben u dankbaar... mevrouw en... ik... zal... God! daar komt 't
         weer. O!”
      </p>
                  <p> »Mijn hemel! wat scheelt hem op eens?” roept mevrouw Groote, die nog
         juist bijtijds den ouden man om de schouders vat en hem voor vallen
         behoedt. Langzaam doet zij hem weer nederzitten en veegt hem met haar
         geparfumeerden zakdoek langs voorhoofd en slapen. »Vadertje wat wordt
         je bleek. Zeg! wat scheelt je, ouwe heer?—Duizelig?—Zoo, is 't al
         weer over? Jongens! jongens! je moet er 'n dokter over spreken; dat 's
         geen gewone toestand.—Ben je nu weer klaar?—Wat voelde je eigenlijk,
         Walten?”
      </p>
                  <p> »Duizelig, flauw, 'k werd wee!”</p>
                  <p> »Zenuwen!—Hier! drink eens.”</p>
                  <p> »Ja!” Waltens tanden klapperen tegen den rand van 't glas, dat
         mevrouw Groote hem heeft aangegeven.
      </p>
                  <p> »Zenuwen zijn 't, anders niet; van avond Brom-kali nemen en nu gauw
         in de lucht. Wil 'k met je meegaan?”
      </p>
                  <p> »Neen! neen! dank u.”</p>
                  <p> »Zeg, Schröder, zou je hem niet iemand meegeven, de trap af?”
         Mevrouw Groote vraagt 't fluisterend, maar Walten heeft het toch
         verstaan en zegt haastig:
      </p>
                  <p> »Och! asjeblieft niet; 't is nu heelemaal over. Ik begrijp 't wel:
         ik ben van morgen al vroeg de deur uitgegaan, de bakker was er niet
         geweest, en.....”
      </p>
                  <p> »Wel Heere! je hebt misschien vergeten te ontbijten, vadertjelief!
         Dat kan den besten gebeuren.—Kom! ga met mij mee in de koffiekamer.
         Toe! ik heb ook nog geen twaalf-uurtje gehad. Hé, ja, laten wij eens
         samen »lunchen", als ouwe collega's, recht gezellig. Neen! neen!
         refuseeren mag je niet, hoor kameraad!”
      </p>
                  <p> Een trek van innige goedhartigheid siert mevrouw Grootes gelaat, als
         zij den ouden man familiaar onder den arm neemt en tot den Directeur
         zegt: »Excuseer ons, Schröder; wij gaan koffiedrinken.—Ik kom straks
         wel terug om af te handelen, waarvoor ik kwam.—Komaan, beau cavalier,
         je arm! Ha! Ha! Ha! de booze wereld zal ons oudjes toch wel zoo'n tête
         à tête gunnen.”
      </p>
                  <p> Walten aarzelt, en mevrouw Groote herhaalt: »Als jij refuseert,
         refuseer ik alle rollen, hoor! Kom! ik heb nu juist groote ambitie om
         je te schaken.”
      </p>
                  <p> Schröder ziet aan Waltens houding en blikken, dat hij nog iets op 't
         hart heeft, en vraagt hem daarom met de oogen: »Heb je nog wat?” De
         oude man, die met zachten drang door zijn dame naar de deur wordt
         geleid, knikt »ja” zonder dat zij 't ziet. Daarom roept de Directeur
         hem met: »Een oogenblikje, mevrouw Groote; ik wou Walten nog iets
         zeggen", terug.
      </p>
                  <p> »Gauw dan; ik wacht hier", zegt de actrice.</p>
                  <p> Als ze een paar passen in de kamer zijn, vraagt Schröder: »Wat wou
         je me vragen?”
      </p>
                  <p> »Meneer Schröder, ik ben genoodzaakt om u te verzoeken om..... 'k
         Heb dringend geld noodig; 't is ellendig, dat ik zoo krap zit, maar ik
         moet van avond huur betalen; anders....”
      </p>
                  <p> »Heb je veel noodig?”</p>
                  <p> »'n Kleine zeventig gulden, en dan heb ik zelf nog niets: 'k heb nog
         een paar kwartjes in huis.—Zou u me niet 'n honderd gulden voorschot
         willen geven?”
      </p>
                  <p> »Hum!” Schröder denkt even na.</p>
                  <p> »'k Geloof toch, dat u er geen kwaad mee kunt. Pietersen heeft
         gisteren al vrij wat kaarten geplaatst en....”
      </p>
                  <p> »Pietersen, dien ouwen nathals, laat je dien voor je werken?”</p>
                  <p> »Och ja! hij is jarenlang mijn souffleur geweest; hij is gaar en
         kent de lui, die vatbaar zijn, en hij heeft er slag van om hen te laten
         teekenen.—Zou u....?”
      </p>
                  <p> »Enfin! 'k zal je maar helpen.”</p>
                  <p> »Kom je nu, kameraad? Mijn maag knort!”</p>
                  <p> »Dadelijk, mevrouw!”</p>
                  <p> De Directeur gaat naar zijn bureau, neemt er vier bankjes van [f]25
         uit, geeft die aan Walten en zegt: »Ziedaar dan, maar meer dan dit geef
         ik in geen geval.”
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Een oogenblik later zitten Walten en de actrice in de koffiekamer en
         gebruiken met smaak een eenvoudige »lunch.”
      </p>
                  <p> Mevrouw Groote heeft er slag van om den ouden kunstenaar, zooals zij
         het noemt, »op zijn gemak” te zetten. Zonder dat hij het zelf merkt,
         laat zij hem vertellen, hoe zijn toestand eigenlijk is; met een enkel
         deelnemend woord, een blik of gebaar vol sympathie, met den fijnen
         tact, sommige ontwikkelde vrouwen eigen, weet zij hem alles te
         ontlokken wat zij weten wil. Haar oogen worden nu en dan vochtig—hij
         merkt het niet—en met klimmende belangstelling en innig medelijden
         ziet zij hem aan, terwijl in haar geest het plan rijpt om met de andere
         artisten iets voor den ouwen, armen collega te doen. Plotseling vraagt
         zij: »En zou je dochter waarachtig kunnen genezen?”
      </p>
                  <p> »Zeker!”</p>
                  <p> »Voorgoed?”</p>
                  <p> »Voorgoed!—U zou niet kunnen gelooven, mevrouw, hoe kalm ze soms
         is; dan zou je zeggen, ze mankeert niemendal, zooals nu bij voorbeeld.”
      </p>
                  <p> »Ik ga met je mee, Walten; ik wil haar eens zien.—Kom! we hebben
         gedaan met eten, laten we opstappen.”
      </p>
                  <p> »U bij mij aan huis? Neen! dàt kan niet.”</p>
                  <p> »Waarom niet?”</p>
                  <p> »Neen! Neen!”</p>
                  <p> »Kom! ouwe heer, je zult toch niet te grootsch zijn om...? Of ben je
         soms bang, dat de booze wereld je reputatie zal bederven door te
         zeggen, dat jij »dames seuls” ontvangt? Ha! ha! ha!—Vooruit dan,
         kameraad.”
      </p>
                  <p> »Neen, mevrouw, 't is onmogelijk.—Aannemen!”</p>
                  <p> »Wou je nog iets gebruiken?”</p>
                  <p> »Neen!—U?”</p>
                  <p> »Ik ben voldaan!”</p>
                  <p> »Ik ook.—Hoeveel is 't, Jan?”</p>
                  <p> »Twee gulden zeventig, meneer!”</p>
                  <p> »Hier, wissel me dat bankje eens; 'n dubbeltje voor jou.”</p>
                  <p> »Maar, Walten, wat doe je?”</p>
                  <p> »Ik betaal, mevrouw!”</p>
                  <p> »Ben je nou dwaas? Ik heb je immers...?”</p>
                  <p> »De eer aangedaan met mij koffie te drinken.”</p>
                  <p> »Goeie hemel! wat 'n vent!”</p>
                  <p> »Ik ken Goddank m'n wereld nog wel, mevrouw!”</p>
                  <p> »Je bent 'n gek, 'n stijfhoofdig monster, een trotschaard; maar toch
         ben je n' aardige kerel, ouwe heer!—Kom! laten we nu even naar je huis
         gaan. Toe! laat me je dochter eens zien.”
      </p>
                  <p> »'t Kan niet, waarachtig niet!”</p>
                  <p> Een oogenblik denkt mevrouw Groote na en dan zegt zij plotseling:
         »Kom! 't is maar alleen om eens te hooren, hoe ze de rei uit Gijsbrecht
         zegt; ik heb gehoord, dat ze dat zoo uitmuntend doet.”
      </p>
                  <p> Waltens oogen verliezen iets van hun dofheid, als hij antwoordt:
         »Ja, dat's waar, dàt doet ze eenig; maar—van wien heeft u 't gehoord?”
      </p>
                  <p> »Hm! ja! Laat eens zien, van wien ook weer?—Hm! hm! O, ja! van
         Pietersen, den souffleur.”
      </p>
                  <p> Walten heeft 't oogenblikje van verlegenheid, waaruit mevrouw Groote
         zich zoo meesterlijk redde, niet opgemerkt en zegt: »Ja, dat kan wel;
         die heeft haar ten minste dikwijls zien spelen, toen ze nog goed was.
         'n Mooi geluid heeft ze, mevrouw!”
      </p>
                  <p> »Mag ik haar dan niet eens hooren, collega? Toe! asjeblieft!” En met
         een coquette beweging legt zij haar nog altijd fraaie, blanke hand op
         Waltens arm. »Dat pleiziertje doe je me wel, hé?”
      </p>
                  <p> »Maar....” en Waltens blik wordt diep treurig—»dat was vroeger; nu
         doet ze 't niet meer. Ze zit kalm en bedaard, maar zonder spreken bij
         me, ziet u? En dat noem ik: ze is goed!”
      </p>
                  <p> »Och! dat begreep ik niet, ouwe vrind; ik dacht, dat ze graag een
         rol zei of een fragment en....”
      </p>
                  <p> »Neen! alleen als ze....”</p>
                  <p> Mevrouw Groote ziet hem zóó medelijdend en met een licht
         hoofdschudden aan, dat hij onwillekeurig zwijgt.
      </p>
                  <p> »Laat me haar toch maar eens zien, Walten!”</p>
                  <p> »'t Is zoo'n heillooze rommel thuis. Wanneer zij zoo'n hevigen
         aanval heeft, haalt ze soms alles overhoop en doormekaâr; en je
<!-- **** No template for element: i **** --> moet
         't kind haar gang laten gaan. Ik ben waarlijk verlegen om.... U
         begrijpt, met zoo'n geval en geen hulp! Ik schaam me er voor, maar....”
      </p>
                  <p> »Wat 'n dwaasheid! Ik heb waarentig dikwijls genoeg zelf in een
         rommel gezeten. Denk maar eens na: toen we samen nog met den troep van
         Pavot in dat kleine gebouwtje »de Variétés” speelden; ik was toen
         negentien en pas bij 't vak. Jij begont toen ook; je was misschien een
         jaar of zes ouder.—Kom, ouwe kameraad! we kennen mekaar te lang om
         complimenten te maken.”
      </p>
                  <p> »Nu, dan in Godsnaam, omdat u 't
<!-- **** No template for element: i **** --> wil!”
      </p>
                  <p> IV.</p>
                  <p> 't Waren moeielijke dagen, die nu voor den ouden Walten volgden,
         want 't loopen met de lijsten voor zijn benefiet viel hem in ieder
         opzicht zwaar.
      </p>
                  <p> »Oude heer,” had de Directeur Schröder hem gezegd, terwijl hij hem
         gemoedelijk op den schouder klopte, »ik vertrouw, dat je 't
         verstandigst handelt door zelf met de lijsten rond te gaan. Geloof me,
         wanneer de menschen jou zien, zullen ze bepaald voor een paar plaatsen
         teekenen,—eerder dan wanneer je door dien verloopen Pietersen de lijst
         laat aanbieden.” Dit laatste zei Schröder er bij, omdat hij op Waltens
         gelaat een treurigen pijnlijken trek meende te bespeuren, toen hij zoo
         ondoordacht zei: »Wanneer ze jou zien.”
      </p>
                  <p> 't Kwam hem plotseling in den zin, dat in die paar woorden een
         geheele droevige lijdensgeschiedenis werd verhaald—aan den lijder
         zelf, die zijn toestand maar al te goed kende.
      </p>
                  <p> Ja! Walten zag er slecht, ellendig slecht en vervallen uit, al had
         ook Hostein met mevrouw Groote er voor gezorgd, dat hij ten minste een
         fatsoenlijk pak kleeren had gekregen, waarin hij zich bij zijn bezoeken
         aan de kunstvrienden en tooneelliefhebbers kon vertoonen. 't Was
         werkelijk alsof de man van dag tot dag lichamelijk verzwakte en
         verviel; de vermoeienis van 't loopen bracht er misschien ook nog toe
         bij, dat zijn uiterlijk, hoe fatsoenlijk 't ook scheen, toch volkomen
         geschikt was om medelijden op te wekken.
      </p>
                  <p> De diep in hun kassen weggezonken oogen, de dikke blauwige wallen
         daaronder, de bolbleeke wangen en nu en dan het beverige schudden van
         't hoofd spraken duidelijker, dan de dunne, bloedelooze lippen hadden
         kunnen doen, van kommer, zorg en afgematheid. De vaal-geelbleeke
         gelaatskleur, gewoonlijk eigen aan menschen, die zich dagelijks
         blanketten en beschilderen, de tallooze kleine rimpels om mond en oogen
         en de scherpe trekken langs den neus, gaven aan Waltens gelaat iets zóó
         diep zwaarmoedigs, dat het stereotiepe tooneellachje, waarmee hij zijn
         korte aanspraak bij 't aanbieden van de benefiet-lijst begeleidde, niet
         bij machte was, die sombere uitdrukking te verbergen.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Over 't algemeen genomen werd hij vrij goed ontvangen, en was zijn:
         »Ik ben Walten, de voormalige komiek van den Schouwburg enz. enz.”, bij
         de meesten voldoende om hem voor een korte afwijzing te behoeden. Maar
         ook bitter vernederende oogenblikken moest hij doorleven, en wel dáár
         waar hij die 't minste verwacht had. Oude goede kennissen, begunstigers
         van vroeger, namen met een schuinschen blik op Waltens droevig
         uiterlijk de lijst aan, zetten er zwijgend hun handteekening op of
         gaven door een kort: »'k Heb al TE VEEL van die dingen aan de hand” te
         kennen, dat ze »er niet aan deden”. Een rijk geworden kroeghouder o.
         a., die zich de weelde veroorloofde om van »de kunst” te houden,
         ontving hem met een dikken, plompen lach van genoegen en zei: »Wel,
         wel! ben jij nou Walten?—Manlief, 't doet me plezier, dat ik jou nog
         eens zie. Ik heb, toen jij nog in je goeie tijd was, wat om jou motte
         lache, m'n buik heb ik vastgehouwe; je was een eeuwig leuke pias, hoor!
         En daarom zal ik nou ook op je benefiet teekene voor mijn en mijn heele
         geslacht. Geef me nege plaatse eerste rang; 'k zal je maar vooruit
         betale, want om de duite is 't toch te doen. Dat 's nege rikse, hé?
         Daar heb je een bankie van [f]25.—; voor dat ééne achterwiel, dat er
         over is, mot je maar een paar potjes bier drinke, hoor!”
      </p>
                  <p> O! 't was zoo bitter, zoo kwetsend voor Walten, die 't hart zoo hoog
         droeg, om dàt te hooren. Zwijgend nam hij de lijst weer aan, terwijl de
         toornader tusschen zijn oogen zwol en zijn lippen beefden; met moeite
         onderdrukte hij een wederwoord, maar——'t was vijf en twintig gulden
         op eens, en—hij was zoo moe van 't loopen, van 't vragen. »'t Schijnt
         bijna bedelen,” dacht hij, terwijl hem 't bloed naar 't hoofd schoot en
         de stem hem begaf, toen hij een woord van dank trachtte te uiten.
      </p>
                  <p> Hier en daar werd hij kortaf met: »Dank je, ik zal er niet van
         profiteeren,” afgewezen; 't deed hem minder smartelijk aan dan de
         woordenrijkheid van »den ploert,” die zoo royaal was.
      </p>
                  <p> Slechts enkele malen klonk hem, als zachte muziek, een vriendelijke
         stem tegen, die met fijn gevoel, den ouden artist in hem waardeerend,
         op zijn vraag antwoordde: »Of ik op uw benefiet wil teekenen, meneer
         Walten?—Wel zeker, gaarne! Ik zou 't u niet vergeven hebben, als u mij
         had vergeten, want ik heb u niet vergeten; 'k heb veel genot en
         ontspanning door u gehad en velen met mij; ik verheug me er op u nog
         eens weer te zien spelen.—Ei zoo! geeft u »De Vrek?” 'n Mooi stuk, een
         van uw beste rollen. En den Nikolaas in 't blijspel »De dochter van
         Dominique” toe? Die rol heb ik nooit van u gezien, dáár spits ik me op.
         Welke plaatsen heb je nog over? Stalles, balcon of loge, geef me maar
         wat je missen kunt, want ik vertrouw, dat er plaatsen te kort zullen
         komen.”
      </p>
                  <p> Zulk een ontvangst bracht hem als met een tooverslag de oude goede
         tijden weer voor den geest en weemoedige tranen in de oogen.
         Onwillekeurig strekte hij dan vertrouwelijk bij het heengaan de hand
         uit naar die van den man, die hem zoo vriendelijk en met tact te gemoet
         kwam.
      </p>
                  <p> Ze waren echter zeldzaam die oogenblikken van waardeering en slechts
         een kleine vergoeding voor de vele teleurstellingen, die hij in den
         vorm van: »Meneer is niet thuis” of: »We houën hier niet van comedie",
         herhaaldelijk ondervond.
      </p>
                  <p> Toch kon hij tevreden zijn, want 't aantal genomen plaatsen was vrij
         aanzienlijk geworden, en de eerste rangen waren zoo goed als
         uitverkocht.
      </p>
                  <p> Pietersen liep, zooals hij 't zelf eigenaardig uitdrukte, »en
         tempête” de heele stad door, en ofschoon hij zijn tochten rijkelijk met
         spiritueus genot afwisselde,—»'t hoorde er onvermijdelijk bij",
         beweerde hij, omdat hij voornamelijk koffiehuishouders en slijters
         »exploiteerde",—kwam hij gewoonlijk des avonds in tamelijk goeden
         welstand op Waltens kamer, om hem verslag te doen van den oogst, dien
         hij had binnengehaald.
      </p>
                  <p> Ook aan 't bureau van den Schouwburg waren, ten gevolge van de
         aanplakbiljetten, de advertentiën in de kranten en een paar welwillende
         dagbladartikelen, waarvoor Hostein en Schröder hadden gezorgd, vrij wat
         plaatsen genomen, zoodat de oude man aan den vooravond der voorstelling
         met zekerheid kon berekenen, dat, als er op den speelavond zelf nog wat
         publiek »inliep", er een batig saldo voor hem zou overblijven, na
         aftrek van de honderd gulden voorschot, voldoende om aan zijn dochter
         de tijdelijke opneming in een gesticht te verzekeren.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Mevrouw Groote had er intusschen voor gezorgd, dat »de rommel” bij
         Walten door een werkvrouw eenigermate was opgeredderd en verder
         diezelfde vrouw voorloopig als »gezelschap” bij de ongelukkige Annette
         gelaten, omdat zij vond, dat »de stumperd” zoo akelig alleen en
         verlaten zat, als haar vader uit was. Toen was zij naar Hostein gegaan
         en had gezegd: »Luister eens, Willem! Ik ben bij Walten aan huis
         geweest; 't is daar een echt treurige boel, veel armoediger en
         ellendiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen; wij moesten de handen
         ineenslaan en zien of we iets voor hem kunnen doen; de man heeft in
<!-- **** No template for element: i **** -->
            zijn tijd voor menigeen wat overgehad.—'t Is waar, hij was vroeger
         'n beetje bazig en nu soms nog koppig en... Och! maar zoo heeft
         iedereen wat.—Ga jij nu bij jou kennissen rond, dan zoek ik de lui op,
         die IK ken; allicht halen we wat bij mekaar. Dan geven we hem dat op
         den avond van zijn benefiet, netjes in een couvert aan een lauwerkrans
         gebonden.—Wat dunkt je?”
      </p>
                  <p> »Je bent een kranige vrouw, hoor! en ik doe mee; ik zal de lui wel
         'n beetje opwarmen,” antwoordde Hostein. »Maar hoe is 't op 't
         oogenblik? Hij heeft een voorschot, hé?”
      </p>
                  <p> »Och, beste vrind! 't was dadelijk op, dat begrijp je, voor huur
         enzoovoort. Maar enfin! dáár is al voor gezorgd: ik heb hem wat
         gestuurd; je begrijpt, voor de zieke, nam hij 't graag aan, zoo'n
         beetje victualie, en voor de eerste dagen is er over dag een vrouw in
         huis.—Zeg! dat kind van Walten, hum! ik bedoel die Netje, viel me mee;
         ze was doodbedaard, maar ze sprak geen woord. 'n Mooie vrouw is 't
         zeker, 'n goed tooneelfiguur; maar wáár dat talent zit, waarvan hij zoo
         hoog opgeeft, begrijp ik niet. De man is altijd épris geweest van dat
         meisje, en haar stem is bepaald mooi, maar zoover ik me herinner, was
         't verder niets buitengewoons.—Wat dunkt jou?”
      </p>
                  <p> Hostein haalde de schouders op en zei glimlachend: »Ieder denkt zijn
         uil een valk te zijn; Waltens omgeving was in de laatste jaren ook niet
         geschikt om.....”
      </p>
                  <p> »Och ja!” viel mevrouw Groote hem in de rede. »Je kunt op hem niet
         veel peil meer trekken; ik geloof, dat hij in zijn laatste schoenen
         loopt. Op de repetitie's was 't niet om aan te hooren; wezenlijk,
<!-- **** No template for element: i **** --> ik
         kreeg 't benauwd voor hem; 'k geloof nooit, dat hij 't er goed
         afbrengt.”
      </p>
                  <p> »Kom! 't is een ouwe tooneelrot; als de avond daar is, doet hij 't
         wel,—hij kent de trucs!”
      </p>
                  <p> »Neen, waarachtig, 't was brabbelen wat hij deed.”</p>
                  <p> »Was 't zóó slecht?”</p>
                  <p> »Abominabel! Hij is op,—totaal op!”</p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> »'t Is een steen van mijn hart, Pietersen! dat alles zoo goed is
         gegaan; de zaal wordt vol,” zegt Walten op den avond vóór het benefiet
         tot den souffleur, die hem als naar gewoonte bezoekt.
      </p>
                  <p> »C'est clair, mon Prince!” antwoordt Pietersen, en met een
         schuinschen blik uit zijn knippend rechteroog voegt hij er bij: »En is
         't nu wat beter gegaan op de repetitie?”
      </p>
                  <p> »Hoe bedoel je?”</p>
                  <p> »Wel, zit »De Vrek” er weer goed in?” Pietersen wijst met het
         boekje, waaruit hij Walten de rol van Nikolaas uit »De dochter van
         Dominique” overhoort, op zijn voorhoofd.
      </p>
                  <p> »Ik geloof 't wel, maar 'k heb nog altijd last van die duizeligheid,
         vooral als ik me inspan bij 't spelen. Zou dat zwakte zijn?”
      </p>
                  <p> »Misschien?—'t Is ook een zware rol.”</p>
                  <p> »'k Zal morgenochtend nog eens memoriseeren, maar de clausen willen
         er niet goed meer in. Ik begrijp 't niet: ik kon »De Vrek” vroeger als
         mijn zak, dat weet je wel, en van morgen op de repetitie zat ik telkens
         vast. Hoe is het mogelijk? Mijn geheugen is toch goed.”
      </p>
                  <p> »Geweest!” denkt de souffleur, terwijl hij 't boekje opnemend zegt:
         »Komaan Walten! willen we dan eens even verder gaan? Ik zal je enkel
         maar weer »de wacht” geven. 't Is een echte lachrol, die Nikolaas.”
      </p>
                  <p> »Ja! maar 't lachen gaat me niet natuurlijk meer af.—Enfin! begin
         maar.”
      </p>
                  <p> Walten staat nu eens bij den stoel naast de tafel, waaraan de
         souffleur, die zijn bril heeft opgezet, met de ellebogen onder 't
         hoofd, zit te souffleeren wat »Nikolaas” zeggen moet, dan weer loopt
         hij even heen en weer door de kamer of plaatst zich naast Annette, die
         somber voor zich uit ziende, op den rand van 't bed zit en in hetgeen
         in haar tegenwoordigheid voorvalt, geen aandeel schijnt te nemen.
      </p>
                  <p> »Heb je weer hoofdpijn, kind?” vraagt Walten bezorgd, terwijl hij
         zachtkens met zijn hand over Annettes donker haar streelt.
      </p>
                  <p> »Neen!” Zij plukt onrustig met bevende vingers aan haar loshangende
         ochtendjapon.
      </p>
                  <p> »Waarom is die vrouw weg?”</p>
                  <p> »Ze is naar huis gegaan, dat weet je wel kind!”</p>
                  <p> »Neen! ze maakt leven, buiten op de trap.”</p>
                  <p> »Zij? Wel neen, Netje.—Hoor jij wat, Pietersen?”</p>
                  <p> »Niets, mon Prince!—St! ze zal 't in haar hoofd hebben.”</p>
                  <p> »Bonst 't weer in je hoofd, kindlief?”</p>
                  <p> »'t Is zoo warm, dáár, dáár,” en met krampachtig gekromde vingers
         grijpt Annette boven op haar kruin.
      </p>
                  <p> »Wil je een doek met water erop hebben?”</p>
                  <p> »Neen!”</p>
                  <p> »Hindert 't je, als we spreken?”</p>
                  <p> »Neen! maar die muziek buiten wèl.”</p>
                  <p> »Muziek? Er is geen muziek; 't is doodstil!—God! Pietersen, ze zal
         toch niet weer...?”
      </p>
                  <p> »Toe! zeg, dat ze ophouden, die keteltrom... O!”</p>
                  <p> »Maar lieve Netje, 't is....”</p>
                  <p> »Ophouden! Ophouden! O, God! wat doen ze me zeer.”</p>
                  <p> »Drink eens, kind; hier heb je limonade, die heeft die goeie mevrouw
         Groote je gebracht.—Pietersen! 't wordt weer mis: wat moet ik
         beginnen?” Walten ziet vol bezorgdheid zijn dochter aan.
      </p>
                  <p> »'k Weet het niet, mon Directeur! maar 't is niet in orde met haar,
         cela va sans dire; ik zal Nikolaas maar wegbergen, hé?” Pietersen slaat
         't boekje dicht, knipoogt en zet zijn bril af.
      </p>
                  <p> »Vader! vader! laat ze uitscheien.” Annettes oogen krijgen een
         wilden, zonderlingen glans; haar gelaatskleur is afwisselend bleek en
         hoogrood; koortsig huiverend, nu en dan sidderend, klemt ze zich
         angstig aan Walten vast.
      </p>
                  <p> »Als je haar eens 'n klein tikkie cognac liet drinken; wil 'k je de
         flesch eens aangeven?” vraagt Pietersen, en een cynisch lachje om zijn
         breeden mond doet even de uiterste spits van zijn tong zichtbaar
         worden.
      </p>
                  <p> Walten antwoordt niet; hij houdt zijn kind omvat, legt zijn
         stoppelige wang tegen haar hoofd en sust haar even alsof ze een klein
         meisje was.
      </p>
                  <p> »Kijk! zoo'n half kelkje—c'est un tonique!—dat zal 'r waarachtig
         goeddoen.” Pietersen komt met het glaasje in de hand naar Netje en
         Walten, maar drinkt het haastig zelf uit, omdat hij, schier verschrikt
         terugdeinst, bij 't hooren van Annettes lach, die ditmaal zoo akelig
         snijdend klinkt, dat hij zich omwendt en snel een grooten slok uit de
         flesch neemt om zijn zenuwen te doen bedaren.
      </p>
                  <p> Zoo'n proefje smaakt naar meer, en vóórdat Walten het bemerkt, heeft
         Pietersen 't restant cognac achter elkander uitgedronken en de ledige
         flesch weer in de kast gezet. Zich de lippen lekkend, hikt hij even,
         veegt met den rug der rechterhand langs zijn mond en zegt: »Ze lacht
         leelijk van avond; 't zal een krasse bui worden. Wil 'k ook even naar
         den dokter loopen?”
      </p>
                  <p> »Ja! ja! asjeblieft. Maar wacht nog even: ik ben bang dat ze zoo
         meteen neervalt. Stil! 't gaat wat over.”
      </p>
                  <p> Eensklaps ziet de krankzinnige, die nog voortdurend stuipachtig,
         hoewel minder luid, lacht, met een schier helderen blik haar vader en
         Pietersen aan, laat den eersten los en vat den anderen, die de deur is
         genaderd, bij beide schouders, terwijl zij met gesmoorde stem hem
         toesnauwt: »Waarom lach jij niet mee? Ha! ha! ha! Hij wil niet lachen.”
      </p>
                  <p> Een wilde woeste uitdrukking komt op haar gelaat, als zij den
         souffleur heen en weer schudt en hem nogmaals toebijt: »Lach!”
      </p>
                  <p> »Lach! In Godsnaam, lach dan toch!” fluistert Walten.</p>
                  <p> Pietersen vertrekt zijn tandeloozen mond tot een mislukte grijns; en
         als Annette ziet, dat hij lacht, laat zij hem los en pakt haars vaders
         arm. »Jij ook! Lachen zul je, ha! ha! ha!”
      </p>
                  <p> Ook Walten beproeft te lachen, maar de tranen springen hem uit de
         oogen, zijn hart staat een oogenblik als stil; hij voelt dat hij
         stikken zou aan dien lach en machteloos, bevend, wankelt hij en valt
         half zittend voorover op 't bed.
      </p>
                  <p> Verwonderd, wezenloos ziet Annette om, haar lach verstomt, ze rilt
         als van koude, slaat huiverend de armen over elkander, opent dan wijd
         en glazig de groote oogen, werpt 't hoofd trots in den nek en zegt op
         bevelenden toon: »_Mijn mantel!—Don Alfons, breng mij mijn hermelijn!”
      </p>
                  <p> Walten heeft zich reeds weder opgericht en roept haastig vol angst:
         »Daar is 't weer! Nu blijft ze zóó weer den geheelen nacht, misschien
         morgen ook nog. Goeie God! wat moet ik beginnen? Hoe kan ik morgen
         avond spelen?” Hij huivert en snikt.
      </p>
                  <p> Pietersen, die door het te haastige gebruik van bijna een halve
         flesch cognac toch min of meer anders dan gewoonlijk wordt, antwoordt
         glimlachend: »Waar is je alma-viva dan, m'n wijfje?”
      </p>
                  <p> Walten heeft snel den koninginnemantel opgezocht, hangt hem zwijgend
         over Annettes schouders, maar drukt te gelijk haar hand een oogenblik
         tegen zijn lippen.
      </p>
                  <p> Gedurende eenige minuten staat de krankzinnige zwijgend doodstil
         midden in de kamer.
      </p>
                  <p> »_Zet mij de kroon op 't hoofd en blijf hier naast mij staan!”
         Krampachtig houdt zij haars vaders hand vast.
      </p>
                  <p> »Toe! Pietersen, gauw de kroon!”</p>
                  <p> »De kroon? Ik zie ze niet. Wat duivel! gaat me die k—kroon ook
         aan?—Verdijd! daar stoot ik m'n elleboog.—Dat bordpapieren ding is er
         niet; 'n mooi l—lorrr!”
      </p>
                  <p> »Maar geef ze dan toch aan, Pietersen! Dáár, op de latafel; zie je
         ze niet? Dáár!”
      </p>
                  <p> »Ja, ja! nou zie 'k ze wel; hou je gem—mak, mon P—prince; ik heb
         ze al. Tout doucem—ment. Zóó, zet ze op drie haren, sch—oone
         D—donna.” En vrij onhandig drukt hij de kroon op Annettes lokken.
      </p>
                  <p> »God almachtig! hij is dronken! Pietersen, hoe komt dat op eens? Heb
         je...? Je bent bez....”
      </p>
                  <p> »Dronken? Waarachtig niet, m—mon Général; 'n beetje tipsy maar,
         legèr—re—m—ment ému. Verduivelde goeie cognac hou jij er op na. Ha!
         ha! Annette, mon—id—ôle, je zit daar heel leuk. 'n Mooie troon, dat
         onopgemaakte mandje!”
      </p>
                  <p>   »Gij trouwe ridderschaar zit aan mijn voeten neder
         <br/>   En luister ned'rig naar mijn Koninklijk bevel!”
      </p>
                  <p> declameert de ongelukkige luid en krachtig.</p>
                  <p> »Pietersen, kom dan toch; ga zitten, hier! gauw! Anders wordt ze
         woest en dan is ze straks niet te houwen.”
      </p>
                  <p> »H—houwen? Ik heb slaap, verdraaid veel slaap. Zoo dan! Zit ik zoo
         naar je zin ma—majesteit, koningin van mijn hart, r—reine de mon
         c—c—coeur?”
      </p>
                  <p> »God! hij slaapt in.—Pietersen, word wakker!”</p>
                  <p> »Hé?”</p>
                  <p> »Kom dan, word wakker; je zoudt voor me naar den dokter gaan; ik kan
         haar niet alleen laten. Toe, Pietersen, luister dan toch! Ga niet
         slapen!”
      </p>
                  <p> »Dokter? Jawel, akkoord, médecin malgré lui, Molière. De cognac was
         zuiv—ver sterk....” De souffleur slaapt, hij knikkebolt aan de voeten
         van Annette, die hem niet meer schijnt te zien, maar krampachtig de
         hand van haar vader vasthoudend verder declameert.
      </p>
                  <p> V.</p>
                  <p> Toen Walten den volgenden avond een half uur vóór den aanvang van 't
         stuk in Hosteins kleedkamer kwam, waar deze bezig was om zich »in 't
         pak te steken"[1] voor de rol van Valerius, had hij nauwelijks kracht
         genoeg om te staan. Zijn oogen stonden hol en brandden hem in 't hoofd
         en op zijn wangen toonden een paar roode vlekken, akelig duidelijk, hoe
         vermoeid en afgemat hij was.
      </p>
                  <p> [1] Tooneelterm voor costumeeren.</p>
                  <p> »Willem,” zuchtte hij, terwijl hij op den stoel naast Hosteins
         kaptafel neerviel en met 't hoofd vóórovergebogen, de handen slap langs
         't lichaam hangend, moedeloos bleef zitten. »Willem, ik kan niet
         meer!—Zoo erg heeft Netje 't nog nooit gehad, en die aanval hield maar
         niet op: ik ben den heelen nacht en vandaag, tot van avond toe, met
         haar doende geweest. Goddank! ze ligt nu eindelijk te slapen! Ik ben
         dood, doodaf. Hoe zal ik in Godsnaam spelen?”
      </p>
                  <p> Verschrikt zag Hostein, die voor den spiegel stond, om naar den
         naast hem zittenden man, lei 't stuk »vetschmink", waarmede hij zijn
         wangen bestreek, neer en zei: »'t Is verschrikkelijk;” maar toen de
         oude man opkeek en hem aanzag, terwijl 't licht der gasvlam vol op zijn
         ontdaan gelaat viel, ontsnapten hem plotseling de woorden: »God! Walten
         wat zie je er uit!—Je hoeft je waarachtig niet te grimeeren; schmink
         je maar een klein beetje op je wangen en zet een pruik op, dan is 't
         uitmuntend: een Harpagon om te stelen.... Och! neem me niet kwalijk,
         dat ontviel me daar zoo plompverloren; ik kan 't waarachtig niet
         helpen, ik dacht alleen om 't stuk, en jij zit daar precies, even
         verslagen, als Harpagon in 't derde bedrijf, laatste tooneel.”
      </p>
                  <p> Walten zag Hostein even aan en lachte smartelijk: »Ik ken je immers
         Willem; je meent 't goed.”
      </p>
                  <p> »Wacht maar even, ik zal je dadelijk eens weer op streek helpen.—Je
         »pak” hebben ze hier gebracht; ik dacht: je zoudt je hier liever
         aankleeden dan alleen. Trek den boel maar al vast aan,—ik ben zóó
         terug; 'k zal een hartversterking voor je halen.”
      </p>
                  <p> »Och neen! ik kan toch niets gebruiken.”</p>
                  <p> »Dat zul je wel!”</p>
                  <p> Toen Hostein verdwenen was, richtte Walten zich met moeite op, trok
         zijn jas uit, zette zijn hoed af en nam plaats voor den spiegel, op den
         stoel, dien de andere verlaten had.
      </p>
                  <p> Een blik in 't heldere glas riep om zijn lippen een bitter droeven
         glimlach te voorschijn. Hij steunde het hoofd in de rechterhand en zag
         naar zijn roode ingezonken oogen, de blauw getinte wallen daaronder en
         de schier zwarte lijnen van de scherpe trekken langs zijn neus.
      </p>
                  <p> »Ja! Willem heeft gelijk,” mompelde hij: »ik heb geen grime noodig.”</p>
                  <p> Nog een oogenblik bleef hij in gedachten verzonken zitten en toen,
         met een uiterste inspanning van zijn wil, richtte hij zich op en begon
         langzaam zijn kleederen verder uit te doen. Weer sloeg hij een blik in
         den spiegel vóór hem en hij wachtte een oogenblik, starend naar zijn
         beeld. Zijn handen beefden, zijn oogen werden verduisterd door de
         tranen, die er onophoudelijk in opwelden; hij voelde ze langs zijn
         wangen biggelen, hij zag ze één ondeelbaar oogenblik in den spiegel
         weerkaatst en hij wischte ze niet af. 't Kwam hem voor alsof hij in
         dien spiegel een gelaat zag, dat hij niet herkende en dat toch 't zijne
         was; 't scheen hem als hoorde hij een stem, die hem toefluisterde: »Die
         man is Walten immers niet?” en hij had het gevoel van iemand, die na
         langen, langen tijd afwezig te zijn geweest, weer terugkomt in bekende
         streken, maar alleen om alles veranderd en vervallen terug te vinden.
      </p>
                  <p> Werktuiglijk trok hij de zijden kousen en korte broek van Harpagons
         kostuum aan en bukte zich om de lage schoenen aan te doen. Dat bukken
         viel hem moeielijk; 't bloed gonsde en bonsde in zijn slapen en een
         donkere nevel kwam over zijn oogen, toen hij eindelijk 't hoofd weer
         ophief en rondzag.
      </p>
                  <p> »'k Had waarachtig haast geen pruik met een kaal hoofd noodig,” zei
         hij in zichzelf, terwijl hij met den haarborstel de weinige grijze
         haren, die plat langs zijn klamme slapen gekleefd lagen, naar achteren
         streek. »Maar komaan, 't is eenmaal de traditie zóó!” Hij zette de
         pruik op en »schminkte” zijn voorhoofd bij, totdat de afscheiding van
         huid en pruik onzichtbaar was; met onvaste hand trok hij een paar
         zwarte lijnen onder zijn oogleden en langs zijn neus, maakte zijn
         wenkbrauwen wat grijzer en streek een paar malen over zijn stoppelige
         wangen. »'k Ben sedert drie dagen niet geschoren. 'k Heb 't glad
         vergeten,” dacht hij, en toen hij nogmaals een blik in den spiegel
         wierp, zei hij als tot zichzelf sprekende: »'t Past nu goed in de rol;
         hum! ik zal....”
      </p>
                  <p> »Ziezoo, papa! dat zal je goeddoen en opknappen. Allons! drink dat
         nu eens achter mekaar uit,” en met een vriendelijken lach hield Hostein
         hem een glas melk met geklutste eieren voor.
      </p>
                  <p> »Je bent toch een goeie kerel, Willem!”</p>
                  <p> »Jawel! maar zanik nu niet en drink uit. Ik heb er maar één lepel
         rum in laten doen; je zult er dus de hoogte niet van krijgen.”
      </p>
                  <p> Onder 't drinken even ophoudend, zei Walten: »Ik kan 't haast niet
         inkrijgen; 't is alsof ik 'n stuk in mijn keel heb, dat 'k niet
         doorslikken kan.”
      </p>
                  <p> »Kom, kom! allemaal gekheid! 't Moet erin.”</p>
                  <p> »Heelemaal?”</p>
                  <p> »Achter elkaar, anders helpt 't niet. Zóó! Je zult eens zien, hoe je
         daarvan opknapt. Ga nu nog een oogenblik zitten, dan kalmeer je
         heelemaal. 'k Heb zoo'n voorgevoel, dat je van avond een succes zult
         hebben.”
      </p>
                  <p> Hostein geloofde zelf niet wat hij zei, maar 't goede hart, dat hij
         zijn ouden leermeester toedroeg, deed hem zoo spreken. »Hum!” ging hij
         voort, »ik heb van morgen nog van Schröder gedaan weten te krijgen, dat
         de souffleur vanavond vrijaf heeft.”
      </p>
                  <p> »Wat zeg je daar?” Met schrik zag de oude acteur hem aan en een
         ongeloovige trek kwam op zijn gelaat, toen Hostein er lachend
         bijvoegde: »We spelen »De Vrek” achter mekaar af, de vijf bedrijven,
         zonder scherm neer en we zijn zóó rolvast, dat....”
      </p>
                  <p> »Hè, jij zonder souffleur, Hostein?” zei Walten, even glimlachend.</p>
                  <p> »En jij zonder souffleur?” gaf de andere lachend terug. En terwijl
         hij »Harpagon” vertrouwelijk op den schouder klopte, voegde hij er bij:
         »Neen! ik maak maar gekheid; ik kan er niet buiten—'k ben van jou
         school, papa Walten—maar ik heb van Schröder gedaan gekregen, dat
         Pietersen van avond souffleert.”
      </p>
                  <p> »Pietersen?”</p>
                  <p> »Ja! 'k Heb 't om jou gedaan, Walten; jij bent zoo aan hem gewend,
         en ik dacht....”
      </p>
                  <p> »Dank je, Willem! Ja, 't is waar—'k heb hèm liever als dien
         anderen; hij kent me beter. Maar.... zeg?”
      </p>
                  <p> »Wat?”</p>
                  <p> »Jelui hebt toch gezorgd, dat hij niets kan krijgen voordat alles
         gedaan is?”
      </p>
                  <p> »'t Verbod is uitgevaardigd; geen druppel, hoor!”</p>
                  <p> »Daar wordt geklopt, Hostein.”</p>
                  <p> »Mag ik binnenkomen?” klonk buiten de deur mevrouw Grootes
         vriendelijke stem.
      </p>
                  <p> »Entrez!”</p>
                  <p> Dadelijk daarop kwam de actrice—als Frosine gekleed—Hosteins kamer
         in en wendde zich tot Walten, met de woorden: »'k Wou eens even komen
         kijken hoe je bent, want ik heb daar juist van Hostein gehoord, dat 't
         weer mis is bij je thuis. 'n Ellendige historie voor je, arme vent! En
         is ze nu alleen?”
      </p>
                  <p> »Stil! spreek daar nu niet meer van, hij is al zoo zenuwachtig.”
         fluisterde Hostein mevrouw Groote haastig toe.
      </p>
                  <p> »Heeft zij niemand tot gezelschap, Walten?”</p>
                  <p> »Uw schoonmaakster is bij haar, mevrouw.”</p>
                  <p> »O!—En?”</p>
                  <p> »Die blijft totdat ik terugkom van avond.”</p>
                  <p> »Goed!—Jongens, jongens! wat 'n zaal vol menschen. Zeg! dat doet je
         nog eens goed, hé? Heb je al door 't scherm gekeken? 't Is stampvol. De
         handjes zullen wel op mekaar komen, als jij opkomt. En wat zeg je nu
         van mij?” Mevrouw Groote draaide vlug op haar hielen rond! »Heb ik me
         niet mooi gemaakt als Frosine? Waarachtig, Walten, 'k doe 't voor jou;
         anders speelde ik »de koppelaarster” niet.—Hou je nu goed, hoor!—Heb
         je vandaag nog kunnen leeren?”
      </p>
                  <p> »Ik?—Groote God! wat 'n vraag!”</p>
                  <p> »Och, dat 's waar ook, daar dacht ik niet aan.—Nu, dan maar
         hengelen,[1] ouwe heer!” Mevrouw Groote zei het vroolijk en opgeruimd,
         maar toch klonk in die vroolijkheid een nauw hoorbare toon van angst en
         tersluiks zag zij Hostein aan met een blik, die duidelijk de vraag
         uitdrukte: »Hoe zal dat afloopen?”
      </p>
                  <p> [1] Op den souffleur spelen.</p>
                  <p> »'k Ben nog nooit zoo zenuwachtig geweest als van avond,” zuchtte
         Walten, die inmiddels zijn toilet had voltooid en met een lichten
         schrik de stem van den inspiciënt vernam, die, in de gang tusschen de
         kleedkamers loopend, riep: »Tot den aanvang, dames en heeren!—Tot den
         aanvang!”
      </p>
                  <p> Vóór het gewone: »_van 't tooneel” en »_aan 't gordijn!” van den
         inspiciënt weerklonk, drukte mevrouw Groote haar ouden vriend nog even
         de hand, klopte hem op den schouder en zei: »Wees nu maar kalm en
         bedaard. Hoe is 't mogelijk, dat je zóó zenuwachtig kunt wezen, zoo'n
         ouwe »troupier” als jij...? En denk er vooral om, dat je aan 't eind
         van 't tweede bedrijf bij je »sortie” nog even 't hoofd om de deur
         steekt, om me »_tot wederziens” toe te roepen; dan kan ik beter mijn
         claus zeggen—en krijg er zeker een applaus op, als ik je zoo uit de
         verte toeroep:
      </p>
                  <p> »_Dat de duivel je hale, gemeene vrek, hongerige schraapwolf!”—Denk
         er asjeblieft om, want op de repititie heb je 't telkens vergeten. En
         nu: goed succes.—O ja! nog iets, in 't vierde bedrijf, wanneer ik dat
         gesprek met jou en Kleant heb, kun je me als ik »af” moet, nog even
         terugroepen; en als ik dan weerom kom, doe je zóó met je hand,—je
         maakt zoo'n soort plagerige kushand, begrijp je? Dan zet ik een woedend
         gezicht en maak nog een nijdige »dienaresse”; daar heeft 't publiek
         pret in, begrijp je? 't Is anders zoo'n ellendige »sortie", zóó mager,
         dat, als je er niets van maakt, er geen hand op mekaar komt; en ik
<!-- **** No template for element: i **** -->
            wil applaus hebben van avond, alléén omdat Andrée 't bepaald
<!-- **** No template for element: i **** -->
            niet krijgt in haar rol als Elize.—'t Verwondert me nog, dat ze
         die heeft aangenomen; maar ze durfde niet weigeren om de anderen, vat
         je?”
      </p>
                  <p> Daar klonk op eens het schelletje en de roep »Halen!” 't Scherm ging
         omhoog en 't stuk was begonnen.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> 't Is vol, zeer vol in den Schouwburg, zelfs het »schellinkie” en
         »de tien” zijn goed bezet. De korte, eenvoudige titel van het stuk »De
         Vrek” heeft de liefhebbers van moord en doodslag ditmaal niet
         afgeschrikt om hun penninkske op het altaar der kunst te gaan offeren.
      </p>
                  <p> Misschien ook heeft Waltens naam op 't affiche—men had hem immers
         vroeger, toen hij nog in zijn kermistent »alles” speelde, zoowel in
         »Rolla", als in »de komiekigheid” bewonderd—er 't meest toe
         bijgedragen om ook de hoogere rangen vrij voldoende te doen bezetten.
      </p>
                  <p> Achter de coulissen staande, ziet Walten met kloppend hart naar de
         spelers, die in de eerste twee tooneelen optreden, en als het derde
         tooneel komt, waarin hij zijn eerste opkomst heeft, kost het hem moeite
         een lichte siddering te onderdrukken. Plotseling voelt hij de hand van
         den inspiciënt op zijn schouder en hoort hij zich toefluisteren:
         »Asjeblieft, meneer Walten, de beurt is zoo dadelijk aan u.”
      </p>
                  <p> 't Schijnt bijna alsof die aanraking hem moed geeft, want hij richt
         zich op uit de ietwat gebogen, luisterende houding, waarin hij staat en
         roept met luide stem de enkele woorden van zijn rol, die hij achter de
         schermen moet spreken, pakt »Laflèche", die naast hem wacht, bij den
         schouder, duwt hem vóór zich uit op het tooneel en—dan draait en
         duizelt alles hem voor de oogen.
      </p>
                  <p> Met een daverend handgeklap bij zijn optreden begroet, gaan de
         woorden: »_Voort! 't huis uit, zonder tegenspraak, op 't oogenblik,
         voort! Galgenaas! schelm! maak dat je wegkomt!” waarmee zijn rol begint
         in het applaudissement en bravo-geroep, dat hem verwelkomt, verloren.
         Niemand hoort, hoe zijn stem beeft, hoe heesch en schor zijn geluid
         reeds is bij dien eersten volzin.
      </p>
                  <p> Een paar groene kransen en een bloemruiker worden door onzichtbare
         handen op 't tooneel geworpen. Mevrouw Groote heeft er in stilte voor
         gezorgd, omdat zij meende: »'t Zal den ouwen stumperd een riem onder 't
         hart steken, als hij goed wordt ontvangen.”
      </p>
                  <p> Het »Bravo” dat hem tegenklinkt, het handgeklap dat hij hoort, maakt
         hem een oogenblik verward, duizelig, beneveld; de kransen die voor zijn
         voeten neervallen, ziet hij nauwlijks, en zonder dat hij er zich
         eigenlijk bewust van is, buigt hij twee, drie malen diep voor 't
         publiek, dat hem blijft toejuichen, totdat een paar krachtige »St!
         St's” uit den Engelenbak, die verlangend is om meer te hooren, hem tot
         de werkelijkheid terugroepen. Als ontwakend slaat hij de oogen op, ziet
         rond, het voetlicht schittert hem weer als vanouds in de oogen en voor
         eenige oogenblikken vergeet hij alles, alles! ook zijn ellende; de
         artist in hem wordt wakker—hij is »Harpagon de Vrek!”
      </p>
                  <p> Het tooneel met Laflèche, waarin hij diens handen en zakken
         onderzoekt, wordt inderdaad goed—fijn comisch—door hem gespeeld, en
         als hij, in de wijde broekzakken van zijn knecht grabbelend, met
         grappige verwondering uitroept:
      </p>
                  <p> »_Goeie hemel! wat heb jij groote zakken! Magazijnen, rooversholen
         zijn 't; de politie moest zulke zakken verbieden,”
      </p>
                  <p> Gaat er een luid gelach op uit 't parterre.</p>
                  <p> »Hij is toch nog allemachtig komiek,” fluistert een burgerjuffrouw
         haar buurman toe, die met gespannen aandacht zit te kijken en, het
         hoofd even naar haar omwendend, aanmerkt: »Ja, maar hij spreekt toch
         erg onduidelijk; je moet goed opletten, anders versta je 'm niet.”
      </p>
                  <p> »Uitstekend gegrimeerd! Ziet u, mevrouw! daaraan herkent men toch
         dadelijk »den artist"", zegt in de stalles de verslaggever van een der
         bladen tot de naast hem zittende dame, die haar binocle aan de oogen
         brengt, scherp en lang naar Harpagon ziet en dan fluisterend antwoordt
      </p>
                  <p> »'t Is fameus goed gedaan, want zelfs door mijn kijker is de grime
         nog zóó natuurlijk, bepaald alsof 't geheel en al zijn eigen gezicht
         is. Kijkt u zelf maar eens, meneer!”
      </p>
                  <p> »'k Geloof heusch, dat hij er zich goed doorheen werkt, die ouwe
         tooneelrot", zegt glimlachend mevrouw Groote tot den Directeur, die
         naast haar staande, achter »den manteau d'arlequin"[1] verborgen,
         evenals zij, Waltens spel oplettend gadeslaat.
      </p>
                  <p> [1] De draperie, die vóór de zijschermen geplaatst is.</p>
                  <p> »'t Valt me geducht mee", antwoordt Schröder en klapt met zijn
         rechterhand, zachtjes applaudisseerend, in den linker, als hij Harpagon
         het eerste bedrijf hoort sluiten met de ernstig-comisch gezegde
         woorden: »_Wat 'n juweel van 'n knecht!—'n Gelukkig mensch, die er zóó
         een heeft en zóó goedkoop.”
      </p>
                  <p> VI.</p>
                  <p> In 't derde bedrijf wordt het reeds zeer merkbaar, dat de
         beneficiant niet meer voort kan. Uit de loges en stalles ziet menig
         vriend van vroeger hem medelijdend aan en fluistert men elkander toe:
         »Hij is totaal op, méér dan op” en van »'t Schellinkie” klinkt nu en
         dan een afkeurend gesis. Die schellingsklanten willen goed bediend
         worden voor hun geld.
      </p>
                  <p> »Je hoort alles tweemaal, wat die ouwe zeit,” roept er een, die, met
         minder toegefelijkheid dan 't overige publiek, opmerkt, dat Walten zich
         uitsluitend op den souffleur moet verlaten.
      </p>
                  <p> Hoezeer de medespelers ook hun best doen om Harpagon te redden en
         hem, zooals men dat noemt, »er door te sleepen", 't baat niet; hij
         raakt hoe langer hoe meer van streek, verstaat zelfs den souffleur niet
         meer, spreekt allerlei wartaal en weet nu en dan in 't geheel niet meer
         wat hij zeggen moet.
      </p>
                  <p> Mevrouw Groote helpt hem met oneindig veel takt en routine door de
         tooneelen, die zij met hem te spelen heeft heen en gaat eindelijk—een
         vergefelijk iets voor iemand van haar talent en temperament—eenigszins
         knorrig naar haar kleedkamer, omdat Walten geheel en al vergeet, haar
         aan 't einde van dat tooneel terug te roepen. Daardoor mist zij het
         applausje dat zij begeert en zegt zij in zich zelf: »'t Is een treurige
         boel,—'k heb geen lust om er verder naar te zien.”
      </p>
                  <p> In zenuwachtige spanning staan de meesten der medespelende artisten
         tusschen de schermen en zien naar Walten, die achter de deur, waardoor
         hij opkomen moet met het boekje in de hand staat te wachten en trillend
         van inspanning de woorden, die op het tooneel gesproken worden, volgt.
         Eensklaps schreeuwt hij, lezend:
      </p>
                  <p> »_Dieven! dieven! roovers! spitsboeven! moord! brand! alarm, ik ben
         bestolen!” werpt haastig het boek achter zich op den grond en snelt het
         tooneel op.
      </p>
                  <p> Hij moet nu de groote scène spelen, waarin Harpagon, de Vrek, die
         tot de ontdekking is gekomen, dat men hem zijn cassette met geld, zijn
         schat, heeft ontstolen, der wanhoop nabij is en hemel en aarde bewegen
         wil om den schuldige te ontdekken.
      </p>
                  <p> Gejaagd en met verwilderde oogen rondziende, loopt hij heen en weer
         over het tooneel, ziet links en rechts tusschen de schermen, als zocht
         hij dáár hulp; schreeuwt nogmaals luid en akelig: »_Ik ben bestolen.
         Wie heeft mijn geld, mijn lief geldje genomen. Wat moet ik doen om den
         schelm te vinden? Ik ben in de war, ik weet niet of 'k mezelf pakken
         moet of een ander en....” Plotseling blijft hij stokstijf stilstaan,
         spreekt haastig eenige woorden achter elkander en ziet dan zwijgend,
         strak op één punt starend, vóór zich uit, even als iemand die door een
         hevigen schrik bevangen wordt.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> »Dat speelt hij waarlijk niet slecht; 't is wel een zonderlinge
         opvatting, dat plotselinge zwijgen, maar er is toch iets verrassends
         in” zegt fluisterend een dame in 't balcon tot een heer naast haar, die
         even zachtjes antwoordt: »Ik geloof bepaald dat hij blijft steken,
         mevrouw!—kijk, kijk! de souffleur komt bijna geheel zijn hokje uit.”
      </p>
                  <p> »Bedaar Arie, blijf in je pothuis!” roept een stem van boven tot
         Pietersen, die halverwege zichtbaar is geworden en schier luid de
         woorden souffleert: »_nu is het uit met mij; uit, gedaan!”
      </p>
                  <p> »'t Is afschuwelijk om te zien, ja u heeft gelijk, de arme man is de
         kluts kwijt,” fluistert de dame, nu zij ziet hoe Walten, met
         wijdgeopende oogen voor zich uit starend, langzaam een pas voorwaarts
         doet, dan half wezenloos Pietersen aankijkt en werktuigelijk op
         smartelijken toon herhaalt. »_Nu is het uit met mij.”
      </p>
                  <p> »Ik wou dat ik hier van daan was meneer, ik kan 't niet langer
         aanzien, dàt moet een marteling zijn voor dien ouden man” herhaalt de
         medelijdende dame, terwijl zij het hoofd voorover buigt en stipt op
         haar programma blijft kijken.
      </p>
                  <p> Walten slaat zich met de vuist op de borst, trekt zijn pruik van 't
         hoofd en drukt dien voor zijn gelaat.
      </p>
                  <p> »Bravo! Bravo!” schreeuwt lachend van »'t schellinkie” iemand die,
         in die akelig wanhopende beweging »spel” meent te zien en als Walten
         nogmaals dof en droevig herhaalt: »_uit! uit!” klinken zelfs een paar
         bijvalskreten en een licht handgeklap van de overige rangen.
      </p>
                  <p> 't Is erg komiek dat hij zijn pruik aftrekt en 't komt zoo in de rol
         te pas, denkt men eerst, maar al zeer spoedig komt het publiek tot de
         ontdekking dat 't zuiver »natuur” is wat het aanschouwt.
      </p>
                  <p> Harpagon loopt radeloos over het tooneel heen en weer, kijkt in 't
         souffleurshok, zwaait zijn pruik op en neer en slaat er zich mee voor
         't hoofd.
      </p>
                  <p> 't Wordt mis met Walten, hij blijft steken, denkt Pietersen,
         zachtjes zegt hij: »Enfoncé mon Directeur” en, zich zoo ver mogelijk
         oprichtend, roept hij, halfluid: »Walten! Walten! luister dan toch:—
<!-- **** No template for element: i **** -->
            mijn geld, mijn geld, ik word er nog gek van dat 't weg is—alles is
         weg!”
      </p>
                  <p> »_Weg! alles is weg!” herhaalt de oude man en als versteend blijft
         hij staan, vlak voor 't voetlicht; hij beeft aan alle leden.
      </p>
                  <p> Nogmaals schatert een gelach van boven uit den Engelenbak, maar uit
         Balcons, Stalles en Loges en andere rangen gaat een toon van medelijden
         op, zacht ruischend van mond tot mond, van oor tot oor.
      </p>
                  <p> 't Is ook waarlijk niets grappig om daar dien ouden man te zien,
         die, wezenloos voor zich uitstarend, met de vuist zich voor de borst
         slaat, allerlei onverstaanbare woorden prevelt en eindelijk luid
         snikkend uitroept: »ik ben alles kwijt, alles vergeten!”
      </p>
                  <p> »Harpagon” hoort niets meer, verstaat niets meer en wankelt als een
         beschonkene heen en weder.
      </p>
                  <p> »Hij is vet", roept er een van 't »schellinkie.”</p>
                  <p> »Hij heit 'em om, hoor!” gilt een ander.</p>
                  <p> Zelfs die kreten brengen hem niet tot bezinning; nog een paar maal
         opent hij den mond, rukt met de linkerhand zijn halsdoek af, slaat zich
         met de pruik herhaaldelijk in 't gelaat en is op het punt van neer te
         vallen op 't tooneel.
      </p>
                  <p> De muzikanten staan op in 't orchest, en rekken de halzen uit om te
         zien wàt er gebeurt, in de Stalles rijst hier en daar een toeschouwer
         op en uit Balcons, Parterre en Loges klinkt een verward gefluister. 't
         Is alsof plotseling een angstige, gedrukte stemming over alle
         toeschouwers komt—'t wordt stil, men wacht ademloos af wat er verder
         gebeuren zal.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> »Gauw! gauw! een stoel, een glas water gauw!” roept met angstige
         stem een acteur die achter de coulissen Walten heeft gadeslagen, en nog
         juist bijtijds toesnellend den armen man voor vallen behoedt door hem
         onder de armen vast te houden en van 't tooneel te brengen.
      </p>
                  <p> Van alle kanten komen acteurs, actricen, kleedsters en
         tooneelknechts, met nieuwsgierig vragende gezichten aangeloopen en
         omringen »den beneficiant", die hijgend, doodsbleek, met losgescheurde
         kleederen en verwilderde haren op een stoel, in allerijl door Laflèche
         aangebracht, is neêrgevallen.
      </p>
                  <p> Waltens oogen zien verwilderd en dwalend rond; de eene hand,
         krampachtig gebald, houdt nog Harpagons tooneelpruik, samengeknepen,
         vast en de andere woelt met wanhopige bewegingen in de weinige grijze
         haren die zijn kruin bedekken.
      </p>
                  <p> »Ting! ting! ting!” doet de electrische schel, 't is het sein voor
         't begin van 't 5e bedrijf, dat door den inspiciënt van uit de
         regiekamer wordt gegeven.
      </p>
                  <p> »God! 't vijfde,” snikt Walten en werktuiglijk richt hij zich op,
         maar valt dadelijk machteloos terug op den stoel, terwijl hij beide
         handen voor de oogen slaat.
      </p>
                  <p> »Klaar voor 't vijfde?” roept een stem uit de verte.</p>
                  <p> »Neen! neen!” schreeuwt Laflèche terug. »'t Doek moet vallen, roep
         den inspiciënt!”
      </p>
                  <p> Nogmaals beproeft de beneficiant zich op te richten, maar opnieuw
         begeven hem zijn krachten; luid schreiend en snikkend laat hij het
         hoofd vooroverzinken op de borst, als schaamde hij zich voor zijn
         omgeving.
      </p>
                  <p> Als 't beeld van de wanhoop, van de treurigste wanhoop, zit hij daar
         te midden van een groep nieuwsgierigen, die hem met groote, de meesten
         met onverschillige, oogen aanstaren.
      </p>
                  <p> Hostein, Schröder en de régisseur zijn nu, met nog anderen,
         toegesneld en allen vragen dooréén: »Wat is er? Wat is er gebeurd?”
      </p>
                  <p> Er heerscht op 't tooneel een verwarring, die zich allengs verder
         uitbreidt, tot in de kleedkamers en foyers; de inspiciënt komt haastig
         aanloopen, terwijl hij vraagt: »Is er iets niet in orde?”
      </p>
                  <p> »Laat 't scherm vallen, gauw!” roept Hostein, die alles begrijpt, nu
         hij zijn ouden leermeester daar voor zich ziet, ineengezonken en als
         vernietigd.
      </p>
                  <p> »Walten is blijven steken, heeft totaal gebrabbeld,” fluistert
         Laflèche den Directeur toe, en deze herhaalt luid: »Doek vallen,
         dadelijk! En 't orchest laten spelen, totdat er een annonce gedaan kan
         worden!”
      </p>
                  <p> »Hij was niet meer te redden,” fluistert Laflèche, zijn plaats bij
         Waltens stoel inruimend en overlatend aan mevrouw Groote, die haastig,
         in een peignoir, van uit haar kleedkamer is komen aansnellen.
      </p>
                  <p> »Arme kerel! wat is je gebeurd; kom, zeg 't mij maar? Stumperd, snik
         zoo niet?” vleit zij, terwijl zij Waltens hoofd tegen haar boezem doet
         rusten.
      </p>
                  <p> Allen zwijgen, getroffen door den innig medelijdenden toon van
         mevrouw Grootes stem. »Kom!” herhaalt zij, »huil zoo niet, ouwe vrind;
         kom 't zal wel zoo erg niet wezen.”
      </p>
                  <p> »Ik—ik b—ben bl.. blijven st...” Luid schreiend slaat de oude man
         zijn armen om de voor hem staande vrouw en beweegt zijn hoofd,
         zenuwachtig schokkend, heen en weer.
      </p>
                  <p> »Stumperd, stakkerd! ben je blijven steken? Ach Heer! moet je dat nu
         ook nog gebeuren op je ouwen dag?”
      </p>
                  <p> »O God! O God!” kreunt Walten, als plotseling uit de verte een
         verward, steeds luider wordend, gedruisch van stemmen, applaudissement,
         chuteeren en sissen tot zijn oor doordringt.
      </p>
                  <p> »Wat duivel! speelt dat orchest nu nog niet?” schreeuwt de
         Directeur. »Hoor 't publiek eens aangaan.”
      </p>
                  <p> Daar klinkt een vroolijke marsch, die al de andere geluiden
         overstemt.
      </p>
                  <p> Walten krimpt opnieuw ineen, als deden die tonen hem pijn. Mevrouw
         Groote houdt zijn handen vast en fluistert hem in: »Luister er maar
         niet naar, m'n goeierd.—Ja, die muziek is nu erg naar voor je, hé?
         Maar 't kan niet anders. Hier! ruik eens wat Eau de Cologne.”
      </p>
                  <p> Plotseling richt Walten zich op. »'k Moet 't toch uit—spelen—ik
         moet, ik moet en—o! ik weet niets meer, alles is weg, mijn God! alles
         is weg!”
      </p>
                  <p> »Neen, neen, je speelt niet meer van avond; later hoor! later als je
         weer beter bent,” troost mevrouw Groote.—»Luister!—Hostein is voor 't
         voetlicht, de muziek houdt op.—Hoor je wat hij zegt? Dat je door een
         plotselinge ongesteldheid bent overvallen, 't gevolg van treurige
         familieomstandigheden.—Hoor! nou applaudisseeren ze heel zachtjes. Zie
         je, dat wil zeggen: Och! dat's ongelukkig. Neen, hou nou op met
         schreien, dàt kan ik niet zien. Och! 't is zoo erg niet, Walten, zoo
         iets is immers wel meer gebeurd.”
      </p>
                  <p> »Neen! neen!—nooit gebeurd Mevrouw!” snikt de ongelukkige met de
         handen voor 't gelaat.
      </p>
                  <p> De Directeur neemt met Hostein en den régisseur in allerijl
         maatregelen om aan de verwarring een eind te maken. Een der jongere
         acteurs, die toevallig achter[1] is en de rol van »De Vrek” kent,
         verklaart zich oogenblikkelijk bereid »Harpagon” verder te spelen.
      </p>
                  <p> [1] Achter de schermen aanwezig.</p>
                  <p> In een oogwenk is hij, zoo goed en kwaad als 't gaat gecostumeerd en
         gegrimeerd, en vóórdat de toeschouwers eigenlijk recht weten wat ze
         doen of laten moeten, wordt 't laatste bedrijf afgespeeld.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> 't Altijd goedhartige en medelijdende publiek had »de annonce” met
         een gemurmel van medelijden ontvangen, was blijven zitten en bleek
         dermate voldaan over Waltens plaatsvervanger, dat het stormachtig
         bijvalsbetoon aan 't eind van 't stuk den Directeur aanleiding gaf om
         tot den régisseur die, met hem, het spel van den jongen tooneelspeler
         aanzag, te zeggen: »Blikslagers! in dat mannetje zit meer dan ik dacht;
         we zullen hem in de volgende maand »De Vrek” eens geheel en al laten
         spelen.”
      </p>
                  <p> Na de pauseering verlieten drie vierden van de toeschouwers den
         Schouwburg, want een nastukje met »één gelezen rol[1]” er in, is niet
         aanlokkelijk om te zien, en zelfs een talent als dat van mevrouw
         Groote, die de »Dochter van Dominique” uitstekend speelde, was niet
         voldoende om het blijspel te redden.
      </p>
                  <p> [1] Iemand die de ontbrekende rol voorleest.</p>
                  <p> Toen eindelijk alles gedaan was, stonden de Directeur, Hostein en
         mevrouw Groote in de Directiekamer nog een oogenblik te praten. Zij
         waren alle drie nog onder den indruk van het voorgevallene.
      </p>
                  <p> »Jammer, doodjammer, treurig afgeloopen", zei Schröder, en Hostein
         voegde er met een weemoedigen blik bij: »Wat 'n eind voor 'n artist; 't
         is om 't te besterven!”
      </p>
                  <p> »Arme stakkerd!” zei mevrouw Groote, met tranen in de oogen. »We
         hadden nog zóó ons best gedaan bij de vrinden; 't zou zoo'n aardige
         kleine ovatie zijn geweest—en de krans is heel mooi, hé,
         Schröder?”—Zij wees op een grooten lauwerkrans, die op tafel lag, en
         vroeg toen aan Hostein: »Zou je 't couvert er maar niet zoolang
         afnemen. Er zit 'n goeie tweehonderd gulden in; die hadden we nog bij
         mekaâr geklopt.”
      </p>
                  <p> »Geef maar hier Hostein, dan zal ik 't zoolang in mijn brandkast
         sluiten, Walten komt morgen toch met me afrekenen; ik denk zoo tegen
         den middag, dan kom jelui misschien ook wel even hier om hem den krans
         en 't couvert te geven, hé?—'n Kleine troost voor zoo'n grooten val! A
         propos, wie heeft den ouden man thuis gebracht?”
      </p>
                  <p> »Een van de tooneelknechts.”</p>
                  <p> »O, Zoo!”</p>
                  <p> »Waarom deed jij zelf 't niet even Hostein?”</p>
                  <p> »M'n goeie Mevrouw er was geen gelegenheid voor; 't was hier zoo'n
         eeuwige consternatie, ik had hem een oogenblik alleen gelaten in mijn
         kleedkamer, en kwam nog net bijtijds anders was hij stilletjes
         uitgeknepen.”
      </p>
                  <p> »Arme sukkel! ik kon ook niet bij hem blijven,'k moest me kleeden
         voor 't nastukje.—Wou de stakkerd zóó heengaan? Och?”
      </p>
                  <p> »Ja, Mevrouw! Hij wou zich niet eens uitkleeden, 'k heb gauw een
         vigelant laten halen en hem een van de knechts meêgegeven, om zeker te
         zijn dat hij goed thuis kwam.”
      </p>
                  <p> »Zei hij nog wat Hostein?”</p>
                  <p> »Niets, Mevrouw! geen woord, hij was compleet suf.”</p>
                  <p> »Ik ga morgen dadelijk eens naar hem kijken, Schröder.”</p>
                  <p> »Doe dat Mevrouw en vertel hem dan meteen, als 't hem troosten kan,
         dat ik, globaal berekend, behalve 't voorschot dat hij ontving, een
         zeshonderd gulden voor hem disponibel houd. Met de tweehonderd gulden
         die jelui hebt, is 't toch een kleine achthonderd, die hij in 't handje
         krijgt; dáár kan hij zijn dochter een heele poos voor in behandeling
         geven en houdt zelf nog een duitje over. Wat moet die man in 's hemels
         naam beginnen? Een emplooi vinden? Belachelijk! 't Zal weêr opnieuw
         armoe worden; hij is voor niets meer te gebruiken.”
      </p>
                  <p> VII.</p>
                  <p> De dag is aangebroken, een heldere wintermorgen op komst. In 't
         oosten kleurt de kim zich met een roode tint, die langzaam overgaat in
         strepen en vegen van helrood, vlammend goud, dat tusschen de violette
         wolken door schittert en gloort als de vurige voorbode van zonneschijn
         en leven.
      </p>
                  <p> Reeds breken enkele zonnestralen zich baan door de nog nevelige
         lucht en vergulden de sneeuw op boomen en daken, totdat zij krachtig
         genoeg zullen zijn om het vlokkig donzen kleed te doordringen en te
         doen vergaan.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> In Waltens kamer schijnt het licht reeds tusschen en onder de
         gordijnen door en werpt een zwakken gelen schijn over 't bed, waarop
         Annette in diepen slaap verzonken ligt.
      </p>
                  <p> Haar gelaat draagt nog de duidelijke sporen van den doorgestanen
         aanval; zij trekt nu en dan zenuwachtig met de neusvleugels en
         herhaaldelijk stoort een snik haar ademhaling.
      </p>
                  <p> Voor 't bed geknield, met het hoofd vóórover op de armen rustend,
         ligt Walten, nog in 't kostuum van den »vrek", onbewegelijk stil.
         Annettes hand beweegt zich even en raakt zijn hoofd; hij ontwaakt er
         niet van.
      </p>
                  <p> De zon komt hooger, 't wordt al lichter en lichter; de schoone,
         frissche, vroolijke wintermorgen is dáár. Een heldere zonnestraal
         verlicht, tusschen de gordijnfranje door, Waltens grijzen kruin; ze
         hecht kleine, tintelende lichtpijltjes aan zijn verwarde haren en
         glijdt verder voort, over en langs hem heen tot op den vloer, waar ze
         een goudachtigen schijn spreidt over zijn hoed en overjas, die daar bij
         elkander liggen, als had de oude man ze bij zijn t'huiskomst, in der
         haast neergeworpen.
      </p>
                  <p> Zóó was het ook.</p>
                  <p> Terwijl alles op 't tooneel in rep en roep was en Walten alleen in
         Hosteins kleedkamer zat vloog hem het bloed met geweld naar het hoofd,
         dat gloeide en brandde, alsof daarbinnen alles verteerde in vuur en
         hitte. Toen stroomde het plotseling terug en deed zijn hart
         onrustbarend snel en hevig kloppen; hij huiverde en rilde, 't klamme
         zweet brak hem uit en beurtelings werd hij koud en warm, totdat een
         krampachtig, zenuwachtig lachen, hem benauwd en angstig ontsnapte.
         Slechts één gedachte kon hij in zijn brein verwerken: »Hij, Walten! de
         eens zoo gevierde kunstenaar, was gevallen, weg, verloren! voor
         altijd!” Hij lachte en snikte en sloeg zich met de vuist voor 't hoofd;
         eensklaps greep hij zijn overjas en hoed en wilde den schouwburg
         verlaten.
      </p>
                  <p> Hostein hield hem tegen, bracht hem in een rijtuig en hij.... hij
         liet alles met zich doen; zijn wilskracht was verlamd. Zonder dat hij
         't eigentlijk zelf wist, hoe, kwam hij thuis; de tooneelknecht bracht
         hem de trap op naar zijn woning en verliet hem voor zijn deur met een
         »van harte 't beste meheer Walten!”
      </p>
                  <p> Bevend en wankelend als een dronken mensch trad hij binnen.</p>
                  <p> De vrouw, die bij Netje oppaste, dommelde op haar stoel, hij zag
         haar zitten, flauw verlicht door een nachtlichtje, dat, in een glas met
         olie brandend, op tafel stond.
      </p>
                  <p> Ze ontwaakte, toen hij naderde, rekte zich geeuwend uit, zag hem
         lodderig aan en vroeg: »Is uwes daar; veel pleizier gehad?”
      </p>
                  <p> Verder kwam zij niet, want heesch en afgebroken, met een stem die
         uit de diepte scheen te komen, zei hij plotseling: »Je kunt—wel
         heengaan—ik—blijf thuis.” Hij zag haar niet aan bij die woorden; hij
         schaamde zich voor die vrouw!
      </p>
                  <p> Haastig wierp hij de deur achter de vertrekkende dicht, deed zijn
         overjas uit, smeet die, naast zijn hoed, op den grond en toen.... toen
         bleef hij een oogenblik gebogen staan over 't bed, kuste zijn dochter
         zachtkens op haar wang en zonk langzaam met een zwakken kreet op de
         knieën voor 't ledikant.
      </p>
                  <p> »Morgen heb ik toch 't geld,—voor jou,” fluisterde hij en drukte
         zijn brandende oogen tegen haar op 't dek rustende hand.
      </p>
                  <p> Een poos bleef hij zóó in die houding, roerloos en stil, maar
         eensklaps richtte hij het hoofd hoog op, snikte krampachtig, twee, drie
         malen, achter elkander luid en hevig en liet, als ter dood toe
         vermoeid, zijn hoofd voorover op zijn armen vallen.
      </p>
                  <p> Zóó bleef hij liggen.</p>
                  <p> 't Nachtlichtje brandde flauw en begon te kwijnen; de olie in 't
         glas was verbrand, 't pitje spatterde met korte kleine, heftige knallen
         en streed al knetterend om zijn leven. Een paar malen nog lichtte het,
         met een zwakken weêrschijn, van de opflikkerende vlam, door 't
         vertrek—en toen ging 't uit.
      </p>
                  <p> Een benauwende, vettig riekende damp verspreidde zich in de kamer;
         hij merkte het niet, maar Netje begon in haar slaap zachtkens te
         hoesten en ontwaakte eindelijk met een kleine kuch.
      </p>
                  <p> »Vader, ik heb dorst!” riep zij zwakjes en tastte in 't duister met
         haar hand om zich heen; ze raakte het hoofd van den ouden man even aan,
         streelde zacht over zijn haren en vroeg: »Slaap je, vader?”
      </p>
                  <p> Geen antwoord.</p>
                  <p> »Och! hij slaapt,” herhaalde zij, als in zichzelf, wendde zich om en
         dommelde weer in.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> »Niet ankomme! M'n goeie mensch, brand je vingers niet; eerst mot de
         polisie er bij weze. Groote Gerritje! wat 'n geval,” roept juffrouw
         Daters, die met haar dikke buurvrouw Jaling en een aantal andere buren
         in Waltens kamer staat bij 't bed waarop de oude man, nog onbeweeglijk
         in dezelfde houding, ligt.
      </p>
                  <p> 't Venster is geopend, en de vroolijke winterzonneschijn verlicht,
         tot in de kleinste hoeken, het armoedige vertrek. Netje is door de
         werkvrouw, die doodsbleek en verschrikt bij haar staat, in de haast,
         met den fluweelen koningsmantel omhangen en zit wezenloos naar haar
         bloote voeten te kijken, die onder uit haar nachtjapon steken.
      </p>
                  <p> »Goeie genadigheid! wat zal dat schepsel 'n kouwe voete krijge,”
         zegt een van de buurvrouwen, doet haar bonten boezelaar af en wikkelt
         Netjes voeten daarin, met de woorden: »Hoe kan je zoo'n schepsel nou
         zóó op 'n stoel zetten?”
      </p>
                  <p> »'k Was al blij, dat ze zat; 't was me ook een geschiedenis,”
         antwoordt de werkvrouw, en tot Annette gewend, vraagt ze: »Zit je zóó
         goed, kind?”
      </p>
                  <p> »Och! ze antwoordt niet; ze schijnt toch ook wel te hebbe begrepe,
         dat ie....”
      </p>
                  <p> »Blijf jelui nou toch met je handen van 'm af! Hij mot blijve legge
         zoo as ie leit, anders heb je 'r gedoe mee. Is er nou al iemand om de
         polisie?” vraagt nogmaals vrouw Daters.
      </p>
                  <p> »Jawel! Pieterse haalt 'n agent,” antwoordt de werkster.</p>
                  <p> »Zouën we den stakkerd toch maar niet liever op 't bed legge of op
         'n stoel zette?” zegt juffrouw Jaling, maar een van de buren roept
         dadelijk: »Hoor die dikke nou? Wel nee! da's teugens de wet!”
      </p>
                  <p> »Maar 'k zou toch zeggen, dat....”</p>
                  <p> »Och, mensch! schei uit; hij leit immers goed zóó. Groote Goedheid!
         de schrik zit me nog in me knieën.” Juffrouw Daters gaat even op een
         stoel zitten en vervolgt tot de anderen, die nieuwsgierig toekijken:
         »Wat zeg jelui er wel van? Wat ken 'n mensch er toch gauw uit weze!”
      </p>
                  <p> Verschillende uitroepen en deelnemende woorden, dooreen geuit en
         daardoor onverstaanbaar, geven 't antwoord op juffrouw Daters' vraag.
      </p>
                  <p> »Dat gekke meissie ziet er waarachtig uit als een prinses, met die
         mooiïgheid om,” fluistert een van de omstanders tot een ander, die
         doodkalm antwoord: »'t Is wat moois, 't lijkt wel niks.”
      </p>
                  <p> »O! daar komt de agent met den hokkebaas!” klinkt het plotseling bij
         de deur.
      </p>
                  <p> De bewoner van het onderstuk en een agent van politie, op den voet
         gevolgd door meerdere buren en nieuwsgierigen, die elkander stompend,
         duwend en vloekend op de trap en in 't portaal verdringen, komen de
         kamer in.
      </p>
                  <p> »Laat meheer de agent door, menschen!” roepen verschillende stemmen.</p>
                  <p> »Wat is hier te doen?” vraagt de politieman.</p>
                  <p> »'n Dooie, meheer de agent!” zegt juffrouw Daters, en haastig voegt
         zij er bij: »Zóó morsdood naast 't bed gevonde bij dat gekke mensch; we
         binne d'r niet ân geweest; hij leit nog net persies as ie lei.”
      </p>
                  <p> »Hoe lang ben jelui hier al?”</p>
                  <p> »'n Groot kertier, meheer!”</p>
                  <p> »En heb jelui dien man zóó laten liggen?”</p>
                  <p> »We hebben d'r geen hand an gehad!”</p>
                  <p> »Dat's dom genoeg. Misschien is hij niet eens dood!”</p>
                  <p> »Niet? Nou, as 'n pier hoor,” roept een man, die achter in de kamer
         staat. »'k Heb 'm evetjes over z'n hoofd gevoeld en an z'n hande
         gepakt: hij is al koud en stijf.”
      </p>
                  <p> »Allo! pak eens meê aan; we zullen zien.” De hokkebaas en een paar
         anderen tillen met den agent het lichaam van Walten op, om het op 't
         bed neer te leggen.
      </p>
                  <p> »Hij is waarachtig al zoo goed als stijf,” zegt de hokkebaas,
         terwijl hij met eenige moeite Waltens armen buigt en over de borst
         legt, terwijl de anderen het lichaam een horizontale richting doen
         aannemen.
      </p>
                  <p> »Zoo! Leg het laken nou maar zoolang over hem heen, maar laat zijn
         gezicht vrij.”
      </p>
                  <p> »Hij is dood, meheer de agent, 'k versikureer 't je. 'k Heb zooveel
         dooien gezien van m'n leven. Dek z'n gezicht maar gerust toe,”
         antwoordt de hokkebaas en een derde legt een tip van 't laken over 't
         gelaat van den ouden man, dat met de half gesloten oogleden, nu 't
         volle zonlicht er op schijnt, een vreemde, akelige uitdrukking krijgt,
         door 't »schmink” en de onafgewasschen grimeerlijnen.
      </p>
                  <p> »Wat ziet ie er raar uit: z'n gezicht is beschilderd!” roept er een
         uit den hoop.
      </p>
                  <p> »Wie is 't?” vraagt de agent.</p>
                  <p> »Hij hiet Walten en speulde op de kemedie,” antwoordt de hokkebaas.
         »Zeg!” hij wendt zich tot de werkvrouw, die naast den stoel van Annette
         staande, zwijgend toekijkt, »zeg! jij zelt er wel 't fijne van weten?”
      </p>
                  <p> »'k Zal 't uwe vertellen, meheer de agent,” antwoordt de vrouw, en
         tot een van de buren gewend: »Let jij ereis op die stumperd, dan zal ik
         zeggen wat 'r gebeurd is.”
      </p>
                  <p> »Wie ben jij?”</p>
                  <p> »Ik ben hier zooveul als oppaster, weet u? En hij is Walten, die
         vroeger kemiekert is geweest an den Schouwburg; daarvan heit ie nou nog
         die korte broek an. Hij is gustere avend thuis gekomme; hij had z'n
         benefiesie gespeuld, weet u?—Gut, meheer! ik bin 'r nog besturve van;
         zoo'n geval! Ja mensch! hij was wel al lang krukkerig, maar zoo sebiet
         is toch....”
      </p>
                  <p> »Laat een van jelui gauw een dokter halen! En vertel jij geregeld
         wat 'r gebeurd is.”
      </p>
                  <p> Niemand verroert zich, want allen willen hooren »hoe 't geval
         eigenlijk in mekaar zit”. Daarom herhaalt de agent: »Allo, gauw!” en
         een van de naastbijstaanden op den schouder tikkend, zegt hij: »Ga jij
         dan maar; op de Prinsengracht, hier dichtbij, woont een dokter.”
      </p>
                  <p> Brommend verwijdert zich de man.</p>
                  <p> »En nou verder. Hoe heet jij?”</p>
                  <p> »Ikke? Grietje Bruin!”</p>
                  <p> De politieman noteert dien naam, en als de werkster dat ziet, vraagt
         zij angstig: »Ik kan d'r toch geen kwaad bij?”
      </p>
                  <p> »Neen! ga gerust je gang; ik schrijf alleen je naam op voor 't
         proces-verbaal.”
      </p>
                  <p> »'k Weet van die dinge niet af, want 'k bin 'n fatsoenlijke vrouw,
         ziet uwee, en ik zal met 'n woord van waarachtigheid getuige wat 'k
         gezien heb.”
      </p>
                  <p> »Vooruit dan, vrouwtje!”</p>
                  <p> »Van morgen was ik 'n beetje later dan anders, 'k heb zelf nog 'n
         huishouwe, en daardoor kwam ik eerst teuges 'n uur of twalef, en ik
         dacht ook zoo bij m'n eige: hij is gustere-avend in de pret geweest van
         z'n benefiesie en zal misschien 'n glaassie wijn gedronke hebbe: hij
         zal wel lang slape. Nou kom ik zoo, eve voor twaleve, toevallig gelijk
         met Pietersen, hier voor de deur.”
      </p>
                  <p> »Ho! Pietersen, wie is dat?”</p>
                  <p> »Kan uwee dien niet? En hij heit je nogal gehaald,” roept vrouw
         Daters, en juffrouw Jaling voegt er bij: »Hij is 'n mirakel van 'n
         vent, 'n sefleur, en....”
      </p>
                  <p> »Stilte! laat die vrouw verder vertellen.”</p>
                  <p> »Ik zeg zoo: Pieterse, wat kom jij doen? Ik, zeit ie, ik kom m'n
         drie gulde hale voor gustere-avend, ik heb gesefleurd.—Was 't mooi?
         zeg ik zoo vragender wijs.. Mooi? zeit hij toen. Mooi? 't Was 'n...
         Nou, toen zei ie 'n Fransch woord, dat ik niet verstond, maar ik
         begreep dat ie wat miserabels bedoelde. Toen klop ik an. Geen antwoord;
         toen klopt hij an. Ook geen antwoord. 'k Prebeer of de deur ope is.
         Jawel hij was niet op slot. Wij same na binne. Goeie God! ik dacht, dat
         ze allebei sliepe.—'k Vond 't wel raar, dat ie nog zóó in z'n konstuum
         lei, maar ik dacht er niks niet bij.”
      </p>
                  <p> »Verder!”</p>
                  <p> »Toen mocht ik zoo roepen: meheer Walten, 't is twalef uur. Maar zij
         werd er wakker van, en hij niet; zij was weêr zoo wat bij d'r
         posetieve,—maar hij was dood; dat morken we, omdat ie volstrekt geen
         aassem meer gaf, op wat we zeië. Pieterse mork 't 't eerst en zei weer
         wat op z'n Fransch, ziet uwee; dat wou zooveel zegge as: hij is uit z'n
         lije. Z'n dochter riep: vader! vader! En daarom zei ik
         natuurlijkerwijs: je vader is zekers dood, kind, voel maar: hij is zoo
         koud as ijs. Toen gilde ze evetjes en is dáár gaan zitte en dáár zit ze
         nou nog.—Ik was erg geschrokke en gooide 't raam ope, om de bure te
         roepe, en toen is Pieterse gegaan om uwee te hale.”
      </p>
                  <p> »Zoo! en waar is die man dan nu?”</p>
                  <p> »Da' kan 'k u niet zegge; op avontuur is ie van verbouwereerdheid
         weggeloope, of uit z'n eige zelve naar 'n dokter gegaan.—Pieterse is
         nogal gevat, weet u?”
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Eenige oogenblikken later klinkt onder aan de trap een verward
         gedruisch van stemmen en eindelijk hoort men de woorden: »Menschen,
         gaat wat op zij; daar komt 'n dokter an. Laat de heeren passeeren!”
      </p>
                  <p> Geleid door Pietersen, die niets beters had weten te doen dan
         onmiddellijk naar mevrouw Groote, zij woonde in de nabijheid, te
         snellen, komt de actrice—die juist gereedstond om uit te gaan, te
         gelijk met een dokter, dien zij onder weg hadden ontmoet in zijn
         koetsje en staande gehouden, de kamer binnen.
      </p>
                  <p> Alle aanwezigen wijken ter zijde voor het drietal, dat 't bed
         nadert, waarop Walten is neêrgelegd.
      </p>
                  <p> »Hou jelui stil—St!—'t is de dokter", zeggen fluisterend eenige
         buren.
      </p>
                  <p> Men kan een speld hooren vallen, als de medicus, naast het ledikant
         staande, het laken oplicht en na een langen blik op Waltens gelaat te
         hebben geworpen, kortaf zegt: »Dood?”
      </p>
                  <p> Hij onderzoekt plichtshalve het lijk, en na eenige oogenblikken van
         spannende stilte, wendt hij zich tot mevrouw Groote, die herhaaldelijk
         haar zakdoek aan de oogen brengt en met een innig medelijdenden blik op
         den »Harpagon” van gisteren neerziet:
      </p>
                  <p> »Hij is dood, mevrouw! waarschijnlijk al voor een uur of tien
         overleden.”
      </p>
                  <p> »Wat zou hem gescheeld hebben, dokter?” Mevrouw Groote wischt zich
         de tranen van de wangen.
      </p>
                  <p> »'k Vermoed een plotselinge stilstand van 't hart, hij heeft NIET
         geleden.”
      </p>
                  <p> »Niet geleden? O, dokter! dáár zegt u iets, dat.....” Snikkend buigt
         zij zich over het lijk, drukt zachtkens haar lippen op Waltens ijskoud
         voorhoofd, en terwijl zij den tip van het laken voorzichtig weer over
         het gelaat van den doode legt, zegt ze weêmoedig zacht:
      </p>
                  <p> »_Hij is op 't veld van eer in 't harrenas gestorven.”[1]</p>
                  <p> [1] Vondel, Gijsbrecht.</p>
                  <p> —»Arme ouwe vrind!”</p>
                  <p> Pietersen, die weenend aan de andere zijde van het bed staat, neemt
         langzaam zijn roodkatoenen zakdoek van voor zijn gelaat, ziet ernstig
         naar den doode en fluistert: »Den krans van gisterenavond zullen we nu
         toch nog voor je gebruiken, mon pauvre Prince, Adieu! En luider vraagt
         hij: Mevrouw Groote! wat moet er nu van haar—hij wijst op
         Annette—worden?”
      </p>
                  <p> »Breng haar maar zoolang bij mij aan huis, Pietersen; wij zullen
         zorgen, dat ze in een gesticht komt. Hij”—en zij legt even haar hand
         op 't lijk—»hij heeft het geld er voor, zuur genoeg, verdiend.”
      </p>
               </level3>
               <level3>
                  <h3>
			                  <a id="a1_0_3">EEN MASSAGEKUUR.</a>
		                </h3>
                  <p/>
                  <p> EEN MASSAGEKUUR.</p>
                  <p> I.</p>
                  <p> Freiherr von Hattersdorff zu Wiesenbrück was met een tamelijk goed
         pensioen en een aanmerkelijke hoeveelheid heupjicht uit den
         Pruissischen krijgsdienst getreden en logeerde met zijn corpulente
         »Frau Gemahlin” en zijn »Fräulein Tochter,” een spichtige,
         achtentwintigjarige, groezelige blondine, met de bevallige vormen eener
         asperge, sedert eenige weken te Wiesbaden, om daar, indien mogelijk,
         zooal niet genezing, dan toch verlichting voor zijn pijnlijke kwaal te
         vinden.
      </p>
                  <p> Iederen morgen om halfzeven kon men geregeld het drietal bij den
         »Kochbrunnen” vinden. Papa zette voortdurend een gezicht als een
         oorwurm en kneep de lippen opeen, waarover elke vijf minuten een
         »Himmeldonnerwetter” scheen te zullen rollen, indien hij ze opende
         onder den stoppeligen, grijzen knevel. Met de eene hand leunde hij op
         den omvangrijken arm van zijn geduldige gade en met de andere op een
         stok, die, minder onwillig dan zijn rechterheup, hem eenige verlichting
         en gemak bij het gaan bezorgde. Driemaal, vóórdat de klok in de
         Kurhalle acht uren sloeg, opende hij zijn aan Rijnwijn en Beiersch bier
         gewenden mond, om met echten heldenmoed een groot glas warm
         Kochbrunnenwasser te verzwelgen, echter niet zonder bij iedere teug de
         woorden: »Grässlich,” »Abscheulich” of »Verdammtes Zeug” te doen
         hooren.
      </p>
                  <p> Mama dronk eveneens van het zilte vocht, terwijl zij de zoete hoop
         koesterde om gedurende de badkuur van den Overste eenige kilo's aan
         gewicht te verliezen; en »Fräulein Tochter” slurpte met een paar
         bleeke, spitse lipjes uit een glazen pijpje hetzelfde heilzame nat,
         omdat zij wel eens had gehoord, dat 't Wiesbadener water dikker maakte
         en voordeelig op tint, bloedarmoede en huidvlekken werkte.
      </p>
                  <p> 't Scheen inderdaad, alsof het geneeskrachtige water gezegend
         werkte, want de oude krijgsheld begon eenige verlichting te bespeuren.
         Na 't gebruik van een tiental warme baden en ongeveer zesmaal zooveel
         glazen bronwater, liep hij iets minder moeielijk en sleepte zich
         langzaam aan naar de beroemde table-d'hôte in 't Hôtel Dahlheim. Met
         een zucht van verlichting, nam hij plaats aan tafel en een glimlach van
         innig welgevallen verhelderde zijn gelaat, toen hij zijn min of meer
         rooden neus en grijzen knevel weer voelde doortrekken met de geuren van
         allerlei spijs en gebraad.
      </p>
                  <p> Op zijn kamers—hij woonde met de zijnen in een bescheiden »Hôtel
         Garni”—leefde hij uiterst eenvoudig, maar toen het drietal de table
         d'hôte weer kon bezoeken, bewezen zij eenparig, dat zij voor meer
         uitgebreide diners ook iets voelden en voor de drie Mark, die zij per
         hoofd verteerden, het noodige wilden genieten, al was 't dan ook maar
         om den hôtelier de eer te geven die hem toekwam.
      </p>
                  <p> Met onbegrijpelijke virtuositeit verwerkte, zoowel de
         asperge-achtige jonge dame, als de meer bolvormige mama, groote
         hoeveelheden gekookte en gebraden spijs. Papa, die waarschijnlijk het
         geldelijke evenwicht voor den hôtelier wilde bewaren, at weinig maar
         dronk des te meer en verklaarde elken middag aan het dessert, als hij
         met glimmend voorhoofd en kleine oogjes, na de boter en kaas, het
         laatste teugje uit zijn glas dronk en zijn grijzen knevel met zijn
         servet afwischte, dat »der Wein famos,—das Wasser vom Kochbrunnen
         aber, unter der Kanone teufelmässig, niederträchtig gemeines Zeug” was.
      </p>
                  <p> Reeds op den eersten dag had de kolonel zijn aanvankelijke
         beterschap met een flesch Rijnwijn, gesteund door een flesch ouden
         Bourgogne en geholpen door een Hochheimer-mousseux, waarvan Mama en
         dochter echter ook het hare kregen, begroet en nu ging hij voort met
         iederen dag die beterschap opnieuw te herdenken, afwisselend met Nuits,
         Château la Rose of Johannisberger, die hem na 't diner steeds een
         hoogere gelaatskleur, een slaapje en bij 't ontwaken een knorrige luim
         bezorgden.
      </p>
                  <p> 't Duurde niet lang of de Ischias, die in den beginne voor 't in-en
         uitwendige water de vlucht had willen nemen, kon de uitnoodiging van
         zijn vrienden Bourgogne en Rijnwijn, om weerom te komen, niet
         weerstaan, en de Overste zat, na een dag of veertien table d'hôte, op
         een morgen in zijn kamer »als een blok” in zijn stoel en met zijn hand
         op de heup te kermen.
      </p>
                  <p> Een dag later brulde en tierde hij zóó geweldig, dat Mama uit
         medelijden tranen met tuiten huilde en Fräulein Tochter het op haar
         zenuwen kreeg, doordien zij de meer dan ordinaire soldatenvloeken van
         haar lieven papa niet langer kon aanhooren zonder zichzelve erg
         onfatsoenlijk te vinden.
      </p>
                  <p> »Himmelhöllenhund Sakrement! dat's te erg. Schwefelelement! laat een
         dokter komen!” bulderde de Overste met een stem, als stond hij voor
         zijn bataillon.
      </p>
                  <p> »Maar welken dokter, lieve man?” vroeg sidderend mevrouw.</p>
                  <p> »'t Dondert niet! den eerste den besten,—maar niet zoo'n ouwen
         pruik, zoo'n lapzalver; ik moet er een van de nieuwe richting, een
         specialiteit heb... Au! Schwerenoth! 'k word nog gek van de pijn. O,
         sakkrrrement! die satansche heup,” schreeuwde de Overste tot ergernis
         van zijn dochter, die met trillende lippen hem toevoegde:
      </p>
                  <p> »O! papa, u bezondigt je heusch!”</p>
                  <p> »Dat's wel mogelijk!—maar 't kan me niet schelen. Au!
         Himmeldonnerwetter!”
      </p>
                  <p> Mama schelde vol angst den kellner en verzocht hem den eersten den
         besten dokter te doen roepen.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Een paar passen verder in de straat dan het Hôtel Garni stond op een
         koperen naamplaat aan den deurpost van een bescheiden woonhuis:
      </p>
                  <p> »Dr. Otto Druff, Special-Artz für Massage, etc.”</p>
                  <p> De kellner wipte met zijn servet over den arm de stoep van het hotel
         af, dien van den dokter op en stond een oogenblik later tegenover den
         medicus, een knap, vriendelijk man, met een gunstig uiterlijk, die hem
         op zijn vraag: »Dokter, of u dadelijk in ons Hôtel wil komen? Overste
         von Hattersdorff zu Wiesenbrück, heeft zoo'n verschrikkelijken aanval
         van jicht, op No. 26,” onmiddellijk antwoordde:
      </p>
                  <p> »Zeker, zeer gaarne!” En toen hij vroeg: »Ik versta je immers goed:
         't is Overste von Hattersdorff?” schitterde er plotseling iets in het
         oog van den dokter, dat men voor boosaardige vreugde had kunnen houden,
         indien men niet wist, dat medici gewoonlijk ver boven deze minder edele
         aandoening verheven zijn.
      </p>
                  <p> »Ik kom oogenblikkelijk; in tien minuten ben ik bij den Overste.”</p>
                  <p> »Uitstekend, Dokter!”</p>
                  <p> II.</p>
                  <p> Een bescheiden tikje klonk op de deur van No. 26.</p>
                  <p> Twee dames, die eensklaps opsprongen, riepen te gelijk: »Binnen!”</p>
                  <p> Op den drempel verscheen de dokter en boog.</p>
                  <p> »O! U is zeker de dokter? Kom binnen, als 't u blieft! O, mijn man
         heeft zoo verschrikkelijk naar u verlangd,” zei de zenuwachtige, dikke
         dame, en haar spruit voorstellend, voegde zij er bij: »Mijn dochter
         Ildegard,—ook 'n beetje nerveus, want papa is inderdaad half razend en
         erg, heel erg ongemakkelijk door de pijn.”
      </p>
                  <p> De dokter boog even voor de spichtige Ildegard, die zeer voornaam
         een nijging maakte, en terwijl zij uit haar zeegroene oogen een
         schaamachtig onderzoekenden blik op Dr. Otto Druff sloeg, zuchtte zij
         in stilte: »O! wat 'n lief mensch schijnt dat te zijn.”
      </p>
                  <p> »Mag ik u verzoeken, Dokter? Mijn man is in de slaapkamer.”</p>
                  <p> »Gaarne, Mevrouw!”</p>
                  <p> De Overste lag in schuinsche houding in een fauteuil en kermde,
         vloekte en raasde afwisselend.
      </p>
                  <p> »Herr Oberst!”</p>
                  <p> »Herr Doktor!”</p>
                  <p> Een paar minuten keek Aesculapius den kranken Mars oplettend aan.
         Toen hij hem goed had opgenomen en bekeken, flikkerde het vonkje
         boosaardigheid weer een ondeelbaar oogenblik in des dokters oogen en
         bewogen zijn lippen zich onmerkbaar tot een glimlach, terwijl hij met
         deelnemende stem vroeg:
      </p>
                  <p> »U lijdt zeker ontzaglijk veel, Overste?”</p>
                  <p> »O! om er helsch van te worden, Dokter!”</p>
                  <p> »Maar lieve man!”</p>
                  <p> »O foei, Papa!”</p>
                  <p> »Wees zoo goed eens even op te staan.”</p>
                  <p> »Opstaan?” De kolonel zag den dokter aan, als wilde hij zeggen: Man!
         ben je dol? en herhaalde: »Opstaan?—Onmogelijk!”
      </p>
                  <p> »'t Moet, Overste; anders kan ik niet oordeelen over den toestand
         van uw been en heupgewricht. Mag ik u dus verzoeken?” Kermend en
         klagend werkte de Overste zich langzaam met groote inspanning een eind
         omhoog, totdat hij met dikke angstdroppels op 't voorhoofd, op één been
         balanceerend, met beide handen op den fauteuil leunend, den medicus
         smeekend aanzag.
      </p>
                  <p> De dokter greep snel den kranken voet, rukte dien met geweld naar
         beneden en bewoog daarna het been krachtig heen en weer, zoodat de
         Overste doodsbleek werd en bijna flauw van pijn, met een zacht kermend:
         »Jezus-Maria-Joseph", in den stoel terugzonk.
      </p>
                  <p> Mevrouw was bij dit tafereel achter in een hoek van de kamer gaan
         staan, om haar tranen den vrijen loop te kunnen laten, en de dunne
         Ildegard zweefde nader, ten einde papa's kloppende slapen met wat Eau
         de Cologne te wasschen. Medelijdend hield zij den zachtkreunenden
         lijder haar batisten zakdoekje onder den neus, totdat de dokter op
         bevelenden toon zei: »Komaan! kleed u nu maar eens uit.” Toen nam zij
         de vlucht, en terwijl zij beproefde te blozen, wierp zij een
         vernietigenden blik op den aesculaap, als wilde zij zeggen: »Zulk een
         woord in mijn bijzijn...? Foei, mijnheer, foei!”
      </p>
                  <p> Mama nam Ildegards plaats in en hielp haar gemaal bij 't ontkleeden
         zijner extremiteiten, totdat de dokter zei: »Zóó is 't genoeg.—Ga nu
         eens voorover op uw bed liggen; dan zal ik u onderzoeken, Overste.”
      </p>
                  <p> Met zaakkundige hand bevoelde en betastte de medicus 't been, 't
         heupgewricht en den rug van den lijder en zei toen, langzaam en met
         klem:
      </p>
                  <p> »Overste, u kan geheel genezen, maar alleen op twee voorwaarden.”</p>
                  <p> »Zoo! En die zijn, Dokter?”</p>
                  <p> »1º. Totale onderwerping aan het diëet, dat ik u voorschrijven zal.”</p>
                  <p> »2º. Moed om een pijnlijke behandeling te ondergaan. U heeft toch
         moed?”
      </p>
                  <p> Een flauwe glimlach omspeelde de lippen van den krijgsman, toen hij
         antwoordde:
      </p>
                  <p> »Moed?—Ik ben soldaat, Dokter!—Maar aan pijn heb ik een verd.mden
         hekel. Moet ik soms geopereerd worden?—Ga je gang maar, Dokter; maar
         dan onder chloroform, asjeblieft.”
      </p>
                  <p> »O God—neen! niet snijden!” steunde mevrouw, doodsbleek wordend.</p>
                  <p> Uit de andere kamer klonk een klein gilletje; 't sleutelplaatje viel
         plotseling neer voor 't slot der porte-brisée, waardoor ten
         duidelijkste bleek, dat Ildegard uit de andere kamer door 't sleutelgat
         de treurige groep had bekeken en alles had gehoord en verstaan.
      </p>
                  <p> »Snijden?” vroeg de dokter lachend. »Geen kwestie van,
         Mevrouw!—Wrijven, masseeren, volgens de methode van Dr. Mezger uit
         Amsterdam; ik ben specialiteit in de massage; 't is het eenige middel,
         waardoor mijnheer uw echtgenoot kan herstellen.”
      </p>
                  <p> Een zucht van verlichting ontsnapte den krijgsman, terwijl hij nog
         steeds vooroverliggend, met zijn hoofd schuins op het kussen, in zijn
         baard bromde: »Anders niet? Maakt de kerel daar zoo'n drukte over?”—en
         luid voegde hij den dokter toe: »Dan maar dadelijk, Dokter; hoe eerder,
         hoe beter. Knijp dan maar!”
      </p>
                  <p> »Uitstekend, Overste; we kunnen dadelijk beginnen”. De dokter trok
         zijn jas uit, ontdeed zich van zijn vest, en toen Mevrouw von
         Hattersdorff verschrikt vroeg: »Dokter, u gaat u toch niet uitkl...?”
         viel hij haar lachend in de rede met: »Pardon! ik maak 't me alleen
         maar wat gemakkelijker; er is nog al kracht noodig voor zoo'n massage.”
         Druff knoopte zijn manchetten los, stroopte zijn hemdsmouwen op, toonde
         een paar buitengewoon zwaar gespierde armen en vroeg: »Heeft u ook een
         weinig zoete olie, Mevrouw? 'k Gebruik anders cold cream, maar de
         Overste ligt nu zoo goed in positie, dat ik....”
      </p>
                  <p> »O! Dokter, mijn dochter heeft toevallig cold cream op haar
         toilet.—Ildegard! geef de cold cream eens!”
      </p>
                  <p> De porte-brisée werd zoover geopend, dat Ildegard, die nog
         voorzichtigheidshalve de eene hand voor haar kuische oogen hield, de
         andere met het potje cold cream er in, om het hoekje kon steken,
         terwijl zij fluisterde: »Hier, Mama!”
      </p>
                  <p> »Als 't u blieft, Dokter!”</p>
                  <p> »Dank u!—Leg u nu een weinig op de linkerzijde, Overste. Wacht! ik
         zal u helpen; zoo!”
      </p>
                  <p> »Au!—Autsch!—O! Sakkerrrrr!”</p>
                  <p> »Kalm maar aan, Overste! Zoo—oo—oo! nog een eindje. Mooi! nu zijn
         we er; houd u nu maar rustig. Zoo—oo!”
      </p>
                  <p> »Wil ik ook liever weggaan, Dokter?”</p>
                  <p> »Neen, Mevrouw! Ik wilde gaarne, dat u hier bleef; er mag wel iemand
         bij zijn, om zoo noodig nog eens te kunnen helpen en dus....”
      </p>
                  <p> »Goed, Dokter; best!”</p>
                  <p> »Dat doet u geen pijn, niet waar, Overste?” vroeg Dr. Druff, terwijl
         hij met snelle bewegingen zijner rechterhand de heup, het dijbeen en de
         kuit van den lijder rijkelijk met cold cream inwreef.
      </p>
                  <p> »Integendeel, dat doet me goed; 't is aangenaam. Als je zóó
         doorgaat, Dokter, dan.... Au! Himmelhöllensakrement—Au!—Hou op!—Hou
         op! Neen, Dokter, zóó niet; in Godsnaam schei uit: ik word onwel!”—De
         Overste rilde over zijn geheele lichaam als een juffershondje, want de
         medicus had plotseling met een forschen greep, het zieke heupgewricht
         onder handen genomen en masseerde de pijnlijke plaatsen naar alle
         regelen der kunst.
      </p>
                  <p> »O, Dokter, dat is heusch niet om aan te zien; dat is een
         afschuwelijke marteling,” snikte mevrouw, toen zij zag, dat na een
         tiental minuten, waarin de lijder zich onder de hem masseerende handen
         kromde als een worm, dokter Druff zijn behandeling besloot met een
         allervervaarlijksten slag op het dikste gedeelte van des Oversten heup,
         zoodat de patiënt bijna opsprong en brulde: »Gottsdonnerwetter, dat is
         àl te erg!”
      </p>
                  <p> »'t Is voor vandaag gedaan,” zei doodbedaard de geneesheer, en
         wischte zich met den zakdoek een aantal druppels van voorhoofd en
         slapen.
      </p>
                  <p> »O, Goddank!” kreunde de zieke, en toen hij met behulp van mama weer
         zoover was aangekleed, dat Ildegard, zonder schaamrood te worden, haar
         papa kon zien, hielp de dokter hem in den fauteuil en zei gemoedelijk:
      </p>
                  <p> »Ziezoo, nu zit u goed.—Ja! Ja! 't is geen aangename gewaarwording,
         Overste; maar 't eind zal goed zijn.—En nu zullen wij eens over uw
         diëet praten.”
      </p>
                  <p> Met matte stem antwoordde de Freiherr:</p>
                  <p> »'k Ben doodaf!—O, God! die laatste slag! 't was of ik sterven
         zou.—Maar ik geloof toch, dat uw behandeling de ware is; 't is alsof
         ik nu al een weinig soulagement gevoel!—En wat moet ik nu al zoo
         vermijden, Dokter?”
      </p>
                  <p> »Alles, Overste!”</p>
                  <p> »Alles?—Hongerlijden?”</p>
                  <p> »Dat zou u slecht bekomen,” glimlachte Dr. Druff. »Neen! zóó erg is
         't niet. U mag brood eten, zooveel u lust, maar—zonder boter; en water
         kan u drinken ad libitum. Wanneer u besluiten kan, dit strenge diëet
         gedurende veertien dagen vol te houden, geef ik u mijn woord van eer,
         dat u van hier gaat met den gezwinden pas en loopen kunt als een hert,
         terwijl uw geheele constitutie aanmerkelijk beter zal zijn.”
      </p>
                  <p> »Veertien dagen op water en brood,” zuchtte de kolonel, »dat is heel
         erg, Dokter!”
      </p>
                  <p> »Ischias is nog veel erger, Overste!”</p>
                  <p> »'t Is waar! In Godsnaam dan; ik wil die vervloekte pijn kwijt zijn;
         'k zal doen wat u zegt.”
      </p>
                  <p> »U heeft groot gelijk, Overste; en u zult zien: finis coronat opus.”</p>
                  <p> »Blijf me met dat potjes-latijn van 't lijf, Dokter! Dat versta ik
         niet.—Vrouwlief! geef me eens een glas Port; ik ben flauw geworden
         door die ranselpartij.”
      </p>
                  <p> »Port?—Water! bedoelt u,” zei de dokter en tot mevrouw, die de
         flesch met Portwijn reeds van het buffet genomen had, zich wendend,
         vervolgde hij: »Mevrouw! wanneer u wil, dat mijnheer uw echtgenoot
         geneest,
<!-- **** No template for element: i **** --> moet—en hij drukte op dat woord—
<!-- **** No template for element: i **** -->moet u zorgen,
         dat de Overste zijn diëet houdt. Gebruikt u zelf soms Port, of
         mejuffrouw uw dochter?”
      </p>
                  <p> »Neen, Dokter, nooit!”</p>
                  <p> »Permitteer me, dan zullen we voorzichtigheidshalve dit restje”—Dr.
         Druff nam de nog half volle flesch uit mevrouws handen en goot
         eensklaps den inhoud uit 't venster in den tuin—»verwijderen.—Adieu!
         Overste; tot morgen om tien uur; dan kom ik u verder behandelen.”
      </p>
                  <p> Stom van verbazing zag de Overste, die meer gewoon was te bevelen
         dan te gehoorzamen, den kort-aangebonden medicus na en pruttelde in
         zichzelven: »'n Kranige kerel, met een paar handen... Brrrr! en
         drommels kort aangebonden, maar dat mag ik wel. Ik geloof, dat zijn
         behandeling mij wel zal bevallen; maar die ééne slag
         was—hum!—zoo—hum! voor een officier zoo vernederend.”
      </p>
                  <p> Voordat Dr. Druff het huis verliet, had hij nog een kort gesprek met
         Ildegard en mevrouw, die hem tot op den corridor geleidden.
      </p>
                  <p> Op mevrouws vraag: »Dokter, wat dunkt u van mijn man?” schilderde
         hij met enkele woorden den toestand van den Overste zoo weinig
         rooskleurig, dat de dames, bleek van schrik en bezorgdheid, bij alles
         wat haar lief en dierbaar was verzekerden, dat zij er samen voor zouden
         zorgen, dat papa volstrekt geen anderen drank dan water, geen andere
         spijs dan brood, of droge beschuit, hem bij uitzondering als
         versnapering toegestaan, zou krijgen gedurende de eerste veertien
         dagen.
      </p>
                  <p> III.</p>
                  <p> Geregeld elken dag, 's morgens om tien uren verscheen de medicus in
         het hotel, waar de Overste logeerde en nu onder zijn handen de
         verschrikkelijkste martelingen uitstond, brulde en tierde als een
         bezetene, maar zich toch ieder maal na de massage inderdaad iets beter
         gevoelde en langzaam aan weer begon te loopen.
      </p>
                  <p> Hoeveel »Donnerwetters” en »Sakkrrrements” de oude krijgsheld in de
         wereld zond, is niet te bepalen, maar ze waren legio; vooral tegen het
         einde van iedere dagelijksche behandeling ontsnapten die verwenschingen
         en uitroepen in grooten getale zijn gebaarden mond en herhaaldelijk
         verzekerde de Overste aan vrouw en dochter: »Die Druff is een wonder
         van knapheid, een kraan van een vent,—maar—een beul. En weet je waar
         ik eigenlijk het meest tegen opzie? Tegen dien laatsten, geweldigen
         slag, dien hij me na elke massage op mijn—hum!—op mijn—hum! geeft.
         't Is alsof de vent een os dollen wil! Die ééne vervloekte slag gaat me
         door merg en been.”
      </p>
                  <p> »Ja, manlief!” had Mevrouw geantwoord, »'t is verschrikkelijk—ik
         kan er ten minste niet meer naar zien; 't is heusch, alsof Dr. Druff al
         zijn krachten nog eens extra te samen neemt om je die laatste...”
      </p>
                  <p> »Niet waar? Dus dat heb jij ook opgemerkt; 't is dan ook alsof er
         een stuk ijzer op me neer komt.—Je begrijpt dat ik me die mishandeling
         nu laat welgevallen, omdat ik
<!-- **** No template for element: i **** --> moet, omdat ik aan dien Druff op
         genade of ongenade ben overgegeven en omdat de kerel me waarachtig
         iederen dag iets beter maakt, anders, als militair”; en de overste
         zette een gezicht, alsof hij de geheele medische faculteit in één
         grooten hap had willen verslinden—»anders zou ik bij hoog en bij
         laag—me zoo'n vernederende aanraking niet laten welgevallen.—Om den
         d—nder niet.”
      </p>
                  <p> »Foei! foei! papa, vloek toch zoo niet, dat's niet fijn", riep
         Ildegard verbleekend.
      </p>
                  <p> »Neen! zoo'n slag op je—hum!—op je corpus, is fijn.—O! als ik er
         aan denk, dat ik daar, als een schooljongen, vóór dien vent leg en
         behandeld word, dan kookt mijn bloed, en...!”
      </p>
                  <p> »Maar manlief, wind je toch niet zoo op, de Dokter doet 't toch uit
         bestwil, omdat 't noodig is voor...”
      </p>
                  <p> »Noodig! noodig! daar, waar hij nu slaat, heb ik volstrekt geen
         pijn; in mijn heup zit het, nergens anders...”
      </p>
                  <p> »Och, papa! 't is heusch verkeerd, dat u zoo aangaat.”</p>
                  <p> »Aangaan! Hoor me dat freuletje nu eens; ik geloof dat u wel anders
         piepen zou, jonge dame, wanneer de Dokter u zoo uit alle macht, dag in,
         dag uit, een slag op uw...”
      </p>
                  <p> »O, foei! papa, wat 'n ordinaire suppositie.”</p>
                  <p> Ildegard keerde zich verontwaardigd om.</p>
                  <p> »Beste man! houd je kalm, je wordt anders weer erger. Wij zullen er
         samen eens met den Dokter over spreken—niet waar, Ildegard?”
      </p>
                  <p> »Spreekt u er liever alléén over, mama!”</p>
                  <p> »Nu, goed, dan zal ik 't doen—ik durf wel.”</p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Een paar dagen later vroeg Mevrouw v. Hattersdorff, toen ze een
         oogenblik met Dr. Druff alleen was: »Dokter, is die laatste slag
         bepaald zoo onmisbaar? Mijn goede, beste man ziet daar zoo erg tegen
         op. Zou u hem dien niet kunnen schenken?”
      </p>
                  <p> Met het gewichtigste en ernstigste gelaat van de wereld verzekerde
         Dr. Druff: »Mevrouw! die hoort onvermijdelijk bij de kuur; 't is wel
         onpleizierig voor den Overste, dàt geef ik gewonnen, maar ik kan er
         niets aan doen,” en, met kalme wreedheid diende hij, na elke
         behandeling, den Overste dien vervaarlijken klap toe.
      </p>
                  <p> Ook Ildegard, die beter was dan zij zich voordeed, had zich
         heimelijk papa's lijden ter harte genomen en aan den ouden dokter, die
         een dame van haar kennis, in 't zelfde hotel, onder behandeling had,
         gevraagd: »Dokter, 't is misschien wel wat vreemd, dat ik als jong
         meisje me met dergelijke zaken bemoei,—maar och! mijn goede papa wordt
         er zoo door gedépraveerd weet u,—daarom wou ik u vragen: is dat altijd
         zoo, dat men bij een massagekuur den patiënt zoo'n verschrikkelijken
         slag op, hum—” zij durfde 't eigenlijke woord niet goed zeggen en zei
         dus blozend: »op de heup toedient?”
      </p>
                  <p> Met eenige verwondering had de oude medicus geantwoord: »Neen,
         Freule, gewoonlijk niet. 't Is wel zonderling, maar mijn collega Druff
         is een door en door geleerd en kundig man en bovenal specialiteit in de
         massage. Hij weet volkomen wat hij doet en zal 't dus bepaald noodig
         oordeelen voor 't heil van uw papa.”
      </p>
                  <p> Derhalve troostten èn moeder èn dochter den gepijnigden Overste,
         door eenstemmig te verklaren, dat zij 't volste vertrouwen in Dr. Druff
         hadden, en papa dus maar geduldig moest doorstaan, wat nuttig en noodig
         voor hem was.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Eindelijk na achttien dagen, vreeselijke dagen voor Freiherr von
         Hattersdorff, verklaarde de dokter, dat zijn patiënt volkomen genezen
         was; en inderdaad, de Ischias van den Overste behoorde tot het
         verledene. Hij liep, ofschoon nog wat zwak, als een kievit door de
         kamer en zag er uit als nieuwgeboren; zijn eertijds min of meer
         violette gelaatskleur was meer normaal geworden, zijn oogen stonden
         helder en de onwillige heup was nu een voorbeeld voor alle heupen.
      </p>
                  <p> »Overste!” zei Dr. Druff na den achttienden dag, »ik kom afscheid
         van u nemen: u heeft mijn behandeling niet meer noodig.—Is u
         tevreden?”
      </p>
                  <p> »Tevreden, beste Dokter? Tevreden? Neen, verrukt, dankbaar, innig
         dankbaar! Ik ben een ander mensch geworden; je hebt van een ouden kerel
         weer een jongen vent gemaakt.”
      </p>
                  <p> Met tranen in de oogen, drukte mevrouw hem de hand en zei: »O,
         Dokter! nooit! nooit zullen we u onze erkentelijkheid genoeg kunnen
         betuigen!”
      </p>
                  <p> Ildegard, die reeds gedurende achttien dagen de smeltendste blikken
         uit haar zeegroene oogen op den knappen dokter had geslagen, fluisterde
         zachtkens:
      </p>
                  <p> »O! lieve Dokter, u is een wonderman, een ideaal van een dokter,” en
         zij zag hem daarbij zoo schaamachtig aan, als wilde zij zeggen: »Spreek
         met mama, Dr. Druff; voor u verzaak ik mijn ouden adel en word voor
         eeuwig Frau Doctorin....”
      </p>
                  <p> »Dus mijn behandeling is u per saldo toch niet tegengevallen,
         Overste,” zei met een fijn glimlachje de medicus, als antwoord op den
         stroom van dankbare woorden, die hem overstelpte.
      </p>
                  <p> »O, Dokter!” klonk het in trio.</p>
                  <p> »Dan heb ik verder hier niets meer te doen, dan u een aangenaam
         verblijf te Wiesbaden, een goede thuisreis en voortdurende gezondheid
         te wenschen.”
      </p>
                  <p> »Hum! Hum!” zei de Overste en eenigszins verlegen voegde hij er bij:
         »Dokter, hum!.... Uw declaratie, zou u die liefst nog deze week willen
         zenden, want ik reis spoedig naar huis?”
      </p>
                  <p> »Mijn declaratie?” vroeg Dr. Druff en onwillekeurig keek hij
         glimlachend naar Ildegard, die dadelijk probeerde of zij ook blozen
         kon.
      </p>
                  <p> »Ik weet wel, Dokter, dat wat u aan mij heeft gedaan eigenlijk niet
         met geld te honoreeren is, maar toch zou ik gaarne willen weten wat ik
         u schuldig ben....” antwoordde de Freiherr.
      </p>
                  <p> »Honorarium, Overste? Volstrekt niet.—U is mij niets schuldig.”</p>
                  <p> »Wa-a-at?”</p>
                  <p> »Wij zijn nu quitte, Overste.”</p>
                  <p> Mevrouw en Ildegard zagen den dokter aan, als wilden zij zeggen: »De
         arme man is zeker door de inspanning van streek en niet wel bij 't
         hoofd;” en papa vroeg met onvaste stem: »Quitte? Hoe—be-doelt u dat?”
      </p>
                  <p> »Zie mij eens goed aan, Overste. Herkent u mij niet?”</p>
                  <p> »U, Dokter?—'k Had vóór deze dagen nog nooit de eer....”</p>
                  <p> »Toch wel, Overste!—Herinner u maar eens. Mijn naam is Otto Druff;
         ik heb in '70 als soldaat bij uw compagnie gestaan, toen u nog kapitein
         was. Ik was destijds—nu wil ik het wel bekennen—een nogal lastig
         recruut en vrij weerspannig. 't Ging streng toe in den oorlogstijd, en
         daardoor heb ik eens, door uw vriendelijke bemiddeling, veertien dagen
         arrest gehad op water en brood en vijftien slagen op mijn—hum...”
      </p>
                  <p> »Alle donders!” riep de Overste, opspringend, »'t is waar; nu
         herinner ik mij: 't was te Wezel, toen we de Fransche gevangenen
         surveilleerden.”
      </p>
                  <p> »Juist!—Ik had misschien wel wat minder verdiend voor mijn
         betrekkelijk klein vergrijp; maar 't was oorlogstijd, en daarom heb ik,
         dat in aanmerking nemend, bij wijze van interest, u ook slechts vier
         dagen langer arrest en maar drie klappen meer gegeven.”
      </p>
                  <p> Schaterend liepen mevrouw en Ildegard de kamer uit, en de verbaasde
         Overste riep, terwijl hij onwillekeurig zijn hand tegen 't dikste
         gedeelte der heup wreef: »Himmelhöllenelement, Dokter! jij bent de
         kranigste kerel, dien ik ooit heb ontmoet! Je hebt gelijk: nu zijn we
         quitte!”
      </p>
                  <p> »Volkomen!—U hebt mij tot een goed soldaat gemaakt; ik maakte u op
         mijn beurt tot een gezond mensch. We hebben beiden hetzelfde middel en,
         naar ik geloof, met succes gebruikt.—Adieu! Overste,—sans rancune!”
      </p>
                  <p> Dr. Druff ging vriendelijk groetend de deur uit.</p>
                  <p> »Bombenschwerenoth!” riep de Overste lachend, »wat een kranige vent!
         Maar”—en zijn gezicht vertrok zich pijnlijk—»'n beetje minder hard
         had hij toch wel kunnen slaan!”
      </p>
               </level3>
               <level3>
                  <h3>
			                  <a id="a1_0_4">
				
<!-- **** No template for element: i **** -->BIJOU.</a>
		                </h3>
                  <p/>
                  <p>
			
<!-- **** No template for element: i **** --> BIJOU.
      </p>
                  <p> I.</p>
                  <p> 't Was in alle opzichten een model-huishouden, een paar menschen als
         voor elkander geschapen; niemand zou den moed hebben gehad dat te
         betwijfelen, zoodra hij slechts éénmaal het genoegen had te zien, hoe
         mijnheer en mevrouw Straling met elkander omgingen.
      </p>
                  <p> Zij was het liefste, blonde vrouwtje, dat ooit met een paar
         levendige helderblauwe oogen in de wereld had gekeken.
      </p>
                  <p> Niet te groot, niet te klein en goed van vormen, was zij van nature
         »sierlijk” in al haar bewegingen. Zonder dat zij het zelve wist, deed
         zij haar kleine voetjes bewonderen en trok zij de aandacht op haar
         blanke poezelige handjes, waarin talrijke kleine kuiltjes den aanleg
         tot een gezellig »embonpoint”—in de verre toekomst verrieden.
      </p>
                  <p> Wanneer zij lachte, fonkelde er iets guitigs in haar oogen onder de
         donkere, onberispelijk gevormde wenkbrauwen en bewogen zich de
         neusvleugels niet meer dan noodig was om haar zenuwachtig temperament
         te doen vermoeden, terwijl de paarlwitte tanden juist genoeg zichtbaar
         werden om schitterend af te steken tegen de frissche roode lippen, die
         't kleine mondje zoo verleidelijk maakten. Doorzichtig en blank van
         tint, werden haar gelaat en wangen, zwakker of hooger gekleurd, al
         naarmate de gemoedsbeweging haar frisch, gezond, jeugdig bloed
         langzamer of sneller deed stroomen. Soms kon zij bleek, doodsbleek
         zien, wanneer 't een of ander haar plotseling hinderde of zenuwachtig
         maakte, maar zelfs die bleekheid stond haar goed; in één woord Marie
         was »een dotje van een wijfje,” zooals oom Harmsen de ex-zeekapitein
         telkens tegen Frits, haar man, beweerde.
      </p>
                  <p> Hij, Frits, kon volkomen aanspraak maken op den naam van »'n schoone
         kaerel” hem eveneens door oom Harmsen vereerd. Flink gebouwd, groot en
         gespierd van gestalte met een open gelaat, waaruit meer goedheid, dan
         wel bepaald hoogere ontwikkeling sprak, was hij een toonbeeld van
         levenslust en gezondheid. Zijn bruin krullend haar paste bij zijn
         frissche gelaatskleur en de goed verzorgde donkerblonde knevel met den
         spits, naar de mode geknipten baard gaven hem een mannelijk en te
         gelijk wat men noemt, een prettig voorkomen.
      </p>
                  <p> Wanneer zijn donkerbruine oogen met welgevallen op zijn lief
         vrouwtje rustten en zij glimlachend tot hem opzag, straalde er een
         innig warme gloed uit zijn blikken, en als hij dan haar beide kleine
         rose handjes in zijn groote rechterhand nam, terwijl hij met de linker
         er zachtjes, voorzichtig liefkoozend, overheen streek, kon men hem
         aanzien, dat hij Marie in den volsten zin des woords »vergoodde.”
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> »Jelui bent nog precies een paar geëngageerde lui: dat koekeloert en
         kirt me waarachtig als een paar duiven” zei oom Harmsen eens op een
         dag, dat hij de Stralings bezocht en 't echtpaar met een breeden
         genoeglijken glimlach aanzag. Zijn gebruind en verweerd zeemansgelaat
         nam een buitengewoon zonderlinge uitdrukking aan, een uitdrukking half
         weemoedig, half comisch, toen hij er ernstig bijvoegde: »'k Heb van
         mijn Jans—God hebbe haar arme ziel—ook weerlichts veel gehouwen, zie
         je, maar zóó als jullie hebben wij 't toch nooit beetgehad.”
      </p>
                  <p> Marie kon het heusch niet helpen, dat zij bij die wonderlijke
         ontboezeming van oom Harmsen de grootste moeite had om niet in lachen
         uit te barsten; met inspanning hield zij zich goed, maar Frits, die
         ooms eigenaardigheden langer en beter kende, sloeg, zooals men dat
         noemt, met den ouden goedhartigen, maar min of meer ruwen zeeman »op”
         en antwoordde lachend:
      </p>
                  <p> »Ja, maar tante Jans was ook zoo'n dot niet als mijn Marie. Was ze
         wel, oom?”
      </p>
                  <p> »Nou, dat 's maar zooals je 't nemen wilt, jongen,” zeide oom; »'t
         was een flinke driedekker, die goed onder tuig lag. Maar mooi? Neen dat
         was ze niet; daarentegen weergaasch bij de hand;—zie je, dat 's nog
         wel zoo goed voor een zeemansvrouw.” En met een knipoogje, dat guitig
         moest heeten, maar dat op zijn gezicht vrij cynisch was, voegde hij er
         bij: »Ik hoefde niet bang te zijn voor kapers, vat je? Jans was vijf en
         dertig, toen we trouwden, en van zessen klaar, hoor! Maar als mijn wijf
         zoo'n eeuwig mooi poppetje was geweest als jou Marie.... He! Hola!
         nichtje draai ereis bij: waar ga je zoo op eens naar toe?—dan was ik
         nooit zoo gerust aan boord gegaan en... Neen, Marie! blijf maar gerust
         hier: ik ben alweer fatsoenlijk.”
      </p>
                  <p> »Oom, oom, 't loopt er bepaald overheen,” zei Frits lachend en te
         gelijk wenkte hij Marie, die half lachend, half beschaamd de kamer
         wilde verlaten, om terug te komen.
      </p>
                  <p> »Wàt, wàt? 't Is de waarheid, anders niet. Kom hier, nichtje Marie,
         geef me maar een hand; ik ben 'n beetje ruw, dat weet ik wel, maar ik
         meen 't goed. En jij bent ook zoo bliksemsch mooi, zie je, dat als
<!-- **** No template for element: i **** -->
            ik jou man was geweest, ik je geen maand of acht alleen had durven
         laten,—om den dood niet.”
      </p>
                  <p> »Maar, oom! foei wat 'n weinig flatteuse gedachten! Neen! laat mijn
         hand los; je bent akelig, hoor!” zei Marie, hem beknorrend.
      </p>
                  <p> »Gekheid! ik bedoel immers niet, dat 't aan jou zou gelegen hebben,
         maar aan.... Och—sakkerloot—ik, ik... Enfin! Frits, jij begrijpt me
         wel, jongen!”
      </p>
                  <p> Oom Harmsen voelde onwillekeurig, dat hij toch niet bijzonder kiesch
         was geweest, en daarom stond hij op, liep een paar passen door de kamer
         heen en weer en trachtte het gesprek een andere wending te geven, door
         te zeggen: »Jelui woont hier toch als in Abrams schoot, hoor!—eeuwig
         netjes, alles even fijn en chic; je kunt wel zien: die 't breed heeft,
         laat 't breed hangen. 't Is tegenwoordig 'n heel andere thee dan
         vroeger. Toen ik met m'n Jans onder zeil ging, was ik machtig blij, dat
         'k een bovenhuis met drie kamers had,—een goeie kooi voor mij en m'n
         vrouw; een tafel met zes stoelen; bij de gratie Gods een canapé; een
         latafel en een chiffonnière voor de losse bagage; een pot en een
         pan,—en klaar was Kees!”
      </p>
                  <p> »Dat was dan toch erg primitief, oompje; we houden nú van meer
         comfort en....”
      </p>
                  <p> »Ben je er gelukkiger door? Waarachtig niet, 't is allemaal gekheid;
         zooals 'n mensch went, zoo wil hij. De ouderwetsche lui hadden veel
         minder behoeften, en hun kinderen deden als vader en moeder: ze wisten
         niet beter of 't hoorde zóó.—Ja! à propos nichtje Marie, dáár doe
         jelui niet aan, hé, aan kindertjes? Kijk me zoo'n paar flinke gezonde
         lui ereis aan, die zijn nu waarachtig al vier jaar getrouwd en hebben
         nog niemendal op stapel gezet; jelui moest je schamen, en jij vooral
         m'n poppetje en.... Zeg, Frits! wat is dat nou? Wat mankeert je vrouw
         op eens?—Hum?—ik—heb toch niet... Hè?”
      </p>
                  <p> Met een niet benijdenswaardigen trek van schaapachtige verwondering,
         dubbel dwaas op zijn door de zon verbrand gelaat, zag oom Harmsen zijn
         nichtje na, dat terwijl hij sprak al bleeker en bleeker werd en zich
         plotseling omdraaiend de slaapkamerdeur insnelde, gevolgd door Frits,
         die, zonder zich om het verbaasde gezicht van den zeekapitein te
         bekommeren, de deur achter zich sloot en zijn vrouwtje, dat met haar
         zakdoek voor de oogen op de causeuse was neergevallen, zacht en sussend
         toesprak, terwijl hij haar schouders liefderijk omvatte: »Kom, Marie!
         wees niet dwaas; trek je zoo'n grof woord van oom Harmsen niet zoo aan.
         Kom, wijfje, kom! Die ouwe zeebonk moest zich schamen; ik zal hem....”
      </p>
                  <p> »Laat me asjeblieft een oogenblik alleen, Frits; ga jij maar naar
         oom.—Ik ben niet boos op hem, hoor!” voegde zij glimlachend, hoewel
         met de oogen vol tranen, er bij, als wilde zij een mogelijke botsing
         tusschen oom en neef voorkomen.
      </p>
                  <p> De zondaar Harmsen was intusschen eenigermate tot besef gekomen, dat
         hij, op zijn zachtst genomen, erg onhandig was geweest, en daardoor min
         of meer met zijn figuur verlegen. Goedhartig en rond als hij was,
         besloot hij onmiddellijk een volledige bekentenis van zonden af te
         leggen en te zeggen.... Ja! wàt hij zou zeggen, wist hij eigenlijk niet
         goed vóóraf, maar hij gevoelde, dat hij iets goed te maken had en...
         Dáár kwam Frits de kamer weer binnen en in 't zelfde oogenblik lei de
         zeekapitein het photographie-album, dat hij werktuiglijk van de tafel
         had genomen, neer, terwijl hij halfluid vroeg:
      </p>
                  <p> »Er is toch geen kwaad aan boord?—Jelui moet me dat niet zoo
         kwalijk nemen. Hum! ik wist niet, dat Marie op dat punt, hum!—zoo hum!
         zoo satansch kitteloorig was en....”
      </p>
                  <p> »Spreek daar nooit meer over, wat ik u bidden mag, want Maries eenig
         verdriet is, dat ze geen....”
      </p>
                  <p> »Akkoord, jongen! nou begrijp ik 't, maar 'k wist het niet.—Zeg aan
         je »dot", dat 't me allemachtig spijt dat 'k haar hinderde; maar, goeie
         God! ik kon toch ook niet weten, dat ze zoo aantrekkelijk is.—Kom!
         kom! ze moet er zich maar overheen zetten; uitstel is niet altijd
         afstel; Sarah kreeg op 'r negentigste jaar nog wel 'n kleintje.—Ha!
         daar is ze weerom.—Kom ereis hier, Marie! Je bent toch niet boos op
         me? Verdord! dat zou ik niet kunnen velen. Allo! kom ereis langs zij en
         laat ik je af zoenen.—Zoo!.... met je permissie, Frits.—Hè! dat doet
         'n ouwen kerel nog ereis goed.—O! zoo, ben je niet boos geweest?—Nou
         des te beter, dan hoef je niet weer goed te worden ook.—Nou! kinderen,
         't wordt tijd dat ik ga.—Saluut! en compliment van oom Harmsen en als
         dàt nou 't eenige is wat jelui ontbreekt, dan niet getreurd! Ik word
         hier nog peetoom, dat voorspel ik je. Dag »dot”; niet sip meer kijken,
         asjeblieft! Houd je gemak, ik kom er wel uit.—'t Ga jelui goed; dag
         kinderen!”—en weg was oom Harmsen.
      </p>
                  <p> II.</p>
                  <p> Ja! in dat model-huishouden ontbrak iets, een heel klein nietig iets
         wel is waar, maar toch een iets, dat de zon in huis zou doen schijnen,
         als 't kwam; dat een zaligen glimlach zou tooveren om de lippen van de
         jonge vrouw, die 't mocht bezitten.
      </p>
                  <p> En 't kwam niet,—'t had zelfs nog nimmer pogingen gedaan om te
         verschijnen gedurende de vier jaren, dat ze getrouwd waren.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> In den beginne van hun huwelijk hadden zij zich, zooals alle
         jonggehuwden, illusiën gemaakt, gewacht, gehoopt, gewenscht, geduldig
         en lang, maar altijd tevergeefs.
      </p>
                  <p> Marie was een tijd lang stil, zéér stil geworden, toen korzelig van
         humeur en prikkelbaar; daarna was een soort van zwaarmoedigheid
         gekomen, en toen ook die eindelijk was voorbijgegaan, had zij zich
         zelve weten wijs te maken, dat ze er eigenlijk niets meer om gaf, dat
         't zóó was en niet anders, en dat 't wel zoo verkieslijk was. Maar toch
         had ze telkens in stilte geschreid, als zij tegenover haar venster de
         timmermansvrouw op den drempel van haar woning zag staan, met een
         dikken jongen, met roode koonen en zijdeachtig krullend haar en groote
         blauwe oogen, op den arm. Zij hield zich echter groot voor Frits; hij
         had zich immers—zoo kwam het haar voor—al zeer spoedig met het
         denkbeeld »geen kinderen te hebben” verzoend. 't Verwonderde haar wel,
         maar ze vond het gelukkig en toonde hem daarom nooit, dat zij er nog
         altijd onder leed.
      </p>
                  <p> En hij?—Och! hij was altijd in één humeur en bemoeide zich nooit
         met kinderen van anderen; 't scheen zelfs alsof hij minder van kinderen
         hield dan vroeger, en als het teere punt niettegenstaande alle
         voorzorgen toch nu en dan werd aangeroerd, kon hij zoo erg goedig tegen
         Marie zeggen: »Wijfjelief! we zouën er nu misschien niet eens meer aan
         kunnen wennen. 't Is nog veel beter geen één, dan zoo'n half dozijn,
         als bij mijn compagnon bij voorbeeld.”
      </p>
                  <p> Zonderling genoeg had hij echter juist tot dienzelfden compagnon een
         paar malen gezegd: »Wat heb jij toch heerlijke kinderen!—Hum! ik zou
         misschien wel uit de zaken willen; want waar werk ik eigenlijk zoo hard
         voor?” Verder zweeg hij er over en leefde met Marie kalm en tevreden
         voort. Zij lieten elkanders heimelijke wenschen onbesproken, gingen
         altijd
<!-- **** No template for element: i **** --> te samen uit en kwamen altijd
<!-- **** No template for element: i **** --> samen weer te huis
         om, zonder dat zij 't elkander wilden zeggen, telkens opnieuw tot de
         ontdekking te komen, dat er in hun huis toch iets—een kleinigheid
         maar—ontbrak, die geen van beiden meer noemde, omdat zij werkelijk zoo
         veel van elkaar hielden.
      </p>
                  <p> 't Is een doodgewoon verschijnsel, dat in een huishouden zonder
         kinderen, na korter of langer tijd, een of ander huisdier, een kat of
         een hond, soms een vogel, als plaatsvervanger dienst doet en dan
         gewoonlijk min of meer despotisch regeert.
      </p>
                  <p> Wanneer de man van huis is, heeft de vrouw behoefte aan iets
         levends, dat om haar heen zich beweegt; zij moet—zooals men dat
         noemt—»een aanspraak” hebben, in één woord een wezen, dat, zij het dan
         ook slechts in beperkten zin, een deel van haar teederheid kan
         ontvangen en beantwoorden.
      </p>
                  <p> Dit was ook in Stralings huis gebeurd; bijna een jaar geleden was in
         het model-huishouden een kleine tiran binnengekomen en wel in de
         gedaante van een leelijken, grauwig gelen bastaard-smoushond.
      </p>
                  <p> Frits had hem op een kouden herfstavond, terwijl 't regende dat 't
         goot, bibberend, nat en verkleumd voor de huisdeur gevonden en,
         medelijdend van aard als hij was, 't kleine diertje binnengebracht en
         aan de meid gegeven, om 't in de keuken wat te doen opdrogen.
      </p>
                  <p> Niet zonder een vrij luid protest, had de kraakzindelijke Jaantje
         »den leelijken straathond” opgenomen, met een ouden lap zoo goed
         mogelijk afgedroogd en in een mandje gelegd, met het vaste voornemen,
         om hem den volgenden ochtend weer weg te jagen. Maar 't zou heel anders
         gebeuren, dan zij zich voorstelde. Toen Marie het bibberende diertje
         had gezien, dat zoo smeekend van onder zijn verwarde haren tot haar
         opzag, als vroeg het bevend: »Och jaag me niet weer weg!” kon zij niet
         besluiten om Jaantjes raad te volgen en »het mormel aan den dijk te
         zetten”. Integendeel zij bekeek »het mormel” oplettend, vond dat het
         aardige, snuggere oogjes had en zóó vriendelijk met zijn kort staartje
         kwispelde, dat het zonde en jammer zou zijn om 't arme dier weer in
         zijn vroegere ellende terug te stooten.
      </p>
                  <p> Frits had er niets tegen, dat 't hondje bleef, en met onderling
         goedvinden—Jaantjes stem was natuurlijk van onwaarde—werd besloten,
         dat de vondeling als huisgenoot zou worden aangenomen en voortaan naar
         den naam van »Bijou” te luisteren had.
      </p>
                  <p> De naam »Bijou” was een »bon mot” van Frits, die, toen hij lachend
         zijn toestemming gaf tot de opneming van 't diertje, er bij had
         gevoegd: »Dan zou ik hem »Bijou” noemen, want ik geloof, dat hij een
         juweel van leelijkheid zal worden.”
      </p>
                  <p> Marie, meer optimistisch gestemd, verzekerde met allen ernst dat 't
         nog nestharen waren, die 't hondje ontsierden, en dat hij eenmaal zijn
         naam alle eer zou aandoen.
      </p>
                  <p> Jaantje, in de keuken, was daarentegen danig uit haar humeur en
         beweerde herhaaldelijk tegen de werkster, »dat 't volk tegenwoordig
         maar persies deê wat 't wou, en dat 't voor een fersoenlijke dienstmeid
         geen doen was om behalve de gewone druktens nog de akefietjes van zoo'n
         mormeldier te moeten redderen.”
      </p>
                  <p> III.</p>
                  <p> Bijou was, 't bleek allengs zonder eenigen twijfel, van zeer
         bijzonder plebeïschen oorsprong. Zijn vader—hij had hem nooit
         gekend—was vermoedelijk een fikhond geweest, terwijl zijn moeder, naar
         menschelijke berekening, meer tot het smoushondensoort scheen te hebben
         behoord. Van haar had hij waarschijnlijk het lange geelgrijze haar en
         de snuggere oogen gekregen, terwijl zijn vader meer bepaald schuld had
         aan zijn lompe pooten en den zonderlingen vorm van staart en snoet, die
         beide voor die van een smoushond te spits en voor die van een fik te
         stomp waren.
      </p>
                  <p> Opvoeding had hij hoegenaamd niet genoten en van zindelijkheid nog
         niet het minste besef, zoodat hij een voortdurende ergernis bleef in
         Jaantjes oogen. De eerbare keukenmeid was dan ook, van af het oogenblik
         zijner komst in Stralings woning, zijn gezworen vijandin, vooral ook
         omdat Mevrouw zich niet ontzag, de reinheidsovertredingen van Bijou op
         rekening van Jaantjes nalatigheid te schuiven. Niettegenstaande de
         tegenwerking van de keukenmeid, groeide de hond een weinig en wist hij
         zich door allerlei kleine, behendige greepjes in 't hart van Marie en
         door den weeromstuit in dat van Frits een vaste plaats te veroveren.
      </p>
                  <p> Een rood halsbandje, hem door zijn meesteres vereerd, wekte in den
         beginne zijn afkeer en toorn in hooge mate op en herhaaldelijk was hij,
         bij zijn pogingen om zijn hals van dat versiersel te ontdoen, op het
         punt zich aan zelfmoord te bezondigen. Aan alles went men echter op den
         duur, zoo ook Bijou aan zijn halsband.
      </p>
                  <p> Langzamerhand verloor hij iets van zijn nestharen en onzindelijke
         manieren, en nadat hij, drie maanden na zijn opneming bij 't
         kinderlooze echtpaar, de kunstbewerking van »'t half geschoren worden”
         had ondergaan, was hij in zooverre een presentabele hond geworden, dat
         hij op een Zondagmiddag na 't dessert aan oom Harmsen, die bij de
         Stralings had gedineerd, kon worden voorgesteld.
      </p>
                  <p> »Wel, oom!” vroeg Marie, toen Bijou de kamer intrippelde, »is 't
         geen aardig diertje geworden? Wat blijft hij lief klein, hé! En
         schrander is hij, o!”
      </p>
                  <p> Oom nam zonder een woord van lof of blaam te vroeg te verspillen
         »het aardige diertje” in zijn nekvel, zoodat het zijn roode tong
         vervaarlijk ver uitstrekte en zijn oogjes van onder de lange gele haren
         naar voren puilden, bekeek het met aandacht en kennis van zaken en
         zette het daarna voor Maries voeten op den grond, terwijl hij de
         gedenkwaardige woorden uitte: »'t Is een monster!”
      </p>
                  <p> Frits lachte, dat de tranen hem over de oogen liepen, en Marie nam
         Bijou, die met een schuinschen blik angstig naar oom Harmsen zag, op
         haar schoot en kuste zijn zwarten snoet, terwijl ze half knorrig, half
         lachend, zei: »Kom jij maar hier, m'n beestje; ik vind je lief, hoor!
         Stoor je maar niet aan oom Bullebak!—Dáár heb je een koekje van de
         vrouw.”
      </p>
                  <p> Oom zweeg, haalde tegen Frits, die stil voor zich in zijn baard zat
         te lachen, de schouders op en dacht bij zichzelf: »Ieder zijn meug.”
      </p>
                  <p> 't Dient ter eere van Bijou gezegd, dat hij, naarmate hij ouder werd
         en fatsoenlijker, zijn uiterste best deed om de liefkoozingen van »de
         vrouw” te verdienen. Geen oogenblik liet hij haar alleen; waar zij was,
         was ook hij en met stoïcijnsche gelatenheid liet hij zich herhaaldelijk
         van al de trappen rollen, omdat hij Maries peignoir bij den sleep had
         aangepakt en zijn buit niet losliet, vóór hij holderdebolder zijn
         meesteres was nagekogeld.
      </p>
                  <p> Was zij van huis geweest, dan zat hij haar deftig op 't kussen in de
         vensterbank af te wachten, en zoodra hij slechts het tipje van haar
         neus te zien kreeg, kwam zijn staart in geweldige ontroering terwijl
         hij de zonderlingste blijdschapstonen uitte die een hondenkeel ooit
         voortbracht. In Maries schoot vergat Bijou gewoonlijk des avonds de
         vermoeienissen van den dag en droomde van een zalig niets doen, zooals
         alleen een verwend schoothondje droomen kan.
      </p>
                  <p> Frits, verre van jaloersch te zijn op den kleinen tiran, die zich
         tusschen zijn vrouw en hem had ingedrongen, begon van lieverlede even
         gek te worden op »'t monster", dat van zijn kant die toenadering
         waardeerde en spoedig met evenveel blijdschap »den baas” begroette als
         »de vrouw”.
      </p>
                  <p> »'t Is om je te bedoen,” verzekerde Jaantje, rood van kwaadheid,
         tegen haar vertrouwelinge, de werkster: »daar zit me nou 's middags dat
         mormel, tusschen meneer en mevrouw in, aan tafel. Ja! zoo waarachtig
         als ik hier voor je sta, m'n goeie mensch! Eerst zat ie op den grond,
         maar nou moet ik, God beter't, al een stoel voor 'm klaarzetten 's
         middags. 't Mankeert er nog maar aan, dat 'k voor 'm dekken moet ook.”
      </p>
                  <p> Inderdaad het was zoo, Bijou had het ver gebracht, zéér ver: hij zat
         deftig 's middags mee aan tafel op een stoel met een voetkussen er op
         als verhooging, tusschen zijn twee getrouwe vazallen in. Maar hij was
         ook zoo verbazend aardig, die kleine dwingeland; 't was zoo grappig om
         te zien, hoe hij telkens met zijn pootje op Maries arm tikte en zoo
         vleiend zijn brutale bedelaarsneus nu eens links dan rechts naar zijn
         buren wendde. 't Was heusch alsof hij guitig knipoogde tegen dengeen,
         die hem 't eerst wat gaf.
      </p>
                  <p> Frits en Marie vermaakten zich met hun kleinen dischgenoot, die
         onvermoeid was in 't dankbaar aannemen.
      </p>
                  <p> 't Is onberekenbaar hoeveel dankbaarheid een hondenmaag kan
         bevatten, en Bijou was zóó dankbaar, dat hij liever aan tafel zou zijn
         doodgebleven dan één enkele bete te weigeren, die Maries slanke vingers
         of de vork van Frits hem aanboden. Na tafel hield hij, om geen naijver
         op te wekken zijn siësta beurtelings bij »den baas” en bij »de vrouw",
         die iederen dag meer schik in hun lieveling kregen en zich geduldig
         onder zijn schepter kromden.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Bijou regeerde dus bijna despotisch in den huize Straling,
         maar—niet overal. In de keuken was zijn macht zeer beperkt, schier
         nul, want Jaantje was en bleef zijn geslagen vijandin. Zij kon »het
         mormel", volgens haar eigen getuigenis, »niet luchten of zien, en zou
         hem”—'t waren haar eigen woorden—»wel ereis geknauwd hebben, als ze
         maar gedurfd had vanwegens 't volk.” Was 't alleen de herinnering aan
         de talrijke »akefietjes,” die Bijou haar eertijds bezorgd had, waardoor
         het hart der brave Jaantje zoo onvrouwelijk vol bitteren haat klopte?
         O! neen, de oorzaak van haar afkeer had een veel dieperen grond, een
         geldiger oorzaak:—de cavalerie!
      </p>
                  <p> Sedert ruim een jaar namelijk, had de brave keukenmeid een eerlijke
         verkeering met Tienus, een cavalerist, die, omdat hij oppasser was van
         den k'rnèl en bekend stond als knap, fatsoenlijk en finaal vrij van
         sterken drank, des Zondagsavonds, als 't Jaantjes thuisblijfdag was, in
         de keuken mocht komen om....?
      </p>
                  <p> Ook een keukenmeid draagt in den vollen boezem een gevoelig, warm
         kloppend hart, en een rechtgeaard cavalerist weet dat te waardeeren,
         voornamelijk op avonden dat 't stil is en rustig in huis en »'t volk”
         boven zit te schemeren.
      </p>
                  <p> Waarschijnlijk was het een gevolg van Bijou's bloedmenging of een
         erfelijkheid van vader of moeders kant, dat hij een buitengewonen
         afkeer had van de cavalerie-uniform. Reeds bij zijn eerste intrede in
         Stralings huis, in 't prilste van zijn jeugd, had hij daarvan de
         doorslaandste bewijzen gegeven, door woedend blaffend en keffend op de
         vetleeren laarzen van den »finaal-vrijen dragonder” aan te vliegen en
         daardoor Jaantje de wreedaardige uitnoodiging op de lippen te leggen:
         »Geef hem 'n doodschop, Tienus!”
      </p>
                  <p> De dappere krijgsman echter behandelde zijn kleinen vijand
         grootmoedig, tilde Bijou eenvoudig op bij zijn staart en zette hem in
         't kolenhok, waar hij zich na tallooze vruchtelooze pogingen ter
         ontsnapping eindelijk huilend en jankend in 't gruis ter ruste legde,
         om den volgenden morgen als een onooglijk vies en zwart ondier te
         voorschijn te komen en Jaantje een strenge berisping van Mevrouw op den
         hals te halen.
      </p>
                  <p> Bijou kon waarschijnlijk dien vreeselijken nacht in de kolen nooit
         vergeten; zijn hondenhart zon op wraak.
      </p>
                  <p> De vetleeren laarzen en de lakensche cavalerie-pantalon met lederen
         inzetsels waren hem, zooals hij had ondervonden te machtig, en zijn
         eigen staart was hem te dierbaar om een tweeden aanval op Tienus te
         durven wagen; daarom bepaalde hij zich voortaan alleen tot een kort,
         knorrig brommen, wanneer hij 's Zondagsavonds de nadering van Jaantjes
         vriend bespeurde; maar hevig blaffend en brommend stoof hij naar de
         kamerdeur, wanneer hij op andere dagen door zijn neus of ooren
         gewaarschuwd werd, dat de cavalerie in aantocht of binnengerukt was.
      </p>
                  <p> Juist die »verraaierlijkheid” kon Jaantje niet verdragen, zij deed
         haar maagdelijk hart schier bersten van toorn, en toen zij eenige malen
         door Bijou's vriendelijke tusschenkomst van Mevrouw »een compelement”
         had gekregen, omdat Tienus op andere dagen dan de gepermitteerde in de
         keuken was geweest, ten einde zich over ettelijke kliekjes te
         ontfermen, zei ze tot haar uitverkoren held: »Tienus, als jij een kerel
         bent, dan draai je dien Judas van een Besjoe gewoon z'n nek om.”
      </p>
                  <p> »'k Zal 'm bij gelegenheid wel ereis waarnemen,” was 't antwoord
         geweest van den dragonder, die met zijn vlakke rechterhand de
         overblijfselen van een karbonade uit zijn rossigen knevel verwijderde,
         om daarna op Jaantjes bolle wangen twee vette afdrukken achter te
         laten, toen hij haar ijlings verlaten moest, omdat »die stinkende hond”
         boven op eens zoo aanging en Mevrouw in aantocht was, ten einde te
         komen zien, of Bijoutje 't weer bij 't rechte eind had.
      </p>
                  <p> Ditmaal gelukte het der cavalerie nog om tijdig den aftocht te
         blazen en zei de keukenmeid, met oogen glinsterend van voldoening:
         »Ziet uwé nou wel, Mevrouw, dat die lieve Besjoe drukte maakt voor
         niemendal?”
      </p>
                  <p> IV.</p>
                  <p> 't Was stil in Stralings woning; 't had er iets van alsof er een
         doode in huis was,—zóó droevig zagen èn Marie èn Frits er uit. Zij zat
         met een bekommerd gelaat op de canapé in de huiskamer, en hij stond
         naast haar met zijn hoed op en een demi-saison aan.
      </p>
                  <p> »Niets? Heb je niets van hem gehoord,” vroeg Marie tragisch; en toen
         Frits op een ietwat weemoedigen toon in zijn stem antwoordde: »Niets,
         beste, niemendal,” zuchtte 't lieve vrouwtje diep en smartelijk,
         terwijl ze zei: »Arme lieveling! Als hem maar niets overkomen is.”
      </p>
                  <p> Frits zweeg, hoewel een zwart vermoeden, een duister voorgevoel, dat
         de cavalerie wel meer van de zaak zou weten, in zijn hart opdoemde.
      </p>
                  <p> Sedert vier dagen was Bijou plotseling verdwenen, spoorloos
         verdwenen; zonder afscheid van zijn vazallen te nemen, was de tiran
         heengegaan. Waarheen?—Niemand wist het. Zelfs de politie had hem nog
         niet kunnen ontdekken en een in verschillende dagbladen aanstonds
         uitgeloofde belooning voor het terugbrengen van den vluchteling was tot
         dusver zonder eenig gevolg gebleven.
      </p>
                  <p> Jaantje was, haar bekende afkeer van Bijou in aanmerking genomen,
         door Straling scherp verhoord en menig »'t is zonde, meheer” of »hoe
         kan uwee nou zoo ies veronderstellen” was met diepe verontwaardiging
         aan haar lippen ontsnapt, toen zoowel Marie als Frits niet ontveinsden,
         dat zij haar verdachten van medeplichtigheid aan Bijou's raadselachtige
         verdwijning.
      </p>
                  <p> Met de hand op 't hart en bleek van schrik, had zij op het tot haar
         gerichte kruisvuur van vragen geantwoord: »'k Zal hier staande sterven,
         meheer en mevrouw, als ik er iets van weet. Ik kan uwee alleen maar
         zeggen, dat Besjoetje soms wel ereis met een ander hondje uit de buurt
         stoeide, als ik 'm uitliet; maar met een woord van waarachtigheid kan
         ik u ook verzekeren, dat 'k hem juistement dáárom in den laatsten tijd
         nooit anders dan aan 't touwetje heb uitgelaten.”
      </p>
                  <p> »En weet Tienus er niets van?” vroeg Frits, terwijl hij Jaantje, die
         onwillekeurig bij 't noemen van dien naam de oogen neersloeg,
         doordringend trachtte aan te zien. Marie rilde even en dwong met geweld
         haar tranen terug, want plotseling kwam haar het beeld van den stoeren
         dragonder, Bijou's antipathie, voor den geest.
      </p>
                  <p> »Tienus?” riep Jaantje bijna verontwaardigd. »Tienus, meheer! die is
         de goeïgheid zelf. O heere neen! die heeft er geen part of deel an, die
         zou 'm subiet hebben weerom gebracht, als hij 'm iewers had ontmoet.”
      </p>
                  <p> Het onderzoek leidde dus tot niets, de ondankbare hond was en bleef
         weg; hij had zijn weldoeners, zijn pleegouders zonder één enkel
         gemoedsbezwaar, zonder wroeging snood verlaten, om.... Neen! laten we
         over Bijou's afdwalingen zwijgen; zelfs het hondenhart heeft
         wonderlijke gangen en 't past den redelijken mensch niet om 't
         redelooze dier te veroordeelen, dáár waar het zondigt—uit liefde.
      </p>
                  <p> Aan oom Harmsen, die toevallig in die dagen van beproeving bij de
         Stralings was komen aanwippen, werd—zooals vanzelf spreekt—het
         geheele verhaal van Bijou's vlucht in geuren en kleuren door Marie
         medegedeeld en niet zonder dat een weerspannige traan zich op de wangen
         van »'t dotje” vertoonde.
      </p>
                  <p> Frits, die als rechtgeaard echtgenoot, minstens de helft van 's
         vrouwtjes verdriet wilde overnemen, vertelde met doffe stem, dat hij er
         »waarlijk veel weet van had,” een verzekering, die oom Harmsens lippen
         in een zonderling ondeugende plooi bracht en den goeden man eindelijk
         in een hartelijk gelach deed uitbarsten.
      </p>
                  <p> »'t Is bij mijn ziel om te stikken,” riep de oude zeekapitein,
         terwijl hij een lachtraan uit zijn bakkebaard wischte. »Jelui bent
         allebei groote kinderen, hoor! 't Is waarachtig alsof er een sterfgeval
         in de familie is: dáár zitten me nu twee groote menschen met gezichten
         van een el lang te lamenteeren over een mormeldier, een monster, een
         schuinsmarscheerder, die 't verzuipen niet waard is. Ben jelui wel goed
         frisch, allebei?—Nou kijk me zoo boos maar niet aan, mijn poppetje;
         lach liever ereis mee om je eigen gekheid.”
      </p>
                  <p> »Ik heb zoo'n idee, dat hij t' avond of te morgen wel terugkomt,”
         bracht Frits in 't midden; maar oom viel hem in de rede, door aan Marie
         te vragen: »En zou je dan dien doordraaier weer in huis nemen?—Wat!
         zeg je: ja? Hoor eens, meid, als je niet zoo'n lieve dot was, zou ik je
         eens onder handen nemen; ik geloof waarachtig, dat, als je man je zoo'n
         poets bakte als nou dat kleine monster, je hem niet eens zoo dadelijk
         weer in genade zoudt aannemen!”
      </p>
                  <p> »Oom, oom! je slaat weer door,” riep Frits lachend, en Marie schoot
         insgelijks in een lach, toen zij oom aanzag, die met een tragi-comische
         uitdrukking op zijn gelaat zijn rede besloot met de woorden: »Ik zou in
         jou plaats in den zwaren rouw gaan.”
      </p>
                  <p> »Ouwe barbaar!” zei Marie, toen oom uitgelachen had; maar in haar
         oogen tintelde weer een vonkje van de vroegere vroolijkheid, en toen
         Frits ook een opgeruimd gezicht zette, zijn arm om haar midden sloeg,
         een kus op haar frissche lippen drukte en schertsend vroeg: »Met uw
         permissie, oom,” riep de vroolijke zeeman: »Zóó mag ik het zien.
         Jongens! geneer je niet, ga je koers maar; ik geloof, dat jelui al
         wijzer wordt.—Kijk nu zoo'n paar lui eens aan: ze zouën waarachtig om
         zoo'n leelijk misbaksel van 'n hond vergeten, dat ze mekaâr nog hebben.
         Als één van jelui beiden er stiekum van door was gegaan, à la bonne
         heure, dan zou ik 't natuurlijk vinden, dat de andere zijn dek
         schrobde. En wil jelui met geweld een hond in je huis hebben, dan zal
         ik je een van de mijne geven; 'k heb nog vier jonge fikken
         thuis,—mooie bastaards. Ze zijn tot je dispositie.”
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Veertien dagen later verscheen Bijou op een morgen onverwachts aan
         de voordeur. Jaantje sloeg juist de vloermat uit en bleef een poosje
         met open mond en groote oogen den teruggekeerden vluchteling, die met
         den staart tusschen de beenen zich eensklaps voor haar vertoonde,
         aanstaren; toen liet ze de mat vallen, sloeg de handen ineen en uitte
         een doordringend: »Daar is ie!—daar is ie! Mevrouw, kom ereis gauw
         beneden; Besjoe is weerom!”
      </p>
                  <p> Marie, in wier gevoelig hart eensklaps de oude, sluimerende
         teederheid voor haar lieveling met nieuwe kracht ontwaakte, stoof »en
         négligé” de trappen af en ontwaarde een onooglijk, vuil, gehavend
         ondier, dat kwispelstaartend, maar min of meer schuw—zelfs een hond
         heeft gewetenswroegingen—haar langzaam naderde.
      </p>
                  <p> Was dat Bijou?</p>
                  <p> »Kristenen-zielen, Mevrouw! wat ziet ie er verloopen uit; hij is
         effetief aan den scharrel geweest, dat kun je hem aanzien,” zei
         Jaantje, terwijl ze naast mevrouw in de gang staande den teruggekeerden
         vagebond oplettend beschouwde. »'k Zal 'm maar eerst meenemen naar de
         keuken en eens een goed vet zeepsoppie geven, want uwee avontuurt, dat
         ie niet alleenig terugkomt. Kijk z'n oogen ereis, en z'n neus vol
         krabbels: hij is in den slag geweest! Wel! Wel! wat is ie mager
         geworden! Nou! die weet, dat ie een slippertje heit gemaakt.”
      </p>
                  <p> Wel werd de teruggekeerde lieveling weer in genade aangenomen, toen
         hij, gewasschen en opgeknapt, met luid vreugdegeblaf en gehuil tegen
         zijn meesteres en den baas opsprong en hem en haar onstuimig de handen
         likte, maar—met zijn despotieke heerschappij was 't voorgoed gedaan;
         hij werd voortaan behandeld als een constitutioneel vorst, wiens
         grillen slechts dan werden geëerbiedigd, als ze niet in tegenspraak
         waren met de grondwet.
      </p>
                  <p> Frits en Marie waren beiden door 't zien van Bijou's verloopen
         uiterlijk verstandiger geworden, en dachten na over de mogelijkheid,
         dat hij nog niet volkomen van zijn erotische grillen zou kunnen genezen
         zijn. Ze overlegden, dat 't best zou kunnen gebeuren, dat hun lieveling
         nogmaals voor de verleiding bezweek; daarom namen ze voorloopig een
         afwachtende houding aan en duldden hem nu dáár, waar hij vroeger werd
         vergood en vertroeteld.
      </p>
                  <p> Arme Bijou! Beklagenswaardig slachtoffer van »de liefde.”</p>
                  <p> V.</p>
                  <p> Ongeveer een jaar later was in Stralings huis een groote verandering
         ophanden. Sedert een paar dagen was het geheele huishouden in rep en
         roer; er zweefde als 't ware een zekere zenuwachtige gejaagdheid in de
         lucht, waarvan al de huisgenooten in meerdere of mindere mate den
         invloed ondervonden. Mijnheer bleef zooveel te huis als hij maar
         eenigszins kon, en 't was opmerkelijk, dat zijn goedhartig gelaat
         voortdurend een zonderlinge mengeling van angst en trotsche vreugde
         vertoonde, als stond hem een groot geluk te wachten, dat hij met
         angstige spanning verbeidde.
      </p>
                  <p> Mevrouw had herhaaldelijk geheime onderhandelingen gevoerd met een
         groote, dikke vrouw, die een onberispelijke neepjesmuts, een lichte
         katoenen japon en een zwartzijden boezelaar droeg, en Jaantje pruttelde
         in zich zelve, terwijl zij in de keuken haar werk verrichtte: »Dat
         mensch begint me derekt al te commandeeren; ze hangt me nou al de keel
         uit. Zoo'n armoede en grootheid! Wat verbeeldt ze d'r eigen wel?”
      </p>
                  <p> Het »mensch", dat Jaantjes ontevredenheid opwekte, was juist weer in
         de slaapkamer met Mevrouw aan 't onderhandelen en verzekerde op
         stelligen toon: »dat 't vandaag posetief nog gebeuren zou en dat meneer
         den meester maar vast moest gaan waarschuwen.”
      </p>
                  <p> Nog nimmer hadden Maries lieve blauwe oogen zoo vol voldoening en
         geluk geschitterd, haar blosje was hooger dan anders en 't blonde haar
         »en bandeaux” langs de slapen gelegd en van achteren tot één vlecht
         gestrengeld had haar nog nooit zóó goed gestaan als op dien dag.
      </p>
                  <p> In een gemakkelijken fauteuil gezeten, zag zij met een zenuwachtig,
         maar gelukkig glimlachje naar de baker, die met kalme bedrijvigheid in
         de kamer heen en weer drentelde om alles voor de komst van »den
         Ooievaar” voor te bereiden; en toen Frits eindelijk binnenkwam en de
         onderhandeling stoorde met een: »Alles is in orde, mijn schat", wenkte
         Marie haar man tot zich, stak uit de kanten mouwen van haar luchtigen
         peignoir beide poezelige handjes naar hem uit en trok toen blozend zijn
         bruinen krullebol naar beneden. Eerst kustte zij hem zachtkens op zijn
         oor en fluisterde hem toen iets in, dat zijn hart sneller deed kloppen
         en op zijn trillende lippen de woorden: »Zou 'k waarachtig zóó gelukkig
         zijn,—een jongen?” bracht.
      </p>
                  <p> Met de armen onder de borst gekruist zag de baker met half
         spottenden, half goedigen glimlach de twee echtgenooten aan en dacht
         bij zichzelf: »Dat geeft minstens een gouden tientje, als 't heusch een
         jongen is.”
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> En...?</p>
                  <p> 't Was een jongen! En wel »een dikke gezonde knaap, als uit meheers
         gezicht geformeerd,” zooals op den avond van dienzelfden dag de baker
         met een hoog wijs gezicht verklaarde, terwijl zij den stamhouder der
         Stralings het vanouds gebruikelijke bakkertje opzette, om hem daarna,
         stijf ingebakerd als een pakje, aan Papa te vertoonen en met
         ongeëvenaarde handigheid het haar dientengevolge heimelijk in de hand
         gedrukte goudstukje in den witten zak onder haar japon weg te
         goochelen.
      </p>
                  <p> Frits was opgewonden van vreugd en geluk; hij had de geheele wereld
         wel willen omarmen,—de oude baker incluis.—Een zoon was hij rijk! Wat
         kon hij meer verlangen?
      </p>
                  <p> Onophoudelijk kwam hij niettegenstaande bakers allengs ernstiger
         wordend protest eens even om 't hoekje der kamer kijken, waar Marie,
         schoon en liefelijk als een witte roos, sluimerde in 't sierlijke
         ledikant en achter de zorgvuldig neergelaten kanten gordijnen haar
         eersten droom van moedervreugd droomde, totdat het ontwaken haar de
         zekerheid schonk, dat alles werkelijkheid was.
      </p>
                  <p> In Stralings huis was plotseling een waas van rustig, vredig geluk
         verspreid geworden; 't hing warm en bedwelmend in de vertrekken, waar
         't de sprekenden noopte hun stemmen te dempen, en 't hield den al te
         snellen voet in gang en portalen terug, opdat geen onnoodig gedruisch
         de kalmte mocht verstoren.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Slechts twee wezens gevoelden zich in dat gelukkige huis, op dien
         dag, ellendig, misdeeld, ongelukkig en diep-rampzalig: 't waren Bijou
         en Jaantje!
      </p>
                  <p> Bijou was reeds eenige weken vóórdat de ooievaar op Stralings dak
         neerstreek, naar het sousterrain verbannen; zijn rijk in salon en
         huiskamer was uit en de liefkoozingen, die in vroegere, betere tijden
         met zoo kwistige hand aan hem werden verspild, bepaalden zich sedert
         lang reeds tot niet meer dan een gedachteloos aaien, een strijken over
         zijn kop of rug, als had de hand, die het deed, slechts werktuiglijk
         een oude gewoonte gevolgd.
      </p>
                  <p> Een mand met een stuk karpet, in den kelder geplaatst, diende hem nu
         des nachts tot legerstede, en hij, die vroeger sybaritisch in Maries
         schoot of op de knieën van Frits zijn siësta hield, moest zich thans
         tevredenstellen met den schoot en den vettigen bonten boezelaar van
         Jaantje, die niet langer zijn aartsvijandin was.
      </p>
                  <p> Het ongeluk had hen samengebracht, beproeving en smart hen tot
         vrienden gemaakt.
      </p>
                  <p> Hoe dat gekomen was? Eenvoudig zóó!</p>
                  <p> Enkele dagen na Bijou's verbanning naar 't sousterrain had de
         brievenbesteller onder etenstijd een ongefrankeerden brief gebracht van
         Tienus, die sedert ruim een maand naar een ander garnizoen was
         overgeplaatst. Jaantje betaalde met vreugd de tien cents porto, want
         haar liefdevol hart klopte teeder en warm, toen zij het adres had
         gelezen; en zonder verwijl opende zij het couvert om aan de keukentafel
         zittend, tusschen een restant kalfsgehakt en een bord met bloemkool,
         waarvan ze enkele minuten geleden nog met smaak iets had genuttigd, de
         hartsgeheimen en de ontboezemingen van haar getrouwen cavalerist te
         lezen. »'t Volk” zat nog aan 't dessert, en daarom had ze tijd genoeg,
         vóórdat er gescheld werd om af te nemen.
      </p>
                  <p> Toen zij den brief had geopend en ontvouwde, viel er iets uit en in
         de bloemkoolsaus. 't Was een portret,—haar eigen beeltenis. Zij had
         nog vijf gelijke en gelijkvormige in voorraad van 't half dozijn, dat
         de photograaf had vervaardigd ter eere van Tienus.
      </p>
                  <p> Ze schrikte, vischte het kaartje met duim en vinger uit de saus,
         zei: »Jaan, wat gebeurt je nou” en likte met kloppend hart »haar
         beeltenis” haastig af.
      </p>
                  <p> Wat moest dat beteekenen? Zij begon over haar geheele lichaam te
         beven; de zenuwen werden haar de baas, zoo zelfs, dat ze een oogenblik
         niets hoorde of zag.
      </p>
                  <p> Bijou maakte dadelijk van Jaantjes verwarring gebruik; hij sprong op
         een stoel, daarna op tafel en bespaarde in minder dan geen tijd der
         keukenmeid de moeite, haar gehakt op te eten; vervolgens ontfermde hij
         zich over de bloemkool, en eerst toen hij »niet meer kon", bleef hij
         tegenover Jaantje, die met door tranen verduisterde oogen op Tienus'
         brief zat te staren, zitten en sloeg met zijn staart een zachten roffel
         op de tafel, als kwispelde hij zichzelf een »bravo” toe over 't
         volvoerd boevenstuk. Terwijl hij zijn zwarten snoet welbehaaglijk
         aflikte, keek hij met schuins gehouden kop belangstellend naar zijn
         overbuur, alsof hij zeggen wilde: »Wat mankeert jou?”
      </p>
                  <p> Wat haar mankeerde?—Alles!—Zij had den brief gelezen en haar
         minnend hart was op 't punt van te breken; hevig zwoegde onder 't
         opgespelde eva'tje de eerlijke boezem, waarop Tienus' hoofd in een
         doublé medaillon nog altijd schommelde.
      </p>
                  <p> 't Rood van Jaantjes wangen was van glimmend karmijn eensklaps tot
         bleekgrijs steenrood overgegaan en aan haar wimpers parelden dikke
         druppels, die afwisselend langs den tip van haar neus en over de
         heuvelen harer wangen afvloeiden. Zij herlas Tienus' schrijven
         langzaam, bij ieder woord ophoudend om te zuchten of te snikken.
      </p>
                  <p> Bijou keek haar meelijdend aan en krabde met zijn rechterachterpoot
         zijn oor, als wilde hij zeggen: »Jaan! Jaan! dat is een ijselijkheid
         voor je.” Toen kwam hij nader, legde zijn poot op haar arm en keek
         onbescheiden mee in den brief.—»Mejuvfrou", schreef Tienus. Ach! dat
         ééne woord had onmiddellijk aan de arme Jaantje
<!-- **** No template for element: i **** --> alles gezegd;
         vroeger schreef hij immers: »Zwaar beminde Jaan,” en nu: »Mejuvfrou.”
         O! 't was verschrikkelijk, verpletterend! Vooral de verdere inhoud van
         den epistel gaf haar den genadeslag.
      </p>
                  <p>      »Hierbij U petret in Dank terug, U gouwe Dasspeld en de
         <br/>      Sarrifarie aan mijn kettink zel ik maar als gedagtenis
         <br/>      bewaare. Het zal Uw wel speiten, als dat ik uw nu schrijft,
         <br/>      dat van trouwe Voorshans geen sprake zijn ken, overwegens ik
         <br/>      heeft overgeteekent voor den Oost, bij de Artlerie en
         <br/>      vermits wij Zirka twee jaar met genoeglijkheit samen heeft
         <br/>      verkeerd zoo ken ik niet nalaate om uw Voorspoet en Geluk te
         <br/>      wensen, allerwegens, Zoo verblijf ik uw Dwillege vrient
      </p>
                  <p>                      vroeger u minnaar
         <br/>                      MARTINUS PLUIT.
      </p>
                  <p>      P.S. hartelijke Groetenis!”</p>
                  <p> Toen de diepgetroffen keukenmeid den brief nogmaals doorgelezen had,
         veegde zij met haar hand, die nog min of meer zwart was van 't fornuis,
         langs wangen, neus en oogen, zich zelve tatouëerend zonder dat ze 't
         wist, pakte eensklaps den naast haar zittenden Bijou bij zijn kop,
         drukte haar lippen tegen zijn verwilderde gele haren en snikte: »Ja,
         stom dier, jij hadt toch wel gelijk, toen je dien Judas naar z'n beenen
         vloogt. Ja! kom jij maar hier, stakker; jij zit nou ook in de serijbel;
         jij bent een goed beest, maar hij is een valsche hond; voor mijn part
         vreten ze 'm derekt op in den Oost—zoo'n Judas! Verleden week stuurde
         ik 'm nog een guldens postwissel.”
      </p>
                  <p> Van af dien gedenkwaardigen middag waren Bijou en Jaantje trouwe
         bondgenooten, onafscheidelijke kameraads.
      </p>
                  <p> VI.</p>
                  <p> 't Doopmaal was allergezelligst geweest; een klein, maar uitgelezen
         gezelschap had aan den rijk voorzienen disch alle eer bewezen en
         gedurende het dessert was de jongeheer Straling als een rooskleurige
         »bonbon” in een wolk van witte kant, op een sierlijk kussen, door de
         deftig in zwarte zijde gehulde baker aan de gasten vertoond. Men had op
         zijn wangetjes getikt, onder zijn kinnetje »kiele kiele!” gedaan en op
         zijn klein neusje met den vinger heen en weer gewiegeld, totdat het hem
         begon te vervelen en hij een keel opzette, die een der gasten tot de
         opmerking verleidde: »'n Stem als een klok, hoor!” en den dominee, die
         de eer had genoten hem te doopen de deftige woorden ontlokte: »'t
         Ventje heeft zich van morgen in de kerk uitmuntend gedragen; we kunnen
         hem dus nu zijn protesteeren van harte vergeven.”
      </p>
                  <p> »Wat 'n wonder!” riep oom Harmsen, die zijn glas Champagne noch vol,
         noch ledig liet staan, »'t wurm sliep als een marmot; jammer genoeg,
         want je hebt 'm hartelijk toegesproken, dominee.” En toen de predikant
         min of meer zuurzoet, maar toch statig glimlachend antwoordde:
         »Gezegend zij die slapen kunnen als de kinderkens.” voegde de joviale
         zeeman er bij: »Ja, tusschenbeide is zoo'n tukkie in de kerk niet
         onlekker.—Maar gekheid op een stokje, dominee, ik kan wel niet tegen
         je optornen wat de welbespraaktheid betreft, maar ik wou toch wel een
         paar woorden zeggen, om mijn neef Frits en zijn dot van 'n wijf—Marie,
         dat 's een lijntje à part met jou, hoor! Daar ga je!” hij dronk even
         een glas Moët—»hartelijk te feliciteeren. 't Heeft wel vijf jaren
         geduurd, eer jelui dat knaapje van stapel lieten loopen, maar 't ziet
         er van voren en van achteren goed uit, en daarom: Lang zal het leven!
         Nu er eenmaal een begin is, zul je zien, dat er geen ophouden aan is.
         Frits!—Marie!”
      </p>
                  <p> Oom nam zijn glas op en boog zich over de tafel, om met de jonge
         ouders te klinken.
      </p>
                  <p> »Nou zachtjes aan, hoor jongens! dan breekt het lijntje niet; één
         voor één asjeblieft en geen filipientjes er bij. Leve de stamhouder,
         Hiep, Hiep! Hoera!”
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> »Hoor ze daarboven ereis aangaan! Wat 'n herrie om zoo'n wurm!—Dat
         mensch met die zwarte samaar an, maakt er alleenig nog een goed slaatje
         uit en ik blijf nuchter van de fooien,” pruttelde Jaantje, die in de
         keuken met Bijou op haar schoot bij de tafel zat. Onverschillig staarde
         zij op een bord met een stuk taart en tevergeefs vonkte een glas
         Champagne haar verleidelijk toe. Zij had geen sjenie in taart, zij
         lustte geen »sampanje", want in haar ziel was 't nacht, stikdonkere
         nacht gebleven, sedert de cavalerist zoo wreedaardig haar hart had
         gebroken.
      </p>
                  <p> Met zachte hand liefkoosde zij Bijou en sprak: »Jou kunnen ze nou
         ook missen als kiespijn, arme sukkel!” Met een blik vol weemoedig
         verlangen keek de hond naar 't bord met taart, als dacht hij: »Tienus
         had met dat brokje wel raad geweten; voor mij is 't te groot, maar 'k
         zou toch mijn best doen, als 'k mocht.”—»Daar, stumperd, proef maar
         eens: 't is roomtaart,” zuchtte Jaantje, terwijl zij, als raadde zij
         Bijou's verlangen, hem een stukje van 't gebak vereerde.
      </p>
                  <p> Haar gramschap over Tienus' ontrouw had zich langzamerhand opgelost
         in een stil, maar hartverterend verdriet, in een weemoedig herdenken
         aan die tijden van Olim, waarin haar 't kletteren van sporen en zwaard
         als muziek in de ooren had geklonken. Zij kon de cavalerie nog maar
         niet vergeten, hoeveel moeite ze daar ook toe deed, hoeveel eerlijk
         gemeende pogingen zij ook aanwendde.
      </p>
                  <p> Toch was er voor haar eenig licht gekomen in de zwarte duisternis
         van haar gemoed, want sedert het 6e regiment infanterie de plaats van
         de dragonders had ingenomen, was des avonds tusschen licht en donker
         aan de deur van het onderhuis een »ko'praal” verschenen, die aan
         »juffrouw Jaantje” met militair salut had verkondigd, dat zij, door een
         kennis, aan hem »gerikmedeerd was als een geschikt meissie voor 'n
         milletèr.”
      </p>
                  <p> »'t Is in 't geheel geen onknap persoon,—is 't wel Besjoe?—maar 'n
         piot—daar kan ik zoo in eens niet toe besluiten,” zei de gevoelige
         keukenmeid tegen haar bondgenoot, die in haar kuischen schoot
         knipoogend zijn verloren Paradijs weinig scheen te betreuren en
         behaaglijk geeuwend de tong tegen haar uitstak, toen ze 't woord tot
         hem richtte.
      </p>
                  <p> »'k Zal 'm nog maar geen uitsluitsel geven en wij zullen maar bij
         mekaar blijven, hé stom dier! En als ik t'avond of te morgen
         verhuis,—want 't wordt me hier veelste druk met dien
         schreeuwleelijk,—dan ga jij met Jaantje mee, arme stakkerd.” In een
         aanval van teederheid greep zij een van Bijou's voorpooten en drukte
         dien als ware 't een vriendenhand.
      </p>
                  <p> De hond jankte even en trok zijn pootje terug, een beweging die zijn
         vriendin deed zeggen: »'t Is zonde, da's waar ook, je heit een zeeren
         poot, en dat is notabene de schuld van je eigen baas: hij most z'n
         eigen schamen om jou zoo te schoppen. Kom hier, m'n beessie, ik zal je
         ereis wrijven; dan wordt 't beter.—Zóó, m'n hondje, zóó! Dat doet je
         goed, hé?”
      </p>
                  <p> Was dàt waar? Had Frits zich zoover kunnen vergeten om zijn
         vroegeren lieveling wreedaardig een schop te geven?
      </p>
                  <p> Ja! en de eerlijkheid gebiedt te erkennen, dat Bijou die kastijding
         had verdiend.
      </p>
                  <p> Waarschijnlijk was het den banneling opgevallen, dat hij zijn
         achteruitzetting niet geheel en al aan zijn uitspattingen te danken
         had, maar dat er zich iemand tusschen hem en zijn pleegouders had weten
         in te dringen, aan wien hij het te danken had, dat hij nu letterlijk
         als een hond werd behandeld. Hij zou geen rechtschapen dier zijn
         geweest, wanneer hij niet tot elken prijs daarvan de zekerheid had
         zoeken te erlangen. In een onbewaakt oogenblik had hij het sousterrain
         verlaten en een verkenningstocht naar zijn vroeger rijk ondernomen.
      </p>
                  <p> Onbemerkt naderde hij tot aan de huiskamer; op den drempel bleef hij
         staan en stak zijn kop nieuwsgierig om 't hoekje van de deur.
      </p>
                  <p> Wat hij dáár aanschouwde, was meer dan voldoende om zijn toorn
         gaande te maken.
      </p>
                  <p> Daar zat »de vrouw,” stralend van geluk, blozend van gezondheid in
         den fauteuil, waarvan hij de zachte zitting maar al te goed kende; en
         op zijn plaats, in haar schoot spartelde een klein rooskleurig wezen,
         dat zij met een blik vol innige teederheid beschouwde en liefkoozend
         toesprak.
      </p>
                  <p> Dat was te veel, te tergend; met één sprong was hij in de kamer. Een
         kort, scherp, droog blaffen ontsnapte hem eer hij 't zelf wist, en met
         een toornigen gloed in zijn donkere oogen trachtte hij tegen dien
         verraderlijken schoot op te springen om aan het kleine wezen, dat hem
         ongelukkig maakte, zijn blikkerende tanden te toonen en hem kort en
         vinnig toe te blaffen: »Jij was 't dus, jij! Om jou ben ik verstooten.”
      </p>
                  <p> »Marie! Marie! pas op dien hond: hij is jaloersch; hou 't kind weg!”
         riep Frits, die tegenover zijn vrouwtje zat, en haastig opstaande,
         diende hij Bijou een schop toe, die hem hinkend en jankend, in aller
         ijl de kamer deed verlaten.
      </p>
                  <p> Jaloersch! ja, helsch jaloersch was Bijou; hij kon het kleine kind
         niet zetten, en zoodra het toevallig op moeders arm in zijn nabijheid
         kwam, gromde en blafte hij of liet de tanden zien.
      </p>
                  <p> »Als 't niet mogelijk is om dien hond uit de kamers te houden, moet
         hij weg, de deur uit,” bromde Frits tegen Jaantje, die als goede
         kameraad voor Bijou partij trok door te zeggen: »Dat kan uwes geen
         meenens wezen, meheer; 't stomme dier heit er toch geen part of deel
         an, dat er 'n kleintje gekommen is.” Die logische opmerking ontwapende
         Frits' gramschap en behoedde Bijou voor 't wegjagen.
      </p>
                  <p> De keukenmeid, die met de werkster niet meer over Tienus sprak,
         omdat zij eens gezegd had: »'t is de peine nog al waard om over zoo'n
         paarderijer zoo te kremieten", hechtte zich uit verfijnd egoïsme hoe
         langer hoe meer aan den kleinen hond, die dankbaar was voor de beentjes
         en het brood dat Jaantje hem verstrekte. Soms nam zij hem des avonds,
         als ze »uit 'r werk was", op den schoot en kamde hem met haar eigen
         kam, omdat »'t beessie er zóó boschduvelig uitzag, dat 't rejeel
         schande was voor 'n deftig huis”; en terwijl ze zijn geele haren
         ontwarde, dacht ze aan den rossigen knevel van Tienus, en zuchtend
         vertelde ze aan Bijou van die »ondankbare honden van cavalleristen”.
         Dan leefde zij in de bitterzoete herinnering aan 't geen Tienus eenmaal
         voor haar was, en overlegde in de binnenkameren van haar hart, of de
         infanterie wel ooit geheel in staat zou zijn om haar droefheid te
         lenigen.
      </p>
                  <p> Slechts korten tijd mocht de arme hond zich nog in Jaantjes
         bescherming verheugen; een nieuwe, zware beproeving wachtte hem.
      </p>
                  <p> Bijna zes maanden lang was zijn vriendin treurend gebleven, maar de
         tijd heelt met zijn kalme, genezende hand zelfs de diepste hartewonden,
         vooral wanneer hij een helper vindt in langzaam ontluikende nieuwe
         sympathieën, waartoe door een beminnend individu de eerste kiem met
         geduld is gelegd.
      </p>
                  <p> Een kaartlegster had eenmaal aan Jaantje uit hartenboer, vereenigd
         met ruiten zeven en klaveren heer, voorspeld, »dat zij zooveul als een
         voorbeschikking had om in 't Milletère verkeering te hebben.” De
         sybille had goed gezien, want na zes maanden van leed en droefheid
         rukte de infanterie, die haar met ijzeren volharding was blijven
         belegeren, triomfantelijk binnen de bolwerken van haar boezem en
         bezette dáár het vroegere kwartier van de cavalerie.
      </p>
                  <p> Nu heette hij Janus, was donker van uitzicht, tenger van postuur en
         »ko'praal bij 't 6e.”
      </p>
                  <p> Hoewel minder zwaar van bouw en niet zoo krijgshaftig van uiterlijk
         als Tienus, bleek hij toch evengoed te kunnen beminnen en ontwikkelde
         hij een eetlust, welke, fabelachtig groot, dien van zijn voorganger
         verre overtrof.
      </p>
                  <p> Bijou beschouwde, van den dag af dat »de ko'praal” zijn eerste kliek
         aan Jaantjes zijde verorberde, zich als zijn vriend, sprong wellevend
         tegen de infanterie-pantalon op en likte zelfs het zijdgeweer des
         krijgers. Helaas! zijn toenadering werd niet gewaardeerd. Janus
         onthaalde hem op een »allo vort!” en verklaarde, al kauwend, aan zijn
         uitverkorene, »dat hij 't zuur ân honden had.”
      </p>
                  <p> Opnieuw had de arme Bijou gelegenheid om kennis te maken met 't
         egoïsme van den mensch, want met den dag verkoelde Jaantjes genegenheid
         en al naarmate haar liefde voor »den ko'praal” grooter werd,
         verminderde haar vriendschap voor den armen Bijou, die eindelijk,
         treurig en alleen, soms dagen achtereen, in 't sousterrain ronddoolde.
         Zijn mand met 't stuk karpet zag hij niet meer; hij sliep dus
         afwisselend in den turfbak, den kolenemmer of achter 't fornuis, en
         soms wentelde hij zich grimmig in 't kolengruis, als wilde hij zich in
         den rouw steken over zijn eigen verval. Zijn eten?—Hij stal het. O! 't
         was ver, zeer ver met hem gekomen!
      </p>
                  <p> Soms waagde hij zich tersluiks een oogenblik naar boven om als een
         Peri aan de poorten van 't paradijs nog eens die verloren heerlijkheid
         te aanschouwen. Dan keek hij met sprekende blikken naar binnen, als
         wilde hij vragen: »Ontferm u over mij, heb medelijden; ik was toch ééns
         uw lieveling. Wanneer zal de tijd mijner beproeving voorbij zijn?”
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Het had er inderdaad iets van alsof die tijd van beproeving voor
         Bijou tot in eeuwigheid zou verlengd worden, want zijn plaatsvervanger
         werd hoe langer hoe grooter en begon reeds op handen en voeten over de
         vloerkleeden te kruipen, zoodat zelfs de hond schik kreeg in het kleine
         menschje, dat hem—den viervoeter—zoo natuurlijk nabootste en nu en
         dan, op zijn beide handjes steunend, het hoofdje ophief en tegen Mama
         lachend: »Ma-Ma,” stamelde.
      </p>
                  <p> Bijou zou ongetwijfeld naar binnen zijn geloopen om, alle jaloezie
         en afgunst vergetend, met den kleinen jongen te gaan stoeien, indien de
         herinnering aan Frits' bottine hem niet had teruggehouden; daarom
         bepaalde hij er zich toe om van uit de verte toe te zien en van tijd
         tot tijd, als niemand op hem lette, zijn voorpooten en kop vooruit te
         brengen, heel zachtjes even blaffend een korten sprong voorwaarts te
         doen en dan ijlings weer achteruit te springen, in de hoop dat de jonge
         wereldburger hem zou zien en den eersten stap tot verzoening en
         toenadering doen.
      </p>
                  <p> Eenige maanden verliepen, zonder dat er verandering in Bijou's lot
         kwam; verstooten en verwaarloosd sleepte hij zijn leven voort, totdat
         een onverwachte gebeurtenis verandering in zijn toestand bracht.
      </p>
                  <p> Op een namiddag was oom Harmsen even komen kijken hoe zijn
         peetekindje het maakte, en de goede man verheugde zich met »Mama” over
         de omstandigheid, dat de stamhouder aanhoudend pogingen deed om »het
         staan", dat hij al sedert lang verstond, in loopen te veranderen.
      </p>
                  <p> »Potdori, Marie! daar steekt hij waarachtig van wal. Hou je roer
         recht, jongen! Ferm zoo! toe maar! Zorg dat je koers houdt,” riep
         vroolijk lachend de oude zeekapitein, toen hij zag, dat 't jonge mensch
         zijn standplaats bij den fauteuil verliet en naar Marie, die van de
         canapé haar armen naar hem uitstrekte, kwam toewaggelen.
      </p>
                  <p> »Hij is er! Dat's 'n kerel als Cats.—Marie, ik feliciteer je.”</p>
                  <p> »Dank u, oom! Kom, beste jongen, nu nog eens geprobeerd. Nu naar
         oom; toe dan!”
      </p>
                  <p> »Komaan maat, zeil maar voor 't lapje weg,” riep oom en stak de
         handen uit.
      </p>
                  <p> »Waf!—waf! waf!” Bijou, die aan de deur had staan, kijken, kon 't
         nu niet langer uithouden; hij wilde meedoen aan dat spelletje, dat hem
         zoo aardig toescheen, 't kostte dan wat het kostte! En hij stormde
         eensklaps naar binnen.
      </p>
                  <p> Blaffend sprong hij tegen den kleinen man op, en deze, tegen dien
         schok nog niet bestand, wankelde, verloor zijn evenwicht, viel op den
         grond en rolde over Bijou heen.
      </p>
                  <p> »O God! oom! Gauw! gauw! Die hond is zoo jaloersch. Akiss! vort! Hij
         zal 't kind kwaad doen,” gilde Marie haastig opspringend.
      </p>
                  <p> »Da!—da!” riep de kleine lachend, en in 't minst niet verschrikt of
         angstig greep hij Bijou bij den kop en drukte zijn eigen blond
         krullebolletje tegen de vuilgele met kolenstof bezoedelde haren van den
         hond, die uit alle macht de wangen van Straling junior likte.
      </p>
                  <p> »Wat praat je van jaloersch? Er is geen kwaad aan boord bij dien
         hond, hoor! Kijk maar, ze zijn al dikke vrinden; 'n verduiveld aardig
         gezicht om die twee daar met mekaar te zien rollebollen. Kijk dien
         kleinen rakker hem eens in z'n wammes nemen. Nou, 't is een lobbes van
         'n hond, wat ik je zeg! Die doet je jongen waarachtig geen kwaad; laat
         ze maar gerust met mekaar spelen.—Toe dan, Bijou, hou je goed,—pak
         ze.—Ha! ha! daar duikelt hij waarachtig over z'n kop,” riep oom
         Harmsen, die schik had in de evolutiën van hond en petekind en lachend
         voegde hij er bij: »Maar als ik je een raad schuldig mag wezen, laat 't
         mormel dan eerst eens wasschen.”
      </p>
                  <p> »Neen, maar oom! nu wordt het heusch te erg, hij zal 't kind
         bezeeren", riep de jonge moeder, die toch nog met een zekere angst in
         't hart toekeek en nu verschillende pogingen deed om Bijou en 't kind
         te scheiden.
      </p>
                  <p> »Allo! marsch jij, vort! Toe oom, help me dan toch eens. Vort,
         Bijou!—Ze laten elkaar niet los.—Oom, kom dan toch?”
      </p>
                  <p> »Waarom? Laat ze maar begaan.”</p>
                  <p> »Toe, ventje, kom jij maar weer bij Mama—'t is nu genoeg”—zei
         Marie, en trachtte den kleinen man op haar schoot te tillen.
      </p>
                  <p> Maar neen!—de jongeheer had er nog niet »genoeg” van, hij zette een
         keel op, spartelde met handen en voeten tegen, en de hond sprong zoo
         vriendelijk kwispelstaartend om haar heen, dat zij eindelijk wel
         toegeven moest en de twee speelmakkers met een: »Nu, ga dan in Godsnaam
         jelui gang maar", te zamen op den grond zette.
      </p>
                  <p> Juist kwam Frits binnen, en toen hij daar vóór zich op 't vloerkleed
         dat aardige groepje zag en Marie met Oom zoo hartelijk hoorde lachen om
         de zonderlinge geluiden, die het stoeiend tweetal voortbracht, riep hij
         vroolijk: »Zoo is 't goed. Toe maar, jongens!—Marie, wat dunkt je:
         zullen wij den vriend van onzen zoon maar niet weer in genade
         aannemen?”
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Een paar weken later zat Bijou, netjes geschoren en gewasschen,
         deftig op zijn oude plaats in het salon en zag oplettend naar zijn
         vriend, die op Mama's schoot in Zondagstenue werd gestoken; maar
         intusschen zei Jaantje tot den infanterist, die na kerktijd even was
         komen aanwippen en in de keuken front maakte voor een restant vleesch,
         groente en aardappelen, dat de liefde hem opgewarmd als lunch aanbood:
         »Janus, ik ga verhuizen; 't is hier reëel in huis niet meer uit te
         houwen, want nou heb ik twee mormels te bedienen in plaats van één. 't
         Volk lijkt wel gek daarboven: verbeeld je, 's middags zitten Besjoe en
         't kind ieder op een stoel aan tafel tusschen de ouwe lui in! Zoo ies
         kan geen fatsoenlijke meid verdragen!”
      </p>
               </level3>
               <level3>
                  <h3>
			                  <a id="a1_0_5">HENRI DE SNOEPER.</a>
		                </h3>
                  <p/>
                  <p> HENRI DE SNOEPER.</p>
                  <p> AMSTERDAMSCH TYPE.</p>
                  <p> Hij is sedert lang overleden en van den arme begraven,—vrede zij
         zijne assche!—maar velen zullen zeker, met mij, zich nog herinneren,
         dat »de Snoeper” lang Amstels straten liep, als de schaduw van een man,
         die 't eenmaal beter had gehad. Menigeen, die dit stukje leest, zal
         ongetwijfeld met een glimlach terugdenken aan den tijd, toen »Henri”
         den spotlust der straatjeugd opwekte en, als een halve idioot
         voortsukkelend, altijd aan den huizenkant der grachten liep, nu en dan
         stilstaande om de kwajongens, die hem het hatelijke woord »meheer
         kauwbeen” of »snoeper” nariepen, met zijn stok te dreigen en bevend van
         kwaadheid te roepen: »Kwède jongens, indien ge mij nog lènger
         insoleert, zèl ik 'n ègent hèlen!”
      </p>
                  <p> Ik zie hem nog duidelijk voor mij. Een klein, verdroogd mannetje met
         een tanig, verschrompeld gezicht zonder noemenswaarde uitdrukking. De
         sterk gebogen neus, die in breede beweeglijke vleugels uitliep, hing
         als 't ware boven een ingevallen mond, waarin hier en daar zwarte
         stompjes tand, als de overblijfselen van roofsloten aan een meer,
         zichtbaar waren. Zijn dunne bloedelooze onderlip vereenigde zich met de
         lange, vooruitstekende, spitse kin, die, min of meer naar boven
         geheven, met den krommen neus iets havikachtigs aan het geheele profiel
         gaf. Enkele spaarzaam ingeplante haartjes deden pogingen om op de naar
         achteren getrokken bovenlip een knevel voor te stellen en ettelijke
         grauwwitte stoppels aan kin en wangen trachtten het menschdom te doen
         gelooven, dat Henri een baard had kunnen krijgen, wanneer de grillige
         natuur dien niet in zijn wasdom had gestoord.
      </p>
                  <p> Zoolang de man zijn ouden, slaprandigen en gedeukten hoogen hoed,
         die gewoonlijk met een rossigen rouwband was omgeven, ophield, bleef
         men in den waan, dat hij nog hoofdhaar bezat; maar zoodra hij dat
         hoofddeksel afnam, verdween die illusie en ontwaarde men een min of
         meer onzindelijk, biljartbalachtig hoofd, dat van achteren en aan de
         slapen zeer sporadisch voorkomende, kort afgebroken, grauwe haartjes
         vertoonde. Wenkbrauwen had hij eenmaal bezeten, en zijn oogen—wanneer
         men de glanslooze, groezelige, met bloed doorloopen weeke massa, die de
         haarlooze en roodgerande openingen vulde, zóó kan noemen—waren steeds
         half dichtgeknepen, als schuwden zij het licht, en met moeite
         onderscheidde men een paar matte, bijna geheel met een grijsachtig
         vlies bedekte oogappels, die onomstootelijk bewezen, dat »de Snoeper”
         zeer slecht van gezicht was.
      </p>
                  <p> Een dunne, gevaarlijk dunne, hals verbond het min of meer te groote
         hoofd aan een lichaam, dat kegelvormig, schier zonder schouders
         eindigde in een paar kromgetrokken beentjes, rustende op twee
         damesvoetjes, met in staat van ontbinding verkeerende bottines bekleed,
         of in schoenen gestoken, die bij iederen tred dreigden uiteen te
         vallen. Zijn kleeding was »shabby genteel” in de vijfde macht en
         bestond 's zomers uit twee, 's winters uit een drietal jassen zoodanig
         over elkander aangetrokken, dat de ondereinden, de panden,
         amphitheatersgewijs zichtbaar waren en rafelend bewezen, dat zelfs goed
         laken of andere beste stoffen den tand des tijds niet kunnen weerstaan.
         Met een minimum van knoopen werden die jassen dichtgehouden over een
         vest dat.... Neen! laat ik over dat vest liever zwijgen; 't was rijp
         voor den papiermolen.
      </p>
                  <p> Een pantalon, aan de ondereinden omgeslagen, omdat de kleermaker die
         eenmaal voor langere en meer gevulde beenen aanmat, fladderde als 't
         ware om de dunne loopzuilen van den Snoeper, die, met een sterken knik
         in de knieën loopend, zich door de hulp van een scherp gepunt stokje in
         evenwicht hield, zoodra 't glad was of glibberig op straat. Iets was er
         echter aan den man, dat hem bepaald behalve »shabby” ook »genteel”
         maakte, en dat iets was een tamelijk zindelijk halfhemdje en een
         boordje, dat met een vrij helder blauw, rood of groen dasje zijn sterk
         naar voren komenden adamsappel en pijpesteelachtigen hals omsloot. Wáár
         hij dat halfhemdje telkens weer deed wasschen, stijven en strijken, zal
         wel altijd een raadsel blijven, evenzeer als 't nog steeds in 't
         duister ligt van waar hij de steeds min of meer witte manchetten kreeg,
         die zijn polsen omgaven en sterk afstaken tegen de glacé-handschoenen
         die hij droeg, winter en zomer.
      </p>
                  <p> Die handschoenen bleken op zichzelf een studie waard; zonder twijfel
         waren ze niet van 't nummer, dat hij had moeten dragen, want meestal
         zagen ze om zijn handen er uit als de opperhuid van een tachtigjarige
         negerin. Hij versmaadde alle knoopjes en schalks keken zijn
         vingertoppen door 't leder, terwijl zij nagels, die in diepen rouw
         waren over 't verval van hun eigenaar, lieten zien. Afwisselend waren
         die handschoenen bruin, chamoiskleurig of zwart; soms zelfs droeg hij
         links een zwarten, rechts een bruinen of gelen Jouvin; daarop lette hij
         niet zoo heel nauwkeurig; misschien ook speelde hem zijn slecht gezicht
         daarbij een part.
      </p>
                  <p> Het stokje, dat hem trouw vergezelde, was evenzeer een curiositeit,
         want 't had voorheen in een parapluie dienst gedaan en was op de
         behoorlijke lengte gebracht door een timmerman aan wien Henri—hij zag
         hem op straat aan een schaafbank werken—gevraagd had: »Och! vrind, zèg
         me eens twee centimeters vèn dit stokje èf.” Een vriendelijke
         blikslager had het stokje van een ijzeren punt voorzien, doch verzuimd
         de verraderlijke knipveertjes, onder en boven, te verwijderen. Met een
         zekere »chic” droeg hij bij goed weder dat stokje onder den arm of over
         den schouder, soms draaide hij het zwierig rond, terwijl hij op zijn
         langzaam sukkeldrafje verder liep; in 't barre jaargetij gebruikte hij
         het als balanceerstok.
      </p>
                  <p> Gemeenlijk gluurde uit zijn borstzak een wit of rood tipje, dat
         daarbinnen een zakdoek deed vermoeden, en als het lente was of zomer
         werd, stak naast dien zak, in het verminkte knoopsgat, iets geels of
         iets groens,—waarschijnlijk het lijk van een lang verloren kind van
         Flora, dat hij gevonden had.
      </p>
                  <p> In zijn bewegingen was hij langzaam, afgemeten en deftig; nooit
         versnelde hij zijn pas, zelfs dan niet, wanneer de straatjeugd hem het
         leven zuur maakte en »meheer kauwbeen!” riep.
      </p>
                  <p> Met de grandezza van een Castiliaanschen Hidalgo en stoïcijnsch als
         een Spartaan vervolgde hij zijn weg, zonder zich om de verschillende
         epitheta, die men hem nariep, te bekommeren. Maar trof hem het een of
         andere projectiel, dan ontwaakte zijn gevoel van eigenwaarde, en
         bovenal wanneer dit werptuig een hippologisch spoor op zijn jas of hoed
         achterliet, keerde hij zich, met zijn stokje dreigend, om en riep,
         inwendig ziedend van toorn, niet zonder eenig valsch pathos: »Kwède
         jongens,” »insolente jongens", of »onbeschèmd rèpèlje!”
      </p>
                  <p> Zijn stem klonk min of meer heesch en rauw als van iemand, die 's
         avonds van te voren veel Chambertin heeft gedronken of lichtelijk
         verkouden is; daarbij was zijn uitspraak beschaafd, zelfs eenigszins
         geaffecteerd, ietwat »Hègsch.” Meestal volgde bij de jeugd een
         uitbarsting van hilariteit op zijn woorden en ging er een gejuich op,
         dat hem schouderophalend deed zeggen: »Onbeschèfd en dom tuig! Dèr is
         niets vèn te wèchten.” Hoofdschuddend vervolgde hij dan zijn weg.
      </p>
                  <p> Waarvan hij leefde?</p>
                  <p> Weinig menschen wisten het; men geloofde, dat hij bedelde, maar dàt
         was zoo niet; misschien zou hij niet te trotsch zijn geweest om van
         deze of gene medelijdende ziel iets aan te nemen, maar hij vroeg nooit
         en aan niemand.
      </p>
                  <p> Hij leefde van zijn vroegere vrienden, die—gedachtig aan de dagen
         van Olim, toen zij, met hem, op de met alle comfort ingerichte kamers,
         die hij »en garçon” bewoonde, gastreerden—hem wekelijks een kleine
         toelaag gaven.
      </p>
                  <p> Wanneer de arme man geen »passies” had gehad, zou die toelaag, met
         eenige bijverdiensten, die hij als welopgevoed man door schrijfwerk of
         iets dergelijks zeker had kunnen vinden, hem voor gebrek hebben behoed
         niet alleen, maar zelfs een bescheiden stuk brood hebben verschaft.
         Helaas! hij had wèl passies, de ongelukkige,—en die hartstochten
         waren:
<!-- **** No template for element: i **** --> beminnen en
<!-- **** No template for element: i **** --> smullen.
      </p>
                  <p> Toen hij nog »le beau petit Henri” en »in bonis” was, had hij veel
         liefgehad, maar altijd op een nette, kranige manier. Als een veroveraar
         was hij rondgegaan en had zijn zegekar triomfantelijk gereden, totdat
         hij moede van 't overwinnen zich rust had gegund bij een vriendin, die
         hem, naar hij beweerde, op de handen droeg, maar die hem zonder twijfel
         op diezelfde poezele handjes naar de Ommerschans of Veenhuizen zou
         hebben gebracht, indien zij niet een weinig te vroeg gestorven was, hem
         niets nalatende dan eenige onbetaalde rekeningen en een lichte
         aandoening van 't ruggemerg, die hem beverig en schrikachtig maakte.
         Die goede vriendin had hem na aan 't hart gelegen, zóó na, dat hij
         bijna ontroostbaar was en alles aanwendde om verstrooiing te vinden
         voor zijn sombere gedachten. Eindelijk gelukte hem dit in 't gezelschap
         van eenige dames, die de lieve overledene hadden gekend en vriendelijk
         haar best deden om door liefde en toegenegenheid Henri zijn bitter leed
         te doen vergeten. Hij werd minder somber, zelfs vroolijk, soupeerde,
         dineerde en adoreerde evenals vroeger; en hadden niet nu en dan zijn
         maag en rug hem gehinderd, hij zou geheel en al weer de oude zijn
         geworden.
      </p>
                  <p> Uit vermogende ouders geboren, opgevoed—neen! juist niet opgevoed,
         maar verwend—door een al te toegevende, dwaze moeder, die vroeg weduwe
         werd, had hij al de weelde leeren kennen, die een rijk patriciër zich
         kan en mag veroorloven. Vóór den tijd meerderjarig verklaard, na
         moeders dood, en in 't bezit gekomen van een vrij goed fortuin, was hij
         door goede vrienden, zoowel als door lieve vriendinnen, die volgens
         eigen zeggen »trotsch op hem waren", geworden hetgeen hij was: een
         doeniet, een »noceur” die nimmer één enkelen cent had weten te
         verdienen, maar met chic wist uit te geven en uitgaf, totdat zijn
         passiva de activa verre overtroffen.
      </p>
                  <p> »En privé!” zoo geheel »onder onsjes” was Henri toen »over den kop
         gegaan”; zonder veel drukte of omhaal werd alles netjes en vlot
         beredderd, en toen hij »schoongemaakt” was, zooals de vrienden zeiden,
         bleef hem niets over dan zijn bed, zijn garderobe en—zijn passies!
      </p>
                  <p> De vrienden waren in die omstandigheden hartelijk genoeg geweest; ze
         hadden hem van alles beloofd—en waren toen hun eigen weg gegaan, en
         zijn vriendinnen schreiden en klaagden, totdat zij met een hartelijken
         kus van innige deelneming hem verlieten. Zij konden zijn verval niet
         met droge oogen aanzien: daarvoor waren zij veel te zenuwachtig en te
         gevoelig georganiseerd.
      </p>
                  <p> »Pauvre petit Henri!” zei de laatste, die met hem had gesoupeerd.
         »Pauvre garçon, probablement nous ne nous reverrons jamais!” Zij sprak
         slechts Fransch—die lieve dame, maar zij meende het daarom even goed.
      </p>
                  <p> Henri zag haar zuchtend na; hij had altijd fijne vriendinnen gehad,
         die Fransch spraken, een »pâté aux truffes de Périgord” wisten te
         waardeeren en op een prik het onderscheid proefden tusschen Volnay en
         Château du Pape. Nu vreesde hij, dat hij die conversatie zou moeten
         opgeven.
      </p>
                  <p> Van zijn vrienden hoorde of zag hij weinig; allen hadden, de een
         meer, de ander minder, hun handen vol met allerlei zaken, die al hun
         tijd in beslag namen. Enkelen waren getrouwd en verzekerden hem met
         tranen in de stem, dat zij hem »gaarne, o! zoo gaarne bij zich aan huis
         zouden ontvangen om van tijd tot tijd door een familiaar diner, zijn
         soupers, diners en soirées van vroeger te réciproceeren, maar ...
         hum!—zij hoopten niet, dat hij 't kwalijk zou nemen—hun vrouwen
         hadden de reuke van heiligheid, waarin Amice Henri stond, reeds van
         verre vernomen en daarom ... hum! hum! 't Speet hun ijselijk en 't lag
         heusch alleen aan de vrouw, maar .... hum! hum! Als zij hem dus
         misschien—altijd zonder hem te beleedigen—konden assisteeren met een
         tientje of een bankje, dat hij later kon teruggeven, als 't hem
         convenieerde, dan .... hum! van harte, hoor!—van harte!”
      </p>
                  <p> Henri was een goeie jongen, in 't geheel niet trotsch; hij voelde
         zich in 't minst niet gekrenkt of beleedigd door dat aanbod; hij zou 't
         immers, zoodra hij een betrekking had, in dank restitueeren en—zonder
         blozen deed hij zoo'n tientje of meer in zijn toen nog elegante
         portemonnaie verdwijnen.
      </p>
                  <p> Slechts één enkele vriend had hem geen geld, maar een bescheiden
         plaats op zijn kantoor aangeboden; 't salaris was wel is waar niet
         groot, maar toch voldoende om van te leven, wanneer hij slechts de
         tering naar de nering zette.
      </p>
                  <p> Dat was een uitkomst! De elegante Henri maakte plaats voor den
         kantoorbediende? O, neen! het kantoor werd alleen een eleganten
         bediende rijk, dat was alles.
      </p>
                  <p> De chefs konden er niet beter »gesoigneerd” en »fijner” uitzien dan
         Henri, die met de betrekking en het daaraan verbonden salaris ook zijn
         passies—hoewel min of meer gewijzigd—met nieuwe kracht voelde
         ontwaken.
      </p>
                  <p> Op het kantoor werd niet veel, bijna niets van zijn werkkracht
         gevergd; dat beviel hem zeer; hij was er en deed dus meestal alsof hij
         er niet was.
      </p>
                  <p> Men duldde dat, wijl de beschermende vriendenhand, die machtig
         genoeg was om het
<!-- **** No template for element: i **** --> te kunnen doen, zich bleef uitstrekken over
         Henri's hoofd, waaromheen de haren langzamerhand de gedaante van een
         aureool begonnen aan te nemen. Eenige jaren bleef alles gaan, zooals 't
         ging, totdat de aureool verdween te gelijk met de beschermende hand.
      </p>
                  <p> »Er was niets met dien panier percé aan te vangen", beweerden de
         patroons, en gedachtig aan het »en leid ons niet in verzoeking”
         verwijderde men Henri van cassa en lessenaar. Met een »douceur” als
         afscheid vertrok hij, onbetreurd en onbemind, niet naar zijn kamers,
         maar naar een vriendin, die hem na zijn oorspronkelijke onttroning nu
         en dan aanhankelijkheid had getoond.
      </p>
                  <p> Hij nam bij haar zijn intrek. Zij was geen bloem van vreemden bodem,
         maar had bij een der Françaises, die Henri vroeger kende, »meheer wel
         ereis ontmoet, als zij bij 't schoonmaken hielp”. Zij was niet jong
         meer, ook niet schoon, maar ze had een goed hart en nogal »kennisjes",
         die aan meheer, toen hij nog in goeden doen was, wel eens verplichting
         hadden gehad. Hier en daar vond hij nu, als oude bekende, een uurtje
         van gezellig verkeer; maar toen ook de douceur, ja zelfs de opbrengst
         van zijn garderobe en de weinige kostbaarheden die hij bezat waren
         omgezet in liefde, punch en wijn met gebak, bleven zelfs de meest
         vervelooze kamerdeuren voor hem gesloten en zocht hij zijn heil op de
         straat; ook daar maakte hij soms nog kennissen, maar—ze waren er dan
         ook naar. Die kennismakingen op de straat en de avondlucht waren
         verderfelijk voor Henri: hij werd er ernstig ziek van en in 't gasthuis
         had hij lang, zeer lang, tijd om na te denken, hoe hij zoover gekomen
         was.
      </p>
                  <p> Sedert jaren reeds had hij 't werkwoord beminnen niet meer in 't
         Fransch, maar in zijn moedertaal vervoegd; de toekomende tijd was er
         voor hem reeds geweest en na zijn herstel verdween ook de
         voorwaardelijke te gelijk met zijn laatsten cent.
      </p>
                  <p> Lichamelijk en geldelijk had hij afgedaan; alles was op!</p>
                  <p> Hij was de ruïne van een mensch: droef en akelig ging zijn zon
         onder, voordat ze de volle middaghoogte had bereikt, en de volle maan
         bescheen zijn bouwval.
      </p>
                  <p> Kil en koud sloop hij verder door 't leven. In 't gewoel der groote
         stad in den menschenstroom verdween hij en bleef langen tijd
         verscholen—onder water—totdat op zekeren dag bij een van de oude,
         gezellige vrienden van vroeger, een mannetje verscheen, dat op de
         schaduw geleek van Henri, die allen zoo goed hadden gekend. Als de
         doffe echo van een bekende stem, weerkaatsend langs de brokkelende
         wanden van een uitgebranden krater, klonk zijn bede om hulp,—om brood!
      </p>
                  <p> Nogmaals ontfermden zich eenige vrienden over den gastheer van
         voorheen; zij sloegen de handen ineen en brachten een klein wekelijksch
         inkomen tot stand voor Henri—met zijn passie: want één passie was hem
         nog trouw gebleven, namelijk »het smullen.”
      </p>
                  <p> »Le beau petit Henri des dames” was in 't gasthuis en in het
         straatvuil overleden,—het Amsterdamsche type »Henri de Snoeper", alias
         »meheer Kauwbeen” was geboren.
      </p>
                  <p> II.</p>
                  <p> »Bonjour, m'nèr!” zegt »de Snoeper", in een der voornaamste
         Amsterdamsche sigarenmagazijnen binnenkomend.
      </p>
                  <p> Met schrik bemerkt de winkelier den van dag tot dag zich
         onsmakelijker voordoenden klant, maar goedhartig als hij is en
         gedachtig aan de tijden van weleer, toen hij Henri gaarne in zijn
         winkel zag komen, wil hij hem niet bot-af de deur wijzen en antwoordt
         flauwtjes: »Morgen, m'neer!” maar brengt, te gelijk eenige op de
         toonbank open uitgestalde kistjes sigaren in veiligheid, omdat hij bij
         ervaring weet, dat »de Snoeper” de gewoonte heeft om in de kistjes te
         grabbelen, de sigaren »en fin connaisseur” in de hand te nemen, te
         bekijken, te beruiken—en o, die handen......!
      </p>
                  <p> »Èngenèm weer vèndèg", klinkt het verder uit den mond des bezoekers,
         die intusschen zijn gebulten hoed afneemt en voorzichtig nederzet,
         terwijl hij zijn stokje er naast legt of tegen den kant der toonbank
         doet leunen.
      </p>
                  <p> Medelijdend glimlachend ziet de winkelier zijn bezoeker aan, als
         deze zijn glacé-handschoenen uittrekt, ze nonchalant in zijn hoed werpt
         en dan, uiterst beleefd, vervolgt: »Ik wenschte wel, dèt u mij eens een
         pèr soorten sigèren liet zien vèn zes à ècht cents 't stuk, mèr met
         Hèvènè-dek; ènders kèn ik ze niet rooken, en, èls u ze heeft, tèmelijk
         zwèr.”
      </p>
                  <p> Om alle onaangenaamheden te voorkomen biedt de winkelier zijn klant
         geen kistjes aan, maar legt hem van verschillende soorten sigaren
         eenige stuks voor en wacht.
      </p>
                  <p> Voorzichtig, chic, tusschen duim en wijsvinger, neemt »de Snoeper”
         achtereenvolgens van elk de ter keuze gelegde soorten een sigaar, op,
         ruikt er aan, tracht met zijn halfblinde oogen de kleur van 't dekblad
         te onderkennen en vraagt:
      </p>
                  <p> »Welken nèm hebben ze?”</p>
                  <p> »Flor de Sevilla, Conchas.”</p>
                  <p> »Èh jè! connu, die heb ik vroeger ook veel gerookt; die wèren niet
         slecht, mèr wèt heel zwèr. En die ènderen?”
      </p>
                  <p> »Cuba es mi Patria.”</p>
                  <p> »Uitstekend! Die heb ik èltijd gèrne gerookt; ik zèl dèrvèn een
         nemen èls monster.—Zes cent, niet wèr?”
      </p>
                  <p> »Pardon, acht cent!”</p>
                  <p> »O! ik wès in den wèn, dèt ze zestig gulden wèren; mèr 't is zoo, ik
         herinner me, ze wèren vèn tèchtig. Ik zèl deze eerst probeeren: wènneer
         ze me bevèllen, wil ik er wel meer vèn hebben.”
      </p>
                  <p> De sigaar wordt opgestoken en met een: »Au revoir, m'nèr” zet »de
         Snoeper” zijn hoed op, neemt zijn stokje in de hand, slaat er een
         trois-quarts-parade mee door de lucht en verlaat den winkel,
         medelijdend nagestaard door den winkelier, die hem de sigaar gaarne had
         willen schenken uit oude connectie. Hij heeft het zelfs eenmaal
         geprobeerd, en toen hij zeide: »Houd het geld maar, u kunt de sigaar
         toch wel opsteken", trots ten antwoord gekregen: »Merci! ik kom èls
         klènt, niet èls bedelèr.”
      </p>
                  <p> Sedert dien tijd behandelt hij »de Snoeper", niettegenstaande diens
         afschuwelijk uiterlijk, toch met een zekere medelijdende
         onderscheiding.
      </p>
                  <p> Langzaam de sigaar genietend gaat de ongelukkige verder tot aan een
         comestibelen-magazijn; ook dáár kent men hem, en de juffrouw stoot
         giegelend den winkeljongen aan, als »Kauwbeen” binnenkomt. Ook daar
         neemt hij »gentlemanlike” den hoed af, maar zet dien niet op de
         toonbank, omdat de patroon hem eens gezegd heeft: »Meneer! de toonbank
         is wel eens vettig; ik zou u niet raden uw hoed er op te zetten.” Die
         comestibelenhandelaar was een verkapte diplomaat!
      </p>
                  <p> »Geef mij eens een ons gèlèntine aux truffes, mèr wees zoo beleefd
         het goed in te wikkelen in pèpier.” Begeerig snuift hij in dat magazijn
         de lucht van Fromage de Brie, Emmenthaler, Saucisse de Boulogne,
         Ossentong en Salamie op; hij maakt volstrekt geen haast om weg te
         komen, zoekt langzaam de twintig centen voor het ons galantine bijeen,
         bergt het zorgvuldig in den achterzak van een zijner jassen en trekt
         langzaam zijn handschoenen weer aan, die hij had uitgedaan om
         gemakkelijker het geld te kunnen tellen—of om tijd te winnen. 't Is
         alsof hij zich aan die mengeling van geuren wil te goed doen; zijn
         neusvleugels worden wijder en onbewust opent hij zijn mond een paar
         malen, als kon hij door 't inademen dier vluchtige deelen van kaas en
         vleesch verzadigd worden.
      </p>
                  <p> Zijn derde bezoek gold een bakkerswinkel.</p>
                  <p> Met den bakker maakt hij weinig omslag; 't artikel brood is ook te
         gewoon. Met den hoed op 't hoofd, zijn stokje in de hand, koopt hij
         twee »pains de luxe", maar vraagt: »In pèpier, s'il vous plait!”
      </p>
                  <p> De broodjes verdwijnen in een zijner zakken en hij wandelt verder
         tot aan een banketwinkel. Ook daar schijnt hij een vaste klant te zijn,
         want zoodra de juffrouw zijn nadering bemerkt, schuift zij de schotels
         met taartjes en cakes zoo ver mogelijk buiten 't bereik van den klant,
         die zich niet ontziet om ze, vóórdat hij ze koopt, liefkoozend te
         bevingeren.
      </p>
                  <p> »Wil u de beleefdheid hebben, mij 'n pèr zèndtèrtjes te geven?”
         vraagt hij, na te zijn binnengetreden.
      </p>
                  <p> »Van 'n stuiver 't stuk?” klinkt het min of meer ondeugend van de
         lippen, der juffrouw; zij kent immers zijn stereotiep antwoord:
      </p>
                  <p> »Pèrdon! voor ditmèl mèr vèn 'n hèlven stuiver.”</p>
                  <p> Soms veroorlooft hij zich nog de weelde van een roomhorentje of een
         confituurtaartje, dat hij o! zoo chic en o! zoo langzaam vóór de
         toonbank verorbert, tot ergernis van de juffrouw, die, zooals zij 't
         noemt, haar hart vasthoudt dat er op 't oogenblik, dat »meheer
         Kauwbeen” er is, dames zullen binnenkomen. Hij haast zich volstrekt
         niet en praat al etend met de winkeldochter: »Ik heb indertijd dikwijls
         vèn die côtelettes en robe de chèmbre hier vèndèn gehèd; dèr hèd de
         pètroon bepèld slèg vèn om ze èppètissènt te prépèreeren,” zegt hij,
         kruimken voor kruimken kauwend. »Ik woonde toen ter tijd op kèmers op
         't Rokin; 't is onèngenèm voor me, dèt ik me lèter min of meer moest
         ... hum!... Enfin! ik heb...” Daar komen eenige dames binnen, en de
         winkeljuffrouw, die hem tot dusverre heeft aangehoord, zegt eensklaps:
         »Ik krijg zeven en een halven cent van u!”—»Oui, Voilè!” De Snoeper
         betaalt en verwijdert zich na eene hoffelijke buiging tegen de
         binnentredende dames te hebben gemaakt en met een glimlach om zijn
         tandeloozen mond de woorden te hebben geuit: »Sèlut à lè beauté!”
      </p>
                  <p> Nog is zijn proviand-tocht niet ten einde, want na een vrij lange
         wandeling is hij in een van de achterbuurten der stad gekomen. Voor een
         koffiehuis van den achtsten rang staat hij stil, grijpt even met zijn
         hand in den zak en telt, zonder dat iemand het ziet, zoo gelooft hij
         ten minste, de rest van zijn geld; 't bedrag valt hem zeker mede, want
         in plaats van het »koffie-en chocolaadhuis” binnen te gaan, keert hij
         op zijn schreden terug en treedt een koomenij binnen, koopt
         daar—niemand ziet het immers—een ons zoetemelksche kaas en twee
         gesmeerde kadetjes, maar beide »in pèpier.”
      </p>
                  <p> In 't chocolaadhuis zitten eenige werklieden, die, zoodra hij
         binnenkomt, beginnen te lachen en hem toevoegen: »Zoo, papa Kauwbeen!
         ben je daar weer? Kom je schaften?” Hij antwoordt niets, maar ziet hen
         met diepe verachting over den schouder aan, als hij zoo ver mogelijk
         van hen af aan een tafeltje gaat zitten en kortaf roept: »Een kop
         chocolèd!”
      </p>
                  <p> Dan ontvouwt hij het »pèpier", belegt met zijn vingers de twee
         kadetjes met het ons kaas, breekt ieder broodje in vier stukken en eet
         met smaak, nu en dan zijn maal afwisselend door een teug
         melk-chocolade.
      </p>
                  <p> »Zeg, Snoeper!” schreeuwt een van de werklieden, die, met beide
         ellebogen op tafel steunend, uit een kom koffie drinkt en een dikke
         boterham met roggebrood voor zich heeft liggen, »zeg, waar heb jij nou
         weer die kaas opgedoken?”
      </p>
                  <p> »Och, laat hem zitten, hé!” vraagt de bedienende kastelein, en
         glimlachend voegt hij er bij: »Meneer doet jou immers niks!”
      </p>
                  <p> »Meneer? 'n Mooie meneer!” grinnikte de werkman. »'k Wou om de dood
         niet graag zoo'n heer wezen.”
      </p>
                  <p> »Och hij is halfsuf, laat 'm zitten, Karel; hij is toch vroeger 'n
         heer geweest,” zegt de kastelein halfluid, en zachter voegt hij er bij:
         »Hij is van voornaam komaf, maar z'n femielie is sjofel geworden net
         als hij zelf; 't is ongelukkig genoeg, dat ie nou van de gift leven
         moet.”
      </p>
                  <p> »Wat weêrga, laat 'm dan gaan werken: wij moeten 't toch ook doen.”</p>
                  <p> »Hij werken? Kijk 'm ereis goed an: daar is ie veel te petieterig
         voor.”
      </p>
                  <p> »Hum ja! je hebt gelijk: daar is hij te miserabel voor.—Afijn laat
         'm voor mijn part maar zitten; ik wil nog niet eens met 'm ruilen met
         al zijn komaf.”
      </p>
                  <p> Intusschen eet de Snoeper, die 't gesprek niet gehoord heeft, zijn
         broodjes; de laatste kruimeltjes, die op 't papier liggen, tipt hij één
         voor één met een vingertop op en 't laatste druppeltje chocolaad heeft
         hij met een stukje brood uit den kop geveegd.
      </p>
                  <p> Hij betaalt, steekt het eindje van zijn sigaar weer op en vertrekt
         zonder iemand der aanwezigen te groeten; alleen den kastelein knikt hij
         heel voornaam even toe, als hij de deur uitgaat.
      </p>
                  <p> De voorraad, dien hij in zijn zakken heeft, dient nu als teerkost op
         den weg; want—hij wandelt, wandelt als Ahasverus, zonder rust, zonder
         verpoozing. Dan ziet men hem hier, dan weer daar, en altijd peuzelt hij
         uit zijn zak; zijn kakebeenen zijn voortdurend in beweging, en heeft
         hij niets te kauwen in werkelijkheid, dan nog bewegen zich zijn kaken
         werktuiglijk heen en weer als een perpetuum mobile.
      </p>
                  <p> Zóó was de Snoeper, zóó zag ik hem, toen ik mij de moeite gaf hem na
         te gaan en te volgen, zonder dat hij 't wist. Wat ik verder over hem
         vernam was dit. Hij vroeg nooit aan oude bekenden om ondersteuning,
         maar hij had er toch een zekeren slag van om langs diplomatieken weg
         zijn financiën voor 't oogenblik te verbeteren, en wel op de volgende
         manier. Wanneer hij den een of anderen kennis van vroeger ontmoette,
         die niet tot de wekelijks contribueerenden behoorde, hield hij hem
         staande en zei: »Hé bonjour! Hoe mèk je 't? 'k Hèd in leng 't genoegen
         niet je te zien; ik zou je wel eens hebben opgezocht, mèr—c'est triste
         a dire—mijn gèrderobe is op 't oogenblik niet premier choix. Ik heb
         hélès! veel geld verloren, mèr juist doordien ik fètsoenlijk mensch wou
         blijven. Ik heb nu èlleen 'n kleine lijfrente wèrvèn ik existeer;
         wènneer je dus eens iets voor me hoort, de een of èndere betrekking,
         die niet déshonorèbel is, dèn zul je me obligeeren door me te
         recommèndeeren; wènt, sèns bèdinège, ik heb 't zeer noodig, ik kèn je
         èls ouwen kennis wel entre-nous vertellen, dèt ik 't hoog noodig, zelfs
         zeer hoog noodig heb.”
      </p>
                  <p> Wanneer dan de aangesprokene, bewogen door des »Snoepers” ellendig
         uiterlijk, hem een gulden, soms zelfs een rijksdaalder in de hand wilde
         leggen, weigerde hij dien eerst met een: »Pèrdon! zóó wès 't niet mijn
         intentie; ik ben goddènk nog geen bedelèr, mèr èls ik er je genoegen
         mee doe, wil ik 't momenteel wel èccepteeren, op conditie dèt ik 't je,
         zoodrè 't me convenieert, in dènk restitueer. Èdieu! ik hoop me spoedig
         te revèncheeren.”
      </p>
                  <p> Van dat »revèncheeren” is nooit iets gekomen—alleen de natuur nam
         »revanche” op de afwijkingen van »Kauwbeen", want vóór zijn 48e jaar
         stierf hij in 't Buitengasthuis aan herzenverweeking. Niemand beweent
         hem, niemand verliest iets aan hem—want hij had voor niemand geleefd
         dan voor zichzelf. Een onnut leven is geëindigd, een zonderling
         straattype is verdwenen—ziedaar zijn grafschrift!
      </p>
               </level3>
               <level3>
                  <h3>
			                  <a id="a1_0_6">DIRK DE SNORDER.</a>
		                </h3>
                  <p/>
                  <p> DIRK DE SNORDER.</p>
                  <p> Een bitter koude, donkere winteravond!</p>
                  <p> Zwaar van hagel en sneeuw, dreigen de wolken in het uitspansel,
         gereed om hun last over de koude, harde aarde uit te storten, zoodra de
         scherpe oostenwind hen niet meer bedwingt door zijn kracht.
      </p>
                  <p> Nu en dan, als hij zijn verstijvenden kouden adem een oogenblik
         inhoudt, ontsnappen aan de wolkgevaarten kleine scherpe ijskristallen,
         die naar den grond dwarrelen, als de geeselende voorboden van nog
         strenger vorst. De maan heeft zich verscholen in het donzig wolkenbed,
         en slechts dan wanneer de wind de wollige sprei, die haar gelaat
         bedekt, even scheurt of oplicht, gluurt zij, uit een bleekrooden krans,
         naar de wereld onder haar.
      </p>
                  <p> Slaperig en beneveld ziet zij op de slechts hier en daar nog met
         witte plekken bestipte daken der huizen, of in de straten en stegen,
         waarin de sneeuw grootendeels reeds is weggevroren of verpoeierd
         opstuift, als een windstoot gierend tusschen de huizen blaast.
      </p>
                  <p> Donker en somber teekenen zich gebouwen en torens af tegen de vale
         plekken in de lucht. Hier en daar smelten alle omtrekken samen tot één
         vormeloozen, zwarten klomp, nauwelijks te onderscheiden van de dikke,
         zware wolken, die den nacht bijna volkomen maken.
      </p>
                  <p> Heldere strepen, vierkanten en ruiten van rosachtig geel licht
         breken op verschillende plaatsen, lager of hooger, krachtig door dat
         duister; 't zijn de verlichte vensters van de huizen.
      </p>
                  <p> Het Centraal-station staat tegen de donkergrijze lucht, als een
         zwarte massa, alleen gebroken door een groote, langwerpig vierkante
         plek helder licht, den ingang. De schijn der gasvlammen blinkt tegen de
         ijskegels, aan den gevel en tintelt in de sneeuwdeeltjes, die op de
         houten trappen van het gebouw glinsteren.
      </p>
                  <p> Een lange rij lichten, op gelijke afstanden van elkaar staande,
         links van het station, wijst de standplaats aan der huurrijtuigen, op
         de reizigers wachtend, die met den laatsten trein moeten aankomen.
      </p>
                  <p> 't Is kwartier voor elven.</p>
                  <p> Om elf uur drie minuten moet de trein het station binnenstoomen en
         zal de betrekkelijk vrij groote kalmte, die nu bij, om en in het gebouw
         heerscht, plaats maken voor zenuwachtige drukte en haast.
      </p>
                  <p> De koetsiers van »de aapjes” en vigilantes trappelen op en neer
         naast de geduldig onder hun dekens stilstaande paarden, waarvan een
         enkel nu en dan met den kop schudt of een der voorpooten oplicht, om
         met zijn hoef de straatsteenen te krabben, als wilde het dier de
         beweging van zijn meester nadoen.
      </p>
                  <p> De wachthebbende politie-agent heeft tijdelijk een schuilplaats
         gezocht in de vestibule bij de middendeur en ziet met verlangen uit
         naar het oogenblik, waarop hij zijn kouden post voor het warme bureau
         zal kunnen verwisselen.
      </p>
                  <p> Een eind voor het station, bij het begin van den oprit, staan een
         paar vigilantes, die telkens, als een passagier instapt, beven en
         sidderen voor zich zelve en voor den roekelooze, die zich waagt aan
         vehikels met paarden er voor, die betere dagen hebben gekend en rijp
         zijn om binnen korten tijd te veranderen in zoolleer, goedkoope
         biefstuk of best rookvleesch.
      </p>
                  <p> 't Zijn een paar »snorders", zooals men te Amsterdam dat soort van
         vervoermiddel noemt.
      </p>
                  <p> De stationneerde rijtuigen behooren tegenwoordig aan eene
         maatschappij, die ze tegen een bedongen prijs, hooger of lager, al
         naarmate van de standplaats die zij innemen, verhuurt aan koetsiers,
         die volgens een door burgemeester en wethouders bepaald tarief moeten
         rijden en hun verdienste vinden in het verschil tusschen het geld, dat
         zij voor de ritten ontvangen en den huurprijs dien zij betalen.
         Gewoonlijk houdt de koetsier van een gestationneerd rijtuig of aapje
         een tamelijk goed weekloon over en kan daarvan, wanneer Bacchus hem
         niet de baas is, met een gezin vrij goed, soms zeer goed leven. De
         »snorder” daarentegen is in den regel in dienst bij een baas, die één
         of twee invalide oude rijtuigen bezit en even zooveel afgeleefde
         knollen op stal heeft. Soms rijdt de baas ook zelf, maar dan is
         gewoonlijk het voertuig zoo onaanzienlijk en van een zoodanig verweerd
         en vermolmd soort, dat het, evenals de uilen, alleen des nachts op
         straat komt en in 't duister ontsnapt aan 't valkenoog der inspecteurs
         van het voerwezen, of oogluikend wordt toegelaten, als die ambtenaren
         menschelijk genoeg zijn om den armen baas een stukje brood te gunnen.
      </p>
                  <p> Zulke open of dichte wagentjes worden meestal alleen door benevelde
         of vroolijke nachtvogels gebruikt, en nergens weten de kreupele
         paarden, die er voor zijn gespannen, zoo goed den weg als op den
         Zeedijk en in de Nes.
      </p>
                  <p> De »snorder", die door een knecht gereden of bestuurd wordt, staat,
         hoewel geen sport, toch iets hooger op de ladder van 't voerwezen. Hij
         vertoont zich den geheelen dag en doet afbreuk aan de rijtuigen der
         maatschappij en der grootere stalhouders. 't Is in zeker opzicht een
         vrijbuiter. Hij neemt wat hij krijgen kan, zonder zich aan een tarief
         te houden, loert aan de stations op argelooze passagiers, die geen
         ander rijtuig meer konden krijgen, en rijdt verder stapvoets dan hier
         dan daar rond langs pleinen en straten, om een vrachtje op te snorren.
      </p>
                  <p> 't Is voor den knecht meestal een schraal stukje brood, want de baas
         betaalt hoogstens 4 à 5 gulden 's weeks en laat verder zijn koetsier
         aan de weldadigheid der passagiers over. Is zoo'n knecht niet eerlijk,
         dan... Doch 't is plicht te gelooven, dat ieder mensch als »goud” is,
         en daarom nemen we aan, dat de beide snorders, die op den kouden
         winteravond in de nabijheid van het Centraal-station hebben heen en
         weer gereden en nu naast elkander, op eerbiedigen afstand van den
         politie-agent stilstaan, voor de belangen van hun respectieve bazen in
         alle deelen opkomen zooals 't behoort.
      </p>
                  <p> »'t Is weerlichts koud van avond", zegt de een tot den ander, die
         evenals hij, naast zijn paard staat te trappelen.
      </p>
                  <p> »Nou sicuur, hoor! M'n beenen vallen haast af.—Zeg, Bobberd! heb je
         nog tabak?” is 't antwoord.
      </p>
                  <p> »Geen draadje meer, manke! Anders... Viegelantje, meheer?” De
         Bobberd spreekt een heer toe, die hem rakelings voorbij gaat, en slaat
         met kracht zijne koude handen samen, als applaudisseerde hij zijn eigen
         woorden. »Viegelantje, meheer?”
      </p>
                  <p> »De manke” biedt evenals zijn kameraad herhaaldelijk zijn rijtuig
         met een: »Rijtuig, meheer?” of »Viegelant assieblieft?” aan de enkele
         menschen aan, die iemand of iets van 't station moeten halen en die
         zich om die vraag even weinig bekreunen als om den jongen, die op een
         sukkeldrafje de menschen naloopt en met bibberend stemgeluid vraagt:
         »'N doossie lucifers, heeren?”
      </p>
                  <p> »Zeg, Bobberd?”</p>
                  <p> »Nou?”</p>
                  <p> »Er staan een boel gestationneerden van avond; 't is bepaald weer
         mis; 'k heb vandaag nog geen gulden gemaakt aan fooien! en geen enkele
         sigaar: 'n kale boel. Ba!”
      </p>
                  <p> De Bobberd is een roodneuzig, opgezet drankvet-individu, die dezen
         bijnaam aan zijn lichaamsomvang dankt. Met heesche stem antwoordt de
         Bobberd:
      </p>
                  <p> »Ik ook niet, 'k ben casuweel zonder; anders heb ik altijd sigaren
         plentie: 'k rij nogal veel heeren, weet je?”
      </p>
                  <p> »Ja, jij bent gelukkig,—je hebt haast altijd volk; maar ik—ik
         veeg[1] gewoonlijk. 't Is een miserabele tijd: de menschen worden hoe
         langer hoe schrieler.”
      </p>
                  <p> [1] Geen volk opdoen om te rijden.</p>
                  <p> »Dat komt door de algemeene melaise, manke!”</p>
                  <p> »Wat is dat?”</p>
                  <p> »Dat weet ik niet; maar iedereen zeit het, en dan zal 't wel waar
         wezen. Ik geloof, dat het zooveel beduidt alsdat er in zaken van handel
         temet niks niet te doen is. Maar je hebt gelijk, 't is benauwd
         tegenwoordig; ik heb verleden week nog geen tien gulden gehaald met
         fooien en al.”
      </p>
                  <p> »'k Wou, dat 'k ze maar alle weken had", antwoordt de manke met een
         zucht, terwijl hij de toppen van zijn wanten in den mond steekt en er
         uit alle macht op blaast.
      </p>
                  <p> »Wat heb jij vast bij je baas?”</p>
                  <p> »Ik, Bobberd? Vijf gulden tien!”</p>
                  <p> »Blikslagers! dan ben jij 't heertje, hoor! Dan heb jij een halven
         gulden meer dan ik.—Daar moet 'k mijn baas ereis over
         aanspreken.—Prrr! knol sta stil!”
      </p>
                  <p> »'k Had vroeger ook vijf gulden, maar een jaar geleden sloeg die
         ouwe dragonder—je hebt hem wel gekend, 't was een witvoet, een nijdige
         rakkerd zoo oud als hij was,—m'n linkerbeen stuk. 'k Heb dertien weken
         in 't Gasthuis gelegen, en toen ik er uitkwam, gaf de baas me twee
         kwartjes verhooging.”
      </p>
                  <p> »Nou, dan mag jij onzen lieven heer wel danken voor dat beentje; dat
         's vijftig centen per week waard.”
      </p>
                  <p> Terwijl hij dit zegt, lacht de Bobberd zóó, dat zijn breede,
         tabaksbruine mondhoeken zich bijna tot zijn ooren vertrekken. »En ben
         je er nou al rijk door? Neen, hé? Je bent even sjofel als ik; vroeger
         had ik regelier een gulden of acht aan fooien in de week en nou nog
         geen vijf.”
      </p>
                  <p> »Nou, en ik had verleden week nog geen vier gulden; en 'k geloof
         waarachtig, dat 'k van deze week ze niet eens haal.”
      </p>
                  <p> »Klagers hebben geen nood, manke!—Prrrrr! Jan, hou je gemak,
         jongen; we gaan zoo naar stal.—Ja, wat ik zeggen wou: jij bent immers
         getrouwd, hé?”
      </p>
                  <p> »Ja, natuurlijk!”</p>
                  <p> »Kinderen?”</p>
                  <p> »Zeven!”</p>
                  <p> »Godzegenme!—Satansche knol! wat mankeert jou van avond?—Een hok
         vol. Zie je, daar heb ik nou geen last van; ik heb geen kinderen.”
      </p>
                  <p> »Ei! hoe komt dat zoo, Bobberd?”</p>
                  <p> »Omdat 'k geen vrouw heb; 'k ben een vrije jongen!”</p>
                  <p> »Ja, dat 's waar ook, daar dacht ik niet aan. En klaag jij dan nog
         over den slechten tijd?”
      </p>
                  <p> »'n Mooi ding! Een vrije jongen leeft altijd duurder dan een
         getrouwd mensch.”
      </p>
                  <p> »Ei!”</p>
                  <p> »Natuurlijk! Eerstens je kostgeld; tweedens je borreltje. Dat moet
         een mensch toch....”
      </p>
                  <p> Het gillend fluiten van een locomotief, het sein van den aankomenden
         trein, doet hem plotseling verstommen; haastig werkt hij zich op den
         bok van zijn rijtuig, bukt zich voorover en trekt de deken van zijn
         paard naar zich toe. Vlugger dan men van den manke zou verwacht hebben,
         is ook deze ten troon gestegen en zegt, met de leidsels in de hand, tot
         zijn collega: »Daar komt ie; als er nou maar volk genoeg is.”
      </p>
                  <p> Nogmaals gilt de stoomfluit naderbij; dan nog eens lang en schril;
         de trein stoomt binnen. Een oogenblik later komt bij, om en in het
         station, alles in beweging.
      </p>
                  <p> Stoomwolken uitsissend, blazend en hijgend met gloeienden adem, is
         de locomotief langs het perron komen aanstuiven, en plotseling in zijn
         vaart bedwongen door de Westinghouse-rem, staat hij nu als een vermoeid
         en amechtig mensch te kuchen voor den langen trein van verlichte
         wagens, die, als zij geopend worden, met de passagiers ook de warme
         lucht uitlaten, die opwolkt en dampt in den kouden winternacht.
      </p>
                  <p> »Bagasie, heeren! Bagasie!—Niemand bagasie?” roepen de langs de
         waggons snellende kruiers.
      </p>
                  <p> Een hoopje bibberende hotelportiers verwelkomt aan den uitgang van
         't station de reizigers met: »Hôtel du Doelen, Rondeel! Bible-Hôtel!
         Hôtel Central! Pays-Bas!” enz.
      </p>
                  <p> In bouffanten en cachenez, pelzen en overjassen, mantels en doeken
         gehuld en gestoken, komen halfbevroren derde-klasse reizigers en
         huiverende eerste-en tweede-klasse passagiers door den uitgang.
         Sommigen hollen wat ze kunnen, om de tram te bereiken, voordat alle
         plaatsen bezet zijn; anderen loopen hard, om warm te worden; en weer
         anderen haasten zich naar de gereedstaande rijtuigen.
      </p>
                  <p> In draf rijden de verschillende »gestationneerden” de snorders
         voorbij. Met wangunstige blikken zien de twee koetsiers, hoe 't eene
         rijtuig na 't andere, met koffers op bok of imperiaal, hen voorbijrolt.
      </p>
                  <p> Of ze al met hun zweepen wenken en op den bok staande roepen:
         »Viegelant?” de passagiers zijn voor hen, naar 't schijnt, niet
         aangekomen.
      </p>
                  <p> 't Begint zachtjes te sneeuwen; dat helpt den Bobberd aan een klant.
         Met lachend gezicht rijdt hij weg en hoort de spijtige woorden niet van
         den manke, die hem naroept: »Gelukkige vent, jij bent er alweer uit met
         een prijs!” Verlangend ziet de overgebleven snorder naar de reizigers,
         die in steeds kleiner aantal hem voorbijkomen.
      </p>
                  <p> Eindelijk zijn al de rijtuigen voor 't station verdwenen; hij wacht
         nog even, dan rijdt hij zachtjes voor 't plein op en neer: misschien
         komt er ook nog iemand voor hem.
      </p>
                  <p> Neen! ... de stationsportier sluit het hek reeds dicht; er is voor
         den manke geen vrachtje.
      </p>
                  <p> »Zou 'k van avond alweer vegen?” mompelt hij verdrietig, terwijl hij
         de zweep in den koker zet en den rechterarm tegen zijn lichaam slaat om
         gevoel in de vingertoppen te krijgen. »In godsnaam dan, vort! Brrr! wat
         is het koud.”
      </p>
                  <p> 't Is hem alsof hij nu eerst recht den snerpenden wind voelt en 't
         snijden van de vorst.
      </p>
                  <p> »Hort, bles! dan maar naar stal.”</p>
                  <p> Reeds heeft hij zijn paard aangezet, als een: »Hola, koetsier!
         stop!” hem de teugels strak doet trekken. Hij richt zich overeind op
         den bok, ziet achterom en ontwaart een paar gestalten, die langzaam
         naar hem toe komen.
      </p>
                  <p> »Viegelant?” roept hij hun vragend tegen.</p>
                  <p> »Ja! keer maar om!”</p>
                  <p> Een ruk aan de leidsels, een aanmoedigend klappen met de tong voor
         zijn paard en 't rijtuig is naast dengene, die hem roept. Werktuiglijk
         herhaalt hij zijn vraag: »Viegelant?”
      </p>
                  <p> Een conducteur, die een oud heer ondersteunt, antwoordt: »Jawel!
         hier heb je een passagier, die in de wachtkamer ongesteld is geworden.
         Breng meneer zoo gauw als je rijen kunt naar 't Amstel-Hôtel.”
      </p>
                  <p> De oude heer, in een fijnen pels gedoken, voegt er met matte stem
         bij: »'k Zal je een flinke fooi geven, als je gauw rijdt.—Dank je,
         conducteur; zet mijn koffertje en dat valiesje maar binnenin, op de
         voorbank. Ziedaar, dat's voor je moeite.”
      </p>
                  <p> »Dank u, mijnheer!—Beterschap!—Vooruit, koetsier!”</p>
                  <p> De manke legt de zweep over zijn paard en rijdt zoo spoedig de
         stijve beenen van bles het veroorloven in de aangewezen richting voort.
      </p>
                  <p> »Dat valt mee,” denkt hij onder weg, »'n goeie fooi, hm! misschien
         maakt die zieke ouwe man mijn dag nog goed. Hort! vooruit dan, ouwe
         jongen.—'k Zal de Kalverstraat nemen,” zegt hij bij zichzelven, »dat
         rijdt lekker. Hm! wat zou dien man mankeeren? Misschien heeft hij te
         veel gegeten en pijn in z'n lijf. Och! wat kan 't ons schelen, hé,
         bles? Als hij mij maar een paar kwartjes fooi geeft, is 't me
         onverschillig waar hij mankement heeft, al had hij ook....”
      </p>
                  <p> Tikken tegen het raampje stoort hem in zijn overpeinzing. Hij houdt
         even op; de passagier steekt zijn hoofd uit 't portier en vraagt
         knorrig: »Waar breng je me heen, dat je zoo door de Kalverstraat
         rijdt?”
      </p>
                  <p> »Naar 't Amstel-Hôtel, zooals u gezeid heeft, maar ik neem de
         Kalverstraat, omdat ik veronderstel, weet u, dat voor een ziek mensch
         dat asphalt zachter en....”
      </p>
                  <p> »O, zoo! is 't daarom; dat's wat anders, dank je. Wat is je nummer?”</p>
                  <p> »Honderd een en tachtig, meneer!—Doorrijen?”</p>
                  <p> »Ja, asjeblieft!”</p>
                  <p> »Hort, bles!—Wat weerga, waarom vraagt die vent op eens mijn
         nummer? Ik heb hem toch niet veraffronteerd,—is 't wel, ouwe bles?
         Nou, 't zal mij een zorg wezen, al was hij zoo nijdig als een spin;
         maar hij zei: »Dank je!” Blikslagers, misschien recommandeert hij No.
         181 als een geschikt persoon. Ook goed!—Kom, bles, vooruit dan, we
         moeten, allebei naar stal.”
      </p>
                  <p> 't Is een eigenaardige gewoonte van den manke, om met zijn paard te
         praten, als hij rijdt; misschien doet hij 't, zonder dat hij 't zelf
         weet, uit verveling, of om zijn ros aan te moedigen. »Komaan!” vervolgt
         hij, »daar hebben we de Utrechtsche straat al; moet je nou de zweep
         eens eventjes proeven? Ja, steek je ooren maar op; 'k zal.... Wat
         weerga! wat schokt daar zoo? Valt daar iets in m'n viegelant?
         Phu-u-u-t!” de koetsier fluit tusschen de tanden.
      </p>
                  <p> Bles staat stil en zijn bestuurder klimt van den bok, om te zien wat
         er gebeurd is. Hij opent het portier en brengt even de hand aan zijn
         hoed, als hij vraagt: »Neem me niet verkwalijk, meneer, maar....
         Allemachtig! hij is van zijn stokkie gevallen en 't koffertje met 't
         valies leit naast hem.”
      </p>
                  <p> »Hei! zeg eens, ouwe heer: scheelt er wat aan? Ben je niet
         goed?—Dat's een mooi ding! Op avontuur is hij dood: dan ben ik
         gesjochten voor mijn vracht.”
      </p>
                  <p> Een paar voorbijgangers blijven staan en zien nieuwsgierig naar den
         manke, die zijn best doet om den passagier weer op de bank te zetten.
         Met hulp van een paar mannen richt hij den ouden heer op, die met een
         zucht weer tot zichzelven komt en flauwtjes zegt: »'k Werd—weer—zoo
         benauwd; rij in Godsnaam voort!”
      </p>
                  <p> »Zou uwé 't dan nou zóó kennen rooien?”</p>
                  <p> »Ja! ja! rij gauw weg.—Wat doen die mannen hier?”</p>
                  <p> »Ze hebben zooveel als een handje geholpen.”</p>
                  <p> »O, zoo!—Dank jelui.”</p>
                  <p> 't Portier wordt dichtgeslagen en een »vooruit!” van den koetsier
         brengt de vigilante weer op weg.
      </p>
                  <p> Eenige minuten later is het Amstel-Hôtel bereikt en wordt de zieke
         man door den portier behoedzaam uit het rijtuig geholpen. De manke
         hoort hem zeggen: »Betaal den koetsier en geef hem een gulden fooi!”
         ziet hem langzaam de trappen opgaan en in de vestibule verdwijnen. Iets
         later ontvangt hij de vracht met de fooi en zal wegrijden. Vóórdat hij
         dat doet, kijkt hij werktuiglijk nog eens in de vigilante en ontwaart
         het valies, dat op den bodem is blijven liggen. Met een: »Hé, portier,
         de ouwe heer heit nog wat vergeten,” reikt hij de reistasch over, klimt
         op den bok en rijdt weg.
      </p>
                  <p> »Zoo, jongen! nou als de wind naar stal.—'n Gulden fooi! Zeker en
         bepaald een fijn mensch.—Kom! dat's een meevallertje; even een hapje
         nemen voor de kouwe voeten, dat kan er nou wel af.”
      </p>
                  <p> 't Hapje wordt gebruikt, een sigaar van de vijf er bij genomen en
         dan draaft bles verder. Hij heeft nu geen zweep meer noodig, want 't
         paard weet, dat hij naar stal gaat. Zijn baas zit genoeglijk te dampen
         en laat af en toe de leidsels van de eene in de andere hand overgaan,
         om dan de vrije hand tegen zijn lichaam warm te slaan.
      </p>
                  <p> Bij de brug, die van 't Leidsche plein naar de Stadhouderskade
         voert, wordt hij aangeroepen door iemand, die met den hoed in den nek
         tegen een lantarenpaal leunt.
      </p>
                  <p> »Hé! Hola, koetsier!”</p>
                  <p> »Phu-u-ut! Prrr!—Ho, bles!—Wou uwé rijen?”</p>
                  <p> »Ja! Ben je vrij?”</p>
                  <p> »Om je te dienen, meneer.”</p>
                  <p> Een jongmensch, netjes in de kleeren, maar ietwat aangeschoten en in
         vroolijke stemming, neemt de kruk van 't portier in de hand en vraagt
         met min of meer bezwaarde tong:
      </p>
                  <p> »Schroef jij 's avonds dien knol uit mekaar? Ha! ha! ha! 't Beest
         valt om, als je niet oppast. Zeg, Autómedon! zou je me nog zonder
         ongelukken naar Kras kunnen rijen?”
      </p>
                  <p> »'t Zal wel lukken, meneer! Stap maar in; maar 't is dubbel tarief
         na elven. Weet u 't?”
      </p>
                  <p> »Daar vraag ik je niet na, Autómedon.”</p>
                  <p> »Zeg ereis, meneer, als je me uitscheldt, rij ik niet.”</p>
                  <p> »Die is goed. Ha! ha! Heel goed!”</p>
                  <p> »Kom, stap nou maar in, 't is al mooi laat.”</p>
                  <p> »Verduiveld! Die ouwe kast van jou draait. Hou 'm recht, kerel!
         Dat's zot, dat's—hm! Die vervloekte tree zit niet vast. Ho dan!”
      </p>
                  <p> »Wil ik je ook even helpen, meneer?”</p>
                  <p> »Neen! 't Is in orde.—'n Verdraaid gemeene rammelkast! Niet steady.
         Zóó, ik zit. Vooruit!”
      </p>
                  <p> Van den bok reikend slaat de manke het portier met een harden slag
         dicht. Een »hort, bles!” en het rijtuig komt in beweging.
      </p>
                  <p> Onder weg zegt de snorder tot zijn paard:</p>
                  <p> »Dat valt mee voor den baas, maar niet voor jou; maar er is niets
         aan te doen. Kom, ouwe jongen, vooruit!”
      </p>
                  <p> II.</p>
                  <p> 't Is een armoedige, kleine woning, die door Dirk De Vries,
         bijgenaamd »de manke", met zijn groot gezin wordt bewoond.
      </p>
                  <p> Het lage bouwvallige huisje, dat zich in een slop, uitkomende in de
         Passeerderstraat, bevindt, bestaat slechts uit één vertrek, met een
         klein hokje, een zoogenaamd keukentje er naast.
      </p>
                  <p> De deur, die niet goed meer gesloten kan worden, en een smal venster
         laten nauwelijks licht en lucht genoeg in voor zooveel ademende wezens.
         Alles draagt daarbinnen de kenteekenen van verval en ouderdom, maar
         niettegenstaande de wormstekige betimmering, de brokkelende muren en
         den molmenden vloer is het er vrij zindelijk, want Dirks vrouw houdt,
         zooveel zij kan, aan alles de hand.
      </p>
                  <p> Aan de linkerzijde van het vertrek is de bedstede en daarnaast een
         van oude ongeschilderde planken getimmerde slaapplaats, waarin twee
         kinderen, meisjes van negen en zes jaren, eendrachtig liggen te slapen;
         onder de tafel, op een stroozak, rusten twee jongens, dertien en elf
         jaren oud, onder een oude wollen deken, en eenige kleedingstukken, die
         hen ternauwernood voor de felle koude beschutten. Rechts naast de deur,
         die tot het keukentje toegang geeft, staat op den grond een soort van
         houten bak met eenig beddegoed, waarin een mager meisje van vijf en een
         aardig, klein, dik roodwangig kereltje van drie jaren sluimeren.
      </p>
                  <p> Door de geopende deur ziet men de roode wang van een snorrende
         potkachel. Op de platte kachelpijp staat een aarden pan met kool en
         aardappelen te dampen, zoodat de reeds benauwde lucht in het huisje
         niet frisscher wordt door de uitwaseming van 't snerkende eten. Bij de
         kachel, die aldus den dubbelen plicht van verwarmings-en kooktoestel
         vervult, zit bij het licht van een petroleumlamp vrouw De Vries het
         jasje te verstellen van haar oudsten, die op een sigarenfabriek als
         stripjongen reeds eenige stuivers verdient.
      </p>
                  <p> Haar gelaat toont duidelijke sporen van zorg en kommer; 't
         vroegtijdig gerimpelde voorhoofd, de ingevallen wangen en de bleeke
         lippen spreken van harden strijd en afmattende bezigheden, maar toch is
         de uitdrukking van dat vrouwengelaat niet ontevreden. Er ligt een trek
         van goedhartigheid en kalmte om den mond, en de groote bruine oogen met
         zachten, min of meer matten opslag weerspreken dezen niet.
      </p>
                  <p> Zij heeft niettegenstaande haar armelijke kleeding iets fatsoenlijks
         in haar wezen, dat den indruk geeft, als had zij eenmaal betere dagen
         gekend, als ware zij niet uit het plebs, zelfs niet uit de heffe des
         volks ontsproten.
      </p>
                  <p> Daar klinkt uit de bedstede een zwakke, pijnlijke kreet. Langzaam,
         met een zucht, staat vrouw De Vries op, legt draad en naald ter zijde
         en gaat naar het bed, waarop zij haar jongste kind, een bleek,
         ziekelijk jongentje van bijna anderhalf jaar heeft neergelegd.
      </p>
                  <p> Als zij op is gestaan, kan men zien, dat, zij eenigszins gebogen
         gaat; haar lange, vrij grof gebouwde gestalte is min of meer krom in
         den rug geworden door arbeid en door 't rondom haar sluimerende
         zevental, dat zij 't levenslicht schonk.
      </p>
                  <p> »Wat is er dan, Jan?” vraagt zij, over 't bed gebogen, met een licht
         Overijsselsch accent. »Heb je pijn in je mondje? Ben je koud, kereltje?
         Kom dan maar bij moeder.” Zij wikkelt het kind vaster in den doek,
         waarin het te slapen is gelegd, geeft het een teugje water met melk en
         sust het, totdat 't al kreunend weer indommelt.
      </p>
                  <p> Als zij hem op bed wil leggen, ontwaakt en schreeuwt Jan opnieuw;
         daarom neemt zij hem op den schoot en gaat weer bij de kachel zitten.
      </p>
                  <p> 't Kind wordt bedaarder en slaapt in. Over zijn kleine gestalte legt
         zij voorzichtig het buisje en vervolgt, zoo goed en kwaad als zij kan,
         haar lapwerk. Soms licht zij het buis even op en ziet naar 't kind,
         dat, zwaar ademhalend, met gloeiende wangen en brandend hoofdje,
         onrustig slaapt.
      </p>
                  <p> »Hij is niet goed; 'k geloof, dat 't schaap koorts heeft; wat gloeit
         hij,” zegt ze tot zichzelve; »dat moet er nog bijkomen!”—Zij luistert,
         want buiten in de gang klinkt een onregelmatige tred. »Dat 's Dirk,”
         denkt zij en ziet naar de deur, die een oogenblik later wordt
         opengedaan.
      </p>
                  <p> 't Is de »manke", die thuis komt.</p>
                  <p> Zijn jas en hoed zijn vol sneeuw, die hij op den drempel zooveel
         mogelijk afschudt.
      </p>
                  <p> »Doe gauw de deur dicht, Dirk! De zomer komt er niet in,” roept de
         vrouw hem te gemoet.
      </p>
                  <p> »'k Snapte daar net een bui.—'n Avond, Mijntje! Ben je nog op?”</p>
                  <p> »Ja; 'k moest Gerrits buis wat opknappen: hij moet toch fatsoenlijk
         op 't fabriek komen. Hè! wat breng je een kou mee; 't is vinnig weer
         buiten; ik kon mijn vingers niet gebruiken, daarom heb ik de kachel
         weer aangelegd; 'k moest je eten toch ook warm houden. Hoe is 't
         vandaag geweest?”
      </p>
                  <p> Terwijl de man zijn groote jas en vochtige laarzen uitdoet, zegt hij
         opgeruimd:
      </p>
                  <p> »'k Dacht eerst, dat 't vandaag weer miserabel zou wezen, maar de
         avond heeft 't goed gemaakt. Dáár heb je een gulden, twee kwartjes en
         een dubbeltje. 'k Had van avond een paar goeie vrachies. Geef me mijn
         eten, 'k heb trek.”
      </p>
                  <p> »Ik kan niet opstaan, Dirk: 't kind ligt op mijn schoot; hij is niet
         goed; vandaag aldoor onrustig geweest. Twee en dertig stuivers: 'k wou,
         dat je ze alle dagen meebracht!”
      </p>
                  <p> »Dat schaap is dan erg aan 't sukkelen, vrouw; zouën 't de tanden
         wezen?” antwoordt Dirk, neemt de pan van de kachel, ziet even naar
         kleinen Jan, en begint dan met smaak de kool en aardappelen te
         verorberen.
      </p>
                  <p> Al etend verhaalt hij, hoe hij den zieken heer naar 't Amstel-Hôtel
         moest rijden en een gulden fooi heeft gekregen, en lachend vertelt hij
         van het aangeschoten jongmensch. »Zie je, Mijn, hij had een flink stuk
         in zijn kraag, want toen ik bij Kras voor de deur stilhield, was hij
         ingedut. Ik maakte hem wakker en zei: »We bennen er, meneer!” Maar 'k
         moest hem schudden, zoo lekker was hij ingedommeld. Hij keek me aan met
         een paar lodderige oogen en zei: »Goeie morgen! Ik heb 'n verduivelden
         dorst!—Die rammelkast van jou is geen cent waard,” maar hij gaf me
         toch een kwartje fooi. Nou! mijn een zorg hoe of hij mijn spul vindt.
         'k Heb anders in den laatsten tijd allemachtig weinig verval gehad.”
      </p>
                  <p> Zuchtend antwoordt de vrouw: »Dat heb 'k gemerkt.”</p>
                  <p> Zij werkt een poosje zwijgend verder en zegt dan op eens: »Zeg,
         Dirk!”
      </p>
                  <p> »Nou?”</p>
                  <p> »Kierssen is er geweest.”</p>
                  <p> »Hm!”</p>
                  <p> »Hij kwam zeggen, dat zijn patroon mooi nijdig is.”</p>
                  <p> »Hm!”</p>
                  <p> »'t Is nou met mekaar zestien gulden en een stuiver.”</p>
                  <p> »'k Weet het wel, maar 'k heb het niet, vrouw!”</p>
                  <p> »En ook niets meer om »weg te brengen.”[1] Kierssen zei, dat hij,
         als Vrijdag 't geld er niet was...”
      </p>
                  <p> [1] Naar den lommerd brengen.</p>
                  <p> »Nou, wat dan?”</p>
                  <p> »Ons op straat zou zetten. Ik zei nog: »Meneer Kierssen, je weet
         wel, dat wij knappe menschen zijn; we hebben je altijd prompt de huur
         betaald, maar nou 't zoo slecht is van den winter met de verdiensten,
         moest je nog wat geduld hebben en...””
      </p>
                  <p> »En wat zei hij?”</p>
                  <p> »Kierssen zelf is de kwaadste niet. Hij zei: »Ik zou je wel willen
         laten wonen, maar ik moet als opzichter doen wat mijn patroon zeit;
         laat je man zelf eens naar hem toe gaan.””
      </p>
                  <p> »Och! dat geeft toch niets; die huisbazen staan je niet eens te
         woord.”
      </p>
                  <p> »Maar als Kierssen 't nou toch zeit, Dirk?”</p>
                  <p> »Praatjes! ze steken samen onder één deken.—Breng morgen dien
         daalder maar aan den opzichter op afrekening; dat zal...”
      </p>
                  <p> »Maar Dirk, er is geen cent meer in huis, en 'k heb al overal op de
         lat[1] gehaald: 'k moet toch zorgen, dat de kinderen wat te eten
         hebben. Dan moeten Gerrits schoenen worden gehalvezoold; Piet heeft ook
         bijna niets aan zijn voeten, en Klaasje heeft geen...”
      </p>
                  <p> [1] Op crediet.</p>
                  <p> »Schei maar uit; ik weet het wel, vrouw, maar ik kan 't niet van
         mijn lijf snijen.” Dirk wordt knorrig en zijn humeur verergert, als
         Jantje onrustig begint te kreunen en eindelijk luidkeels schreeuwt.
      </p>
                  <p> »Dat zal me een nachtje geven,” bromt hij, terwijl hij zich
         ontkleedt. Met de woorden: »'k Moet er morgen weer vroeg uit; hou dat
         kind toch stil, Mijn!” stapt hij in bed en kruipt zoo diep mogelijk
         onder de oude, dunne dekens.
      </p>
                  <p> »Leg mijn jas er nog maar op: 't is vervloekt koud en de kachel
         heeft gênacht gezeid,” zegt hij tot zijn vrouw, die den schreeuwenden
         kleine in haar armen sust en tot bedaren tracht te brengen. Een paar
         van de slapende kinderen ontwaken door de pijnlijke kreten van hun
         broertje, en de arme, geduldige vrouw is tot laat in den nacht bezig,
         om zooveel zij kan de rust te bewaren, die haar man noodig heeft.
      </p>
                  <p> Koud en huiverig is Dirk opgestaan; zijn dikke, verkleumde handen
         weigeren haar dienst bij 't aankleeden.
      </p>
                  <p> Alles slaapt nog in zijn woning, want eindelijk heeft zich ook de
         vrouw, met 't zieke kind aan haar borst gedrukt, naast hem kunnen
         neerleggen.
      </p>
                  <p> Hij moet naar den stal, om zijn vigilante, schoon te maken en in te
         spannen; want eerst tusschen acht uur en halfnegen komen de
         stationneerende rijtuigen op den Dam of elders, en de snorder kan juist
         vóór dien tijd soms een vrachtje krijgen.
      </p>
                  <p> 't Is nog geheel donker. Hij steekt de lamp aan en wascht zich in 't
         keukentje; vóórdat hij vertrekt, wekt hij den oudsten jongen, die om
         half acht op de sigarenfabriek moet wezen.
      </p>
                  <p> Slaperig wrijft de knaap zich de oogen en hoort hoe zijn vader tot
         hem zegt: »Sta op, Gerrit, haal een cent water en vuur en leg de kachel
         aan voor je moeder. Laat ze mijn koffie klaarmaken. Als ik in den stal
         gedaan heb, rij ik wel even aan om m'n boterham te halen.”
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Buiten is 't nog bijna nacht; de straatlantarens branden en werpen
         haar licht op de hard bevroren sneeuw en de gladgeloopen straat, die
         glimt en glinstert, als met diamantpoeder bestrooid.
      </p>
                  <p> De baas is reeds op, als Dirk in den stal komt, en de kleine,
         morsige jongen, die zoo wat »handje voor alles” is, heeft al een paar
         oorvijgen beet, omdat hij nog niet goed wakker is kunnen worden.
      </p>
                  <p> »Gêmorgen, Dirk!—Satans koud!” roept de baas hem tegen.</p>
                  <p> »Nou, baas!”</p>
                  <p> In den stal brandt een petroleumlamp en verlicht vrij onvoldoende de
         kleine ruimte, waar ternauwernood plaats is voor twee paarden en een
         bok, die nijdig naar Dirk stoot, als hij naast den uit de ruif etenden
         bles gaat staan en zegt: »Komaan, ouwe jongen, eerst zullen we jou een
         beetje opknappen en dan de viegelant. Hu! op zij! Hu dan! Heb je nou
         nog je bekomst niet, vreetzak?”
      </p>
                  <p> Hij roskamt zijn paard, en als hij daarmee gereed is, roept hij tot
         den jongen, die tegen de haverkist staat te dutten: »Allo, Jaapie! geef
         jij bles nog een emmertje water; dan ga ik den wagen schoonmaken.”
      </p>
                  <p> Jaapie rekt zich geeuwend uit en gaat langzaam naar de
         waterleidingkraan, zóó langzaam, dat Dirk, die naar het zoogenaamde
         koetshuis gaat, hem toeroept: »Kun je nog langzamer?”
      </p>
                  <p> »Jawel!” is 't brutale antwoord.</p>
                  <p> »'k Zal je straks wel krijgen, onbeschofte rekel!—Waar is de
         schuier?”
      </p>
                  <p> »Vraag 't hem zelf!”</p>
                  <p> Gelukkig voor Jaapie, hoort de »manke” deze laatste vriendelijke
         woorden niet, want hij heeft juist gevonden wat hij zocht en is reeds
         begonnen met het afschuieren der rijtuigkussens. Daarna neemt hij de
         mat, die op den bodem der vigilante gelegen heeft op, en schudt die
         uit.
      </p>
                  <p> Als hij haar weer neerleggen wil, voelt hij een voorwerp, dat hij
         nog niet had opgemerkt; 't is een klein zwart lederen taschje.
      </p>
                  <p> »Hé! wat is dat?” zegt Dirk eensklaps, bijna luid, zoodat Jaapie,
         die den emmer met water voor Bles schuins op zijn knie houdt, zijn
         hoofd omdraait en vraagt:
      </p>
                  <p> »Wat mot je?”</p>
                  <p> »Niks!”</p>
                  <p> »'k Dacht, dat je riep.”</p>
                  <p> »Neen!—Kijk naar je emmer.”</p>
                  <p> Haastig stopt de manke het gevonden voorwerp, zonder het verder te
         bezien, tusschen zijn boezeroen en baaien borstrok en doet dan, alsof
         er niets gebeurd was, zijn werk; alleen fluit hij er nu en dan een
         deuntje bij, iets wat anders nooit voorvalt.
      </p>
                  <p> Dirk is in spanning, omdat hij begrijpt, dat in het taschje wel iets
         van waarde kan zitten; daarom schiet hem de gedachte door 't hoofd:
         »Wie weet, of je daar geen fortuintje hebt?” Hij tracht zich zoo
         onbevangen mogelijk voor te doen en doet daardoor juist iets ongewoons,
         zoodat de baas, die weer in den stal is gekomen, hem toeroept:
      </p>
                  <p> »Nou, jij schijnt van morgen in je knollentuin te wezen.”</p>
                  <p> »Ik, baas?”</p>
                  <p> »Ja, jij! Je fluit als een merel; dat ben 'k niet van je gewend.”</p>
                  <p> »Hm! Ja! Neen! 'k fluit, omdat 'k zoo koud ben, baas.”</p>
                  <p> »Zoo!”</p>
                  <p> Een oogenblik denkt Dirk: »Je moet dat taschje aan den baas geven om
         te bewaren,” maar dadelijk overlegt hij er bij: »Gekheid! eerst kijken
         wat er inzit; is 't de moeite waard, dan breng jij 't liever zelf terug
         aan den... Blikslagers! van wien zou 't wezen? Van dien zieken heer
         voor 't Amstel-Hôtel, of van dien jongen snuiter, die den prins
         gesproken had? Hm! misschien zit er wel een adres in of....”
      </p>
                  <p> In den stal wil hij er niet naar kijken, want dan loopt hij gevaar,
         dat de baas het ziet en—zijn baas neemt veel te graag zelf een fooi
         aan.
      </p>
                  <p> Eindelijk is hij met schoonmaken gereed en spant in. 't Begint te
         schemeren, als hij wegrijdt, en er zijn nog weinig andere menschen op
         straat dan werkvolk dat naar karrewei gaat, of reizigers die zich met
         haast naar de stations spoeden.
      </p>
                  <p> Toch oordeelt hij het beter om zoodra hij kan de Heerengracht op te
         rijden.
      </p>
                  <p> 't Is daar nog doodstil; hij komt er niemand tegen dan den
         dienstdoenden politie-agent, die bibberend en koud in den
         voorgeschreven pas op de kleine steentjes aan de huizenkant loopt en
         hem even toeknikt als antwoord op zijn groet.
      </p>
                  <p> Zoodra hij een gracht verder is, laat hij zijn paard stappen, neemt
         de leidsels in de eene hand en haalt met de andere het taschje te
         voorschijn.
      </p>
                  <p> Voorzichtig doet hij 't open en houdt den inhoud, een pakje papier,
         tusschen zijn vingers.
      </p>
                  <p> »Waarachtig! 't zijn bankies,” zegt hij in zichzelf, en terwijl hij
         met moeite de cijfers onderscheidt, mompelt hij: »Dat's een vondst! Een
         van vijf en twintig. Een, twee, drie van honderd. Allemachtig! drie,
         vier, zes, zeven van veertig! Dat's al zeshonderd.—Godzegenme, één van
         duizend!”
      </p>
                  <p> Het bankpapier ritselt in zijn hand; hij is er van geschrikt, want
         zooveel geld heeft hij nog nooit bijeen gezien. »Zestienhonderd en vijf
         gulden samen! Geen bagatel,” denkt hij, en als hij verder niets
         hoegenaamd meer in het taschje vindt, vouwt hij de banknoten weer op en
         bergt schielijk een en ander weg,—nu echter tusschen zijn baaien hemd
         en het bloote lijf: daar is 't zekerder! Terwijl hij verder rijdt en
         werktuiglijk den weg naar den Dam inslaat, denkt hij: »Wie zou dat
         verloren hebben?” Hij weet bepaald, dat er niets van dien aard in zijn
         vigilante lag, toen hij 's avonds te voren aan het station ging staan,
         want even vóór dien tijd heeft hij de mat, omdat er ingeloopen sneeuw
         op lag, nog uitgeschud. 't Moet dus van een der twee laatste passagiers
         zijn.
      </p>
                  <p> Wat zal hij met dat geld doen? Zal hij het naar 't bureau van
         politie brengen? »Hum!” overlegt hij bij zichzelf, »'k zal zoo dwaas
         niet weer wezen; 'k heb eenmaal een gouden ring gevonden en naar het
         politiebureau gebracht; daar is hij afgehaald door den eigenaar en
         zelfs geen fooitje is er voor »den manke” overgeschoten; dat doe ik
         nooit weer.—Maar wat dan? 't Geld houden, nu en dan een bankje
         wisselen?” Hij is 't nog niet met zichzelven eens. »Een bankje van vijf
         en twintig, desnoods van veertig gulden, dat zou nog gaan; maar dat van
         duizend, dat's te gevaarlijk! En....”
      </p>
                  <p> Werktuiglijk is hij voortgereden, zonder zich te herinneren, dat hij
         nog thuis zou aanrijden om zijn brood te halen. Hij heeft den Dam reeds
         bereikt, als hij er aan denkt. Voorzichtig voelt hij buiten op zijn jas
         naar de kleine verhevenheid, die door het verborgen taschje met
         bankpapier ontstaat; 't is alsof hij zich telkens opnieuw wil
         overtuigen, dat hij waarlijk zooveel geld bij zich heeft.
      </p>
                  <p> »Wat zal moeder de vrouw er wel van zeggen, als zij 't hoort", denkt
         hij, terwijl hij op den nog duisteren Dam heen en weder rijdt. Hij
         glimlacht, want hij weet wel, dat zij zeggen zal: »Dadelijk naar 't
         bureau brengen, Dirk! Eerlijk duurt het langst", en—zijn hart klopt:
         zóóveel geld en zóó arm!
      </p>
                  <p> III.</p>
                  <p> Eenige dagen waren verloopen en nog altijd was de tasch met
         bankpapier in 't bezit van »den manke”. Hij was, na lang beraad met
         zichzelven, tot het besluit gekomen om 't geld zoolang te houden,
         totdat er navraag in de kranten kwam.
      </p>
                  <p> Iemand, die zooveel geld verloren heeft, dacht hij, doet natuurlijk
         moeite om het terug te krijgen, en zet 't allereerst een advertentie in
         de dagbladen, om den eerlijken vinder op te sporen.
      </p>
                  <p> Hij was vast besloten om, zoodra hij wist wáár of aan wien zich te
         wenden, het geld aan den eigenaar terug te brengen; er zou, zoo rekende
         hij uit, voor hem toch stellig een belooning, misschien wel één of een
         paar bankjes van veertig gulden, opzitten.
      </p>
                  <p> Elken avond had hij in »'t Vroolijke Schuttertje", een kroeg waar
         gewoonlijk de maats verkeerden, de dagbladen nagezien, maar zonder
         gevolg.
      </p>
                  <p> Eens zelfs had de Bobberd, de trouwste bezoeker van 't Schuttertje,
         toen hij Dirk zoo aandachtig het
<!-- **** No template for element: i **** --> Handelsblad en 't
<!-- **** No template for element: i **** --> Nieuws van
            den Dag zag doorsnuffelen, droogjes aan hem gevraagd: »Lees jij
         tegenwoordig de kranten?”
      </p>
                  <p> »Ik? Hoe zoo?”</p>
                  <p> »Wel, je was er vroeger geen liefhebber van en nou snor je sedert
         een paar dagen zoo in die kranten. Heb je misschien wat gevonden in je
         kar?”
      </p>
                  <p> Dirk schrikte. Zou de Bobberd iets weten? Waarom zei hij dit zoo
         eensklaps? 't Zweet brak hem uit, want 't kwam hem voor, dat hij hem
         zoo wonderlijk aankeek bij die woorden, en verlegen stotterend
         antwoordde hij: »Ne-ne-neen! Hoe kom je daarbij?”
      </p>
                  <p> »Nou! ik dacht het maar zoo, manke!”</p>
                  <p> »Waarom?”</p>
                  <p> Zijn breeden mond tot een leelijken grijns vertrekkende, zei de
         Bobberd: »Wel! 't is me ook ereis gebeurd, dat ik wat vond; 't was maar
         een bagatel, 'n kleine parelmoeren damesportemonnaie; toen heb ik ook
         gekeken naar de advertenties.”
      </p>
                  <p> »En?”</p>
                  <p> »'k Zag er eindelijk een staan, maar 'k had de duiten al op. Ha! ha!
         ha! 't was nogal de moeite waard om het te bewaren; er zat maar een
         gulden of acht in; 'k heb die dubbeltjes wat lekker gebruikt. Zie je,
         als 't nou meer was geweest, dan had ik misschien.... Afijn! ik kon ook
         m'n vingers niet branden, want geld is geld, 't is allemaal even rond,
         en aan een rijksdaalder kun je niet zien of hij van mijn is of van
         jou.”
      </p>
                  <p> »Ja! hm! maar Bobberd, 't was toch niet....!”</p>
                  <p> »Zeg, ouwe jongen! hang nou maar niet den vrome uit. Jij zou 't
         evengoed hebben gehouwen als ik.—Je begrijpt, 't portemonnaietje had
         ik subiet in de kachel gestopt. Geen haan kraaide er naar.”
      </p>
                  <p> »Maar als 't nou eens bankies waren geweest, dan zou je toch aan de
         lamp hebben kunnen likken, als de nummers bekend waren.”
      </p>
                  <p> »Gekheid! 'k zou ze dadelijk hebben gewisseld. Nou, zeg! zóó mal
         niet, hoor, manke! Als een arm mensch wat vindt, is het een bestiering
         van de Voorzienigheid, dan
<!-- **** No template for element: i **** --> moet hij 't hebben, ten minste als 't
         niet zóóveel is, dat je er door in den kijker loopt. En de nummers
         bekend? Dat 's een praatje. Ja!—de menschen schrijven daar op, welke
         nummers ze in d'r zak hebben, kun je begrijpen! Als 't een
         loterijbriefie is, dan is 't wat anders; maar
         bankies,—gekheid!—Sakkerloot, manke! wat kijk je me raar an.—Neen!
         waarachtig, ik meen het, en als je er eentje gesnapt hebt, al was 't er
         ook een van honderd gulden, geef maar hier! Voor een rijksdaalder zal
         ik 't wel voor je wisselen.—Nou! biecht maar ereis op: wat heb je?”
      </p>
                  <p> »Niks! Je kletst.—Gênacht!”</p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Dirk gaat naar huis. Het gesprek met den Bobberd heeft hem ontstemd,
         en terwijl hij, huiverend en bibberend door de koude nachtlucht, zijn
         pas versnelt, denkt hij na over dat gezegde: »Geld is geld, 't is
         allemaal even rond en....” Wonderlijk! op eens komt hem zijn moeder in
         de gedachten: 't was zoo'n brave, eerlijke vrouw, die niemand voor een
         halven cent zou te kort doen. Zonderling! dat hij juist nu aan haar
         denken moet; ze is al zoo lang geleden gestorven en begraven. 't
         Gebeurt zelden, bijna nooit, dat hij zóó aan haar denkt. Hoe komt hij
         nu plotseling aan die herinnering? 't Is toch bepaald vreemd, want hij
         kan het niet van zich afzetten; 't komt hem voor, alsof hij haar
         eensklaps weer voor zich ziet, zooals zij altijd thuis bij de tafel
         zat, met haar ernstig, vriendelijk gelaat; 't is alsof hij de kracht
         van haar blik voelt, evenals vroeger toen hij nog een jongen was,
         wanneer zij hem aanzag, als hij iets had gedaan wat hij niet mocht. Hij
         is onrustig en stapt steeds sneller voort. Gelukkig! hij is in zijn
         woning; vrouw Mijntje zit als naar gewoonte nog op en is aan 't werk.
      </p>
                  <p> »Gênavond, moeder!” zegt hij binnenkomend.</p>
                  <p> »Gênavond, Dirk.”</p>
                  <p> »Wat scheelt eraan? Je hebt gehuild! Waarom, Mijntje?”</p>
                  <p> »Ach, God! weet je 't nog niet? We moeten er uit; in de andere week
         al.”
      </p>
                  <p> »Wat zeg je daar? Is 't waarachtig?”</p>
                  <p> »Kierssen is er weer geweest, van morgen. 'k Had geen cent meer en
         van middag is hij toen nog weerom gekomen, om te zeggen, dat zijn
         patroon geen geduld meer hebben wil; morgen over acht dagen moeten we
         verhuizen.”
      </p>
                  <p> »Zoo! hm!” Werktuiglijk grijpt de manke naar het taschje.</p>
                  <p> »'t Is een ijselijkheid. Waar moeten we met die schapen van kinderen
         naar toe?”
      </p>
                  <p> »Zoo'n kerel! En we hebben toch altijd goed betaald, Mijntje.”</p>
                  <p> »Wist ik maar raad, Dirk!” Opnieuw barst zij in tranen uit.</p>
                  <p> Dirk richt zich op als iemand, die plotseling een besluit genomen
         heeft, en met de vlakke hand op zijn knie slaande, zegt hij: »Huil
         niet, vrouw! Ben je gek om je ongerust te maken. Wat n'alterasie om
         zoo'n lamme vent, hé? Nou, maar morgen zal hij zijn geld hebben en we
         zoeken een andere woning; een betere, hoor!”
      </p>
                  <p> »Wat zeg je daar, Dirk? Heb je dan geld, en van wien?”</p>
                  <p> »Geld, neen! Hm! ja! neen! Maar 'k zal den baas om voorschot vragen
         en....”
      </p>
                  <p> »Och heer! reken daar niet op; die is niets scheutig.”</p>
                  <p> 't Duurde lang eer Dirk dien nacht den slaap kon vatten; onrustig
         woelde hij op zijn legerstede en een paar malen vroeg Mijntje: »Ben je
         niet goed, man? Slaap je nog niet?”
      </p>
                  <p> Neen! hij kon niet slapen; dat taschje op zijn borst drukte hem; 't
         was alsof hij er de nachtmerrie mee kreeg. Dat ook juist nu die
         huisheer om zijn geld moest komen; t kon nooit beter en nooit slechter
         treffen; 't geld was er immers, en toch... Hij wendde zich links en
         rechts, maar 't wou hem niet gelukken om in te slapen; onophoudelijk
         kwamen de woorden van den Bobberd hem voor den geest: »als een arm
         mensch wat vindt, dan is 't een bestiering, dan moet hij het hebben.”
         Waarachtig, 't scheen wel zoo, ten minste nu. Als hij een bankje van
         vijf en twintig gulden er af nam, was hij voorloopig uit den brand.
      </p>
                  <p> Hij luisterde naar het slapen van de kinderen; het geluid van hun
         regelmatige ademhalingen bereikte zijn oor en de vrouw naast hem snikte
         nu en dan zenuwachtig in den slaap; zij had zich overstuur gemaakt.
      </p>
                  <p> »Arme ziel!” dacht Dirk, »je hebt toch ook je portie; 'k zal zorgen,
         dat je ten minste niet zonder woning bent. Zoo'n rijke kerel, die 't
         verloren heeft, zal er misschien niet eens verlet van hebben; en ik...”
         Hij sliep in.
      </p>
                  <p> Den volgenden dag wisselde »de manke” bij een winkelier in de buurt
         een bankje van vijf en twintig gulden en betaalde den huisheer.
      </p>
                  <p> Met een paar rijksdaalders en wat klein geld in den zak stapte hij
         's avonds »Het Vroolijke Schuttertje” binnen. De Bobberd was er nog
         niet; gauw dus de kranten nog eens nagezien!
      </p>
                  <p> »Alweer niets. Komaan! dat gaat goed,” dacht Dirk; »er schijnt geen
         navraag naar te komen; 'k zal nog een dag of wat wachten en dan...” Ja,
         wat zou hij dan doen? Hij wist het nog niet recht, want om Mijntje
         deelgenoot te maken van zijn geheim ging volstrekt niet aan. Hij moest
         iets verzinnen, een leugen;—ze zou natuurlijk vragen van waar
         plotseling dat geld kwam; en zonder 't zelf te weten, zat hij te soezen
         over de krant. Hij zag de letters en hij zag ze toch eigenlijk niet.
         Waarom stond er nu niet zoo'n eenvoudig »Verloren” in, dat betrekking
         had op zijn vondst?
      </p>
                  <p> Kon hij niet aan zijn vrouw vertellen, dat hij uit de loterij had
         getrokken? Neen! dat wist ze wel beter; hij speelde immers nooit een
         briefje. Een voorschot van den baas? Ze kende den baas even goed als
         hij, en—nu ja, een kleinigheid zou die geven, maar nooit een...
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Daar komt de Bobberd binnen, en als Dirk hem ziet, krijgt hij
         plotseling een onaangenaam gevoel; hij wil naar huis gaan, maar de
         Bobberd houdt hem terug met de woorden: »Wou je nu al heengaan, manke?
         Zijn de centjes alweer op?”
      </p>
                  <p> »Wat bedoel je?” Dirk ziet onrustig en, na onwillekeurig even te
         hebben omgekeken, zijn ondervrager aan.
      </p>
                  <p> »Niks bijzonders, ouwe jongen!” grinnikt de dikke, en met zijn
         waterige oogjes knippend, voegt hij er bij: »Je hebt van morgen bij Van
         der Wielen een vijf-en-twintigie gewisseld. 'k Stond juist in 't
         opkamertje,—dat dacht je niet, hé?—ik dronk even een kommetje troost
         bij de juffrouw.”
      </p>
                  <p> De manke verbleekt en stottert! »Zoo! ei!—Nou! en wat zou dat?”</p>
                  <p> »Niks. Je moogt wisselen wat je wilt; maar ik dacht niet, dat je
         zoo'n stiekemerd was om 't voor een ouwen kennis stil te houden, dat je
         een pennetje[1] hadt gehad.”
      </p>
                  <p> [1] Fortuintje (volksuitdrukking).</p>
                  <p> »Wie zeit je dan, dat 't zoo is?”</p>
                  <p> »Hè! hè! hè! hè! Kijk die nou! Wou je mijn nou wijsmaken dat je...”</p>
                  <p> »Och, Bobberd! hou je grooten mond; bemoei je met je eigen.”</p>
                  <p> »Ho! ho! maak je niet dik, manke; ik zal je niet lastig vallen; maar
         een paar proppies[1] moet je geven, hoor! Anders ben je een kale
         jakhals.”
      </p>
                  <p> [1] Borreltjes.</p>
                  <p> »Nou, als 't daarom alleen te doen is, dan... Kobus! geef ons ieder
         een klare, van die dubbelgebeide, hoor!”
      </p>
                  <p> »Met suiker!” roept de andere, en tegenover Dirk plaats nemend, zegt
         hij: »Kom, manke, 'n spulletje?”
      </p>
                  <p> »Neen! 'k ga naar huis.” Dirk staat op.</p>
                  <p> »Zeg! mot je de kinderen soms verschoonen?” Uitdagend lachend ziet
         de Bobberd hem aan.
      </p>
                  <p> »Neen! maar....”</p>
                  <p> »Nou, ga dan nog even zitten. Of wil moeder de vrouw 't niet hebben?
         Als ik zoo'n vent was als jij, zou 'k me waarachtig niet aan een
         spulletje laten kennen,—Kobus! geef de kaarten ereis!—vooral niet als
         je pas een bankie hebt gewisseld. Kom, manke! jij geeft. Kijk! daar
         komt Kees ook. Mooi! nou kunnen we een pandoertje maken.”
      </p>
                  <p> Dirks wilskracht is als verlamd; hij weet niet hoe 't komt, maar hij
         blijft zitten. De Bobberd heeft hem telkens, zoo meent hij, met een
         vreemden, spottenden blik aangezien: zou hij vermoeden, dat hij meer
         geld heeft gevonden dan die gewisselde vijf en twintig gulden? De manke
         durft het voorgeslagen »pandoertje” niet weigeren, neemt langzaam de
         kaarten op en zit eindelijk angstig, als op heete kolen, te spelen.
      </p>
                  <p> Zijn gedachten bij het spel bepalen kan hij niet, en
         niettegenstaande hij veel goede kaarten krijgt verliest hij telkens,
         zoodat Kees en de Bobberd hem er over in 't ootje nemen en de laatste
         eindelijk, met een reeds bezwaarde tong, hem toevoegt:
      </p>
                  <p> »Zie je wel, manke, dat je duiten te veel hebt?”</p>
                  <p> 't Is lang over eenen, als hij 't Schuttertje verlaat. Hij heeft
         ruim twee gulden verloren en veel meer gedronken dan hij verdragen kan;
         geheel dronken is hij echter niet, maar toch is zijn tred onvast en
         worden zijn bewegingen loom en onzeker, als hij thuis komt. Met
         eenigszins dubbelslaande tong antwoordt hij zijn vrouw, die ongerust
         over zijn lang uitblijven nog wakker in bed zit, op haar vragen, zoodat
         zij verschrikt opstaat en 't licht aansteekt, bij de woorden: »Goeie
         God! Dirk, je hebt te veel. Man! man! dat ben ik niet van je gewend!
         Hoe komt dat? Ben je uit geweest?”
      </p>
                  <p> Gelukkig is Mijntje verstandig genoeg om niet verder te vragen, maar
         hem te bed te brengen. Als een kind laat hij zich helpen; nu en dan
         zegt hij een paar onverstaanbare woorden, en als hij te bed ligt,
         snorkt hij spoedig zwaar en luid.
      </p>
                  <p> De geduldige vrouw ziet bezorgd den ronkenden man en haar kinderen
         aan, zucht: »Moet dat er nou nog bijkomen!” en weent zich eindelijk in
         slaap.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Den volgenden dag was Dirk ontstemd en knorrig; hij had zwaar
         gedroomd en was met een angstkreet wakker geworden, want op de
         kentering van slapen en ontwaken had hij gedroomd, dat de Bobberd voor
         zijn bed stond en hem met geweld het taschje wilde ontnemen; daardoor
         was hij met den uitroep: »Blijf er af, valsche hond!” wakker geworden
         en zag met schrik Mijntjes donkere, zwaarmoedige oogen, die hem stil
         verwijtend aanstaarden, op zich gericht. Zwijgend gaf zij hem zijn
         koffie; hij had zich verslapen en haastig spoedde hij zich naar den
         stal, waar de baas hem met een: »Wat mankeert jou van morgen?” ontving.
      </p>
                  <p> Dirk had, zooals men dat noemt, het land; hij wist niet waar hij 't
         zoeken moest om weer op zijn verhaal te komen.
      </p>
                  <p> Brommend en knorrig deed hij zijn werk en zijn humeur werd er niet
         beter op, toen hij, even na den middag, zonder een enkel vrachtje te
         hebben gehad, weer aan stal kwam en de baas zei: »'t Is weer vegen
         vandaag. Ga maar naar huis om te schaften; misschien is er van avond
         wat werk.”
      </p>
                  <p> »Wat zal Mijntje zeggen?” dacht hij onder 't naar huis gaan; 't
         drukte hem loodzwaar, dat zijn vrouw hem 's morgens geen enkel verwijt
         had gedaan; zij had geen woord gezegd, ze was even kalm en goed geweest
         als altijd; dat hinderde hem. »Had ze maar opgespeeld, was ze maar
         begonnen met te zeggen, dat ik ... hm!... 't Is toch een goed
         wijf!—Verdord! waarom heb 'k nou op eens geen courage meer om nog
         zoo'n briefje te wisselen. Als ik maar wist wat ik haar zeggen zou, als
         ze vraagt waar 't geld vandaan komt, dan deed ik 't wel,” mompelde hij
         in zichzelven, terwijl hij zijn woning naderde.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Nu is hij voor de deur; hij weifelt nog een oogenblik. Weer krijgt
         hij de gedachte: »'k Zal er toch maar een wisselen en haar zeggen,
         dat....” Daar hoort hij Mijntjes stem. 't Is alsof zij ongenoegen met
         iemand heeft, want zij spreekt luider en op scherper toon dan
         gewoonlijk.
      </p>
                  <p> Daarom blijft hij staan en luistert.</p>
                  <p> Luid en met nadruk hoort hij haar zeggen: »Hoe kom je er aan? Ik wil
         het weten; geef antwoord, Gerrit!”
      </p>
                  <p> »Gekregen, moeder!” 't Is Gerrits stem, die antwoordt.</p>
                  <p> »Dat is niet waar. Zooveel sigaren krijg je niet; ik weet heel goed,
         dat je er nooit meer dan een stuk of zes hebt; en nu een heel pak van
         vijf en twintig, en met zoo'n mooi lint er om, dat is niet
         zuiver!—Allo! zul je antwoord geven?”
      </p>
                  <p> De manke staat besluiteloos achter de deur. Zal hij binnengaan en
         den jongen onder handen nemen? Zal hij blijven luisteren? Werktuiglijk
         doet hij het laatste, en tegen een der stijlen geleund, met de
         rechterhand op den deurknop, blijft hij onbeweeglijk staan.
      </p>
                  <p> »Gekregen", herhaalt Gerrit, »van den meesterknecht gekregen”.</p>
                  <p> »Zoo. En waarvoor, waarom? Wat heb je er voor gedaan?—Je krijgt een
         kleur, je liegt!”
      </p>
                  <p> »Zoo maar, moeder, voor een aardigheid.”</p>
                  <p> »Leugenaar! ik zie aan je gezicht, dat 't niet waar is.”</p>
                  <p> »Gerust, moeder, ik heb ze....”</p>
                  <p> »Zwijg! kwaje jongen! Denk je, dat moeder zoo onnoozel en dom is om
         dat te gelooven? Neen, ik zal het je wel zeggen: je hebt ze weggenomen.
         Kind! 't is ijselijk, dat ik dat van je moet beleven: mijn Gerrit een
         dief....!”
      </p>
                  <p> »Neen, moeder! 'k ben geen dief!”</p>
                  <p> »Niet? Noem je dat dan geen stelen? Ja! of je nou huilt en grient,
         't is de waarheid: je bent een dief; of je geld steelt of sigaren, dat
         is precies hetzelfde.”
      </p>
                  <p> »Maar, moeder....”</p>
                  <p> »Hou je mond, jongen; ik kan je niet hooren, niet zien. Ga uit mijn
         oogen, leelijke dief! Wat moet er van jou groeien, als je nu al begint
         met sigaren te stelen? Geef hier dat pakje; ik zal 't....”
      </p>
                  <p> »Moeder, ik heb 't waarachtig niet gestolen; ik ben geen dief!”
         schreit de knaap.
      </p>
                  <p> Een oogenblik heeft Dirk een onbeschrijfelijk akelig gevoel gehad
         bij Mijntjes woorden: »Ga uit mijn oogen, leelijke dief!” Hij heeft
         gebeefd en is op 't punt geweest om binnen te gaan en Gerrit zelf te
         ondervragen; hij kan niet gelooven, dat zijn jongen opzettelijk
         gestolen heeft, en daar valt 't hem ook als een pak van 't hart, als
         hij den knaap op zoo stelligen toon hoort zeggen: »Ik ben geen dief.”
      </p>
                  <p> Hij luistert verder, en al kan hij niets zien, hij weet, hij merkt,
         dat Mijntje dichter bij den knaap is komen staan, want ze spreekt nu
         minder luid en heftig.
      </p>
                  <p> »Kom, Gerrit! zeg mij de waarheid, kind! Hoe kom je aan die sigaren,
         en waarom verstopte je ze, toen je mij zaagt? Als 't een eerlijke zaak
         was, hoefde je dàt toch niet te doen. Och, jongen! ik meen het zoo goed
         met je. Kom! zeg het moeder maar.”
      </p>
                  <p> »Nou dan, moeder, ik heb ze gevonden, eergisteren, in 't portaal bij
         de sorteerkamer.—Neen! moeder, huil nou niet. 'k Ben toch geen dief,
         moeder, zie je wel? Ik heb ze niet weggenomen; ik spreek de waarheid,
         geloof me nou toch! Ik heb ze gevonden.—Toe, moeder, huil niet zoo; ik
         ben toch niet slecht, maar....”
      </p>
                  <p> »Kind! kind! waarom loog je dan? Is 't wel wezenlijk waar?”</p>
                  <p> »Gerust, moeder! ze leiên op 't portaal; een van de sorteerders zal
         ze verloren hebben en de....”
      </p>
                  <p> »Zoo! dus gevonden. Maar daarom zijn ze toch nog niet van jou, wel?
         Waarom heb je ze niet dadelijk teruggebracht, Gerrit? Dat had je moeten
         doen, dat was je plicht geweest.”
      </p>
                  <p> »Ja, moeder, maar...”</p>
                  <p> Dirk hoort alles duidelijk. Hij huivert en onwillekeurig brengt hij
         zijn hand op de plaats, waar 't taschje verborgen is; 't kost hem
         moeite zich staande te houden, als hij de ernstige stem van zijn vrouw
         weer verneemt, die, tot Gerrit sprekend, zegt:
      </p>
                  <p> »En weet je wel, Gerrit, dat nou misschien de sorteerder, die ze
         verloren heeft, als dief wordt aangezien door jou schuld en...”
      </p>
                  <p> »Maar ik dacht....”</p>
                  <p> »Foei, kind!—Ja! nou sta je te huilen; maar... Nou, wat wou je
         zeggen?”
      </p>
                  <p> »De sigaren worden eerst morgen door den meesterknecht ingenomen en
         nageteld, en...”
      </p>
                  <p> »Goddank! dan is het nog niet te laat; breng ze morgenochtend weerom
         en zeg ... hm!... Ja, wat zul je nou zeggen, dat je 't pak sigaren al
         twee dagen gehouwen hebt? Zie je, daar heb je 't al; nou moet je alweer
         liegen, omdat...”
      </p>
                  <p> »Maar, moeder!”</p>
                  <p> »Zeg dan maar, dat je 't mee naar huis hebt genomen omdat ... hm!...
         Heere! Heere! wat maak je nou toch een verlegenheid door zoo'n
         ding!—Wat zal ik zeggen?”
      </p>
                  <p> »Och, moeder!”</p>
                  <p> »Zeg, dat je vader 't je had afgenomen en opgeborgen en dat je 't
         daardoor niet eerder kon...”
      </p>
                  <p> »Vader?”</p>
                  <p> »Neen! zeg maar niets. 'k Zal er zelf heengaan; ik zal 't dan wel
         voor je beredderen voor dezen keer. Maar! kind! jongen! doe 't in
         Godsnaam nooit weer—en houd je maar stil, doodstil voor je vader.”
      </p>
                  <p> »Zal u 't 'm dan ook niet zeggen, moe?”</p>
                  <p> »Neen, jongen! 'k zal mijn mond houwen. Geef 't pakje maar hier; ik
         zal 't wegbergen tot morgen, want als je vader 't wist, dan zou je wat
         beleven: de man is zoo eerlijk als goud. Als hij hoorde, dat jij twee
         dagen een andermans goed onder je hadt gehouwen,—hij sloeg je
         halfdood!”
      </p>
                  <p> »Och God, moeder! zeg 't hem dan niet; ik zal 't nooit weer doen;
         maar ik dacht, 't zijn maar sigaren, en....”
      </p>
                  <p> Meer hoort de manke niet, want 't is hem draaierig in 't hoofd
         geworden bij de laatste woorden van Mijntje. Stil als een hond, die
         slaag heeft gehad, sluipt hij weg van de deur.
      </p>
                  <p> Als hij het slop uit is en in de straat, komt het hem voor alsof de
         keien tegen zijn hoofd springen; werktuiglijk loopt hij voort. Met
         geweld verdringen zich allerlei gedachten in zijn brein en de woorden:
         »de man is zoo eerlijk als goud,” klinken hem zóó duidelijk, zóó luid
         in de ooren, als vernam hij ze pas op 't oogenblik zelf.
      </p>
                  <p> »Maar ben ik dan niet eerlijk? Heb ik dan niet iederen avond trouw
         de advertenties nagekeken, en 't geld is er immers nog? Die vervloekte
         Bobberd met zijn praatjes! die is eigenlijk schuld, dat ik er aan ben
         geweest. En dan die huisbaas! Ik kon me toch niet op straat laten
         zetten met geld in mijn zak. Wat duivel! weet ik ook van wien 't is?
         Mijn jongen wist ten minste, dat die sigaren door den sorteerder waren
         verloren en...”—»Als dief aangezien door jou schuld!”—»Wat weêrga!
         wie zei dat daar?” mompelt Dirk in zich zelf: »'t Is precies alsof ik
         't iemand hoorde zeggen,” denkt hij, en eensklaps komt hem het beeld
         van het jongmensch, dat boven zijn bier was en dat hij naar Kras reed,
         voor den geest. »Hij zag er zoo wat uit als een handelsreiziger; 't zou
         toch kunnen zijn, dat zoo'n jongmensch voor zijn patroon geld ontvangen
         en, een beetje vroolijk geworden, 't verloren had.—Neen! maar dan had
         hij er toch wel werk van gemaakt. Wist ik maar van wien het was! Hm! 'k
         Had toch wel eens aan 't Amstel-Hôtel kunnen vragen naar dien zieken
         heer, die.... Wat weêrga! wat belet me, dat ik 't nog doe, dadelijk?”
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Een half uur later staat Dirk in de vestibule van het Amstel-Hôtel
         en zegt tot den portier:
      </p>
                  <p> »'k Heb een dag of tien geleden, 's avonds van den laatsten trein,
         hier een passagier gebracht....”
      </p>
                  <p> »Dat's wel mogelijk; 't is hier zoo druk, dat rappeleer ik me niet.”</p>
                  <p> Met zijn hoed in de hand, staat Dirk min of meer verlegen voor den
         welgedanen portier, die met een zeker »air” hem van het hoofd tot de
         voeten opneemt, als wilde hij zeggen: »Wat moet die armoedige snorder
         hier?”
      </p>
                  <p> »En nou wou ik u vragen, of die heer er nog is.”</p>
                  <p> »Weet je niet hoe hij heet? Moet je geld van hem hebben?”</p>
                  <p> »Neen!”—de manke glimlacht even—»'t Is die passagier, die ziek
         aankwam. U heeft me nog een gulden fooi moeten geven!”
      </p>
                  <p> Eenigszins gevleid door 't beleefde »U", antwoordt de portier iets
         vriendelijker:
      </p>
                  <p> »O! zoo! ja—'k herinner mij. Jawel, die logeert nog hier. Wat wou
         je?”
      </p>
                  <p> »Goddank!” denkt Dirk, en Mijntjes woorden: »Dan is 't nog niet te
         laat,” komen hem eensklaps weer in de gedachte. Hij richt zich op uit
         zijn ietwat deemoedige houding en ziet den portier flink aan, terwijl
         hij zegt: »'k Moet hem dadelijk spreken. Is hij thuis?”
      </p>
                  <p> »Ja! maar....”</p>
                  <p> »Zeg asjeblieft, dat No. 181 er is.”</p>
                  <p> »Zoo! Hm! Kun je mij niet vertellen wat je wilt? Ik weet niet, of de
         baron wel te spreken is.”
      </p>
                  <p> »Is 't een baron, portier?”</p>
                  <p> »Natuurlijk!—'t Is baron Van der Weyden; hij is pas aan de
         beterhand.”
      </p>
                  <p> »Ja, dat kan wel wezen; hij was ten minste lang niet goed 's avonds;
         onder weg had hij nog zoo'n soort van flauwte. Och kom! is hij toen
         naarder geworden?”
      </p>
                  <p> »Heel erg; hij zit pas sedert een dag of drie op.—Kom dus liever
         eens terug,—later.”
      </p>
                  <p> »Neen! dat kan ik niet,” antwoordt Dirk, en hij denkt er bij: »'k
         Durf Mijntje niet weer onder de oogen te komen, vóórdat de zaak in orde
         is.” Daarom herhaalt hij nog eens dringend: »'t Heeft haast, portier!
         Ik zal den baron niet lang ophouden—Och! doe me 't plezier en vraag of
         ik....”
      </p>
                  <p> »Nu, goed dan, ik zal je helpen,” en zich tot den kleinen groom, die
         in de portiersloge op een lei zit te krabbelen, wendend, zegt de
         portier: »Ga eens naar boven, naar No. 12, en vraag of de baron te
         spreken is voor dien snorder.”
      </p>
                  <p> »Voor No. 181,” roept de manke den jongen, die inmiddels de trappen
         opwipt, nog na.
      </p>
                  <p> Terwijl de groom zijn boodschap verricht, verwaardigt zich de
         portier, die op 't oogenblik niets beters te doen heeft, met den manke
         een praatje te houden. Hij vertelt hem met een paar woorden, dat baron
         Van der Weyden, in denzelfden nacht van zijn aankomst in 't hotel,
         ernstig ongesteld is geworden, en sedert door de freule, zijn dochter,
         die telegraphisch werd ontboden, is verpleegd.
      </p>
                  <p> »'t Zijn schatrijke lui, beste menschen! Maar je kunt zoo zien, dat
         't een baron van het land is: er zit geen echte adeltrots bij! Neen!
         dan heb ik ze hier wel anders, hoor! die geen mensch aankijken van
         voornaamheid,” zegt de portier op 't oogenblik dat de groom terugkeert,
         en met een vragenden blik voegt hij tot den jongen er bij: »Wel?”
      </p>
                  <p> »Boven komen", is 't lakonieke antwoord.</p>
                  <p> »Dat tref je!—Allo! wijs jij dien man den weg eens naar No. 12.”</p>
                  <p> »Kom dan maar mee!” zegt knorrig de groom en gaat vóór Dirk de
         trappen op.
      </p>
                  <p> Zenuwachtig en besluiteloos staat de manke voor de kamerdeur, maar
         zoodra hij heeft aangeklopt, wijkt dat angstig gevoel en kalm treedt
         hij, na een zacht: »Binnen!” door een vrouwenstem geuit, het vertrek
         in.
      </p>
                  <p> Met zijn hoed in de eene hand en in de andere het taschje, dat hij
         uit zijn borstrok te voorschijn heeft gehaald, staat Dirk in de kamer
         en ziet rond.
      </p>
                  <p> Dat moet dan die passagier zijn! Nauwelijks herkent hij hem nu; hij
         heeft hem ook alleen maar 's avonds gezien, en dan nog wel in een
         dikken pels gedoken. Maar als de baron hem vraagt: »Ben jij No. 181?”
         herinnert hij zich zijne stem en onwillekeurig zegt hij: »Jongens!
         Jongens! meneer, wat zie je er slappies uit,”—en als schaamde hij zich
         plotseling over die gemeenzame woorden, stamelt hij: »Dat viel er zoo
         uit, meneer, neem me niet kwalijk,” en blijft verder zwijgend staan,
         totdat de dame, die naast den ziekenstoel staat, hem vriendelijk
         toevoegt: »Wat wenscht u?”
      </p>
                  <p> »Mevrouw—juffrouw—ik .... hm! ik....” stottert de manke, nog
         altijd eenigermate verward door de vreemde omgeving: »ik ben de
         snorder, die den baron 's avonds hier heeft gebracht en ik wou....”
      </p>
                  <p> »Heb je soms de beloofde fooi niet gekregen? Vraag dan maar aan den
         portier of....”
      </p>
                  <p> »O, neen! meneer,” valt Dirk snel in, »dat is 't 'm niet; 'k blijf u
         nog wel dankbaar voor dien gulden, maar 't is een heel andere
         zaak.—Heeft u bij geval ook iets verloren?”
      </p>
                  <p> »Goddank! 't woord is er uit,” denkt de manke, en alsof 't hem nu
         gemakkelijker valt om te spreken, herhaalt hij: »Iets van waarde
         verloren?”
      </p>
                  <p> »Ik?—Niet dat ik weet, beste vriend!”</p>
                  <p> »Och God! zou hij 't nou toch niet wezen?” denkt Dirk; maar hij
         vervolgt: »'k Heb wat in m'n viegelant gevonden, een kleine zwarte
         tasch met....”
      </p>
                  <p> »Met bankpapier, een leeren taschje, een bankje van duizend er in
         en...?”
      </p>
                  <p> »Juist, meneer! juist!—Hier is 't, asjeblieft!”</p>
                  <p> De freule neemt het aan en reikt het over aan haar vader, die 't
         nauwkeurig bekijkt en dan den man, die voor hem staat, scherp en
         oplettend aanziet.
      </p>
                  <p> »Wanneer vond je dat?”</p>
                  <p> »'s Morgens vroeg, toen ik m'n wagon schoonmaakte. Als ik maar had
         geweten, dat 't van u was, zou ik 't dadelijk hebben teruggebracht,
         maar ik had na u nog een passagier; hij was, met uwés verlof, 'n beetje
         sikker, en daarom dacht ik: misschien heeft hij 't laten vallen. Ik
         wist ook niet wie 't was en 'k dacht: eerst hier informeeren en ....
         daarom, weet u .... geloofde ik....” Dirk verwart zich in zijn eigen
         woorden, omdat hij denkt: »Wat zal ik zeggen, waarom ik 't zoo lang
         gehouden heb?”—'t Is een akelig ding, dat die woorden van Mijntje hem
         zoo voortdurend door 't hoofd spoken.
      </p>
                  <p> De baron redt hem uit de verlegenheid door te zeggen:</p>
                  <p> »Ja!—'t is van mij; 't is geld, dat ik pas van mijn notaris had
         ontvangen,” en tot de freule: »Zie je, Constance, ik heb door mijn
         ziekte er in 't geheel niet meer aan gedacht. 't Zat in mijn valiesje;
         dat sloot niet goed en....”
      </p>
                  <p> »Dat kan wel wezen, meneer; dan is 't er uitgevallen, toen u
         uitstapte: het valies lei open op den grond, dat weet ik, want ik heb
         't nog dichtgeknipt, voordat ik 't aan den portier gaf. 't Taschje had
         ik niet gezien; anders....”
      </p>
                  <p> »Zoo!—dus je vondt 't 's morgens en je zaagt, dat er geld in zat.”
         Intusschen laat de baron het bankpapier door zijn vingers glijden en
         ziet telkens met vriendelijker oogen den manke, die nog altijd met den
         hoed in de hand voor hem staat, aan. »'k Weet niet juist meer hoeveel
         geld er in was, goeie vrind, maar 't zal wel akkoord wezen.”
      </p>
                  <p> In dat oogenblik schiet met de snelheid des lichts door Dirks brein
         de gedachte: »Hij wist niet hoeveel er in was; je hoeft dus niets te
         zeggen van dat vijf-en-twintigje.” Maar 't is alsof een inwendige stem
         hem toefluistert: »Neen, neen! je moet het juist wel zeggen; doe je
         werk niet ten halve,” en, eer hij 't zelf weet, zijn hem de woorden
         ontsnapt: »Neen, meneer, 't is niet in orde.” En hij kleurt als een
         jongen, dat voelt hij, als hij er bijvoegt: »Kijkt u maar goed na, dan
         zal u wel zien dat ik—hm!—'t spijt me wel—maar...”
      </p>
                  <p> De baron heeft nogmaals den inhoud nagezien, en na een oogenblik te
         hebben gedacht, zegt hij: »Zoo! Zoo! En hoeveel was dat wel, goeie
         vriend?”
      </p>
                  <p> »Vijf en twintig gulden, meneer!”</p>
                  <p> »Hum!” De oude heer richt zijn oogen scherp op den snorder en vraagt
         met een zweem van misnoegen in zijn stem: »En waarom deed je dat?”
      </p>
                  <p> Een oogenblik is het doodstil in 't vertrek, dan zucht de manke
         hoorbaar, diep, draait zijn hoed rond in zijn handen en zegt dan
         zachtjes, met trillende stem:
      </p>
                  <p> »Ik ben zoo arm!”</p>
                  <p> Er is iets in de houding van den snorder dat voor hem pleit; hij
         staat daar bescheiden, kalm en rustig. De Baron glimlacht met een
         heimelijke traan in 't oog en freule Constance, die gedurende het
         geheele gesprek den manke goed heeft opgenomen en zijn gelaat, zonder
         dat hij 't merkt, trek voor trek bestudeert, slaat een innig meewarigen
         blik op den koetsier, die nog steeds zijn hoed in de hand ronddraait en
         met alle oplettendheid naar die beweging schijnt te zien.
      </p>
                  <p> »Ben je getrouwd?” vraagt zij zacht.</p>
                  <p> »Ja, juffrouw!”</p>
                  <p> »En heb je kinderen?”</p>
                  <p> »Om u te dienen, zeven. Ja! we hebben 't van de winter hard genoeg
         want de verdiensten zijn schraal; er zit geen geld onder de menschen en
         dan loopen ze, als ze maar even kunnen, u begrijpt dus dat 't geen
         vetpot is....”
      </p>
                  <p> »Ja dàt kan 'k begrijpen,” de freule ziet medelijdend hoofdschuddend
         den snorder en dan, vragend, haar vader aan.
      </p>
                  <p> »De huisheer had gedreigd om ons op straat te zetten. Midden in den
         winter mijn vrouw en kinderen zonder dak te laten, God! dàt kon ik
         niet;—vooral niet toen ik opeens zooveel geld in handen kreeg: ik hoop
         dus dat u 't me niet kwalijk zal nemen dat ik er wat afnam—maar ik
         dacht misschien krijg ik wel zooveel fooi, als ik 't weerom breng.
         Kleine Jan was zoo ziek; de huisbaas wou geen uitstel meer geven en
         toen...”
      </p>
                  <p> »Kom eens hier, man! Hoe heet je?” roept eensklaps de baron, het
         verhaal van Dirk afbrekend.
      </p>
                  <p> »No. 181; och, neen! Dirk de Vries,” is 't verwarde antwoord.</p>
                  <p> »Kom hier, kerel!” Do oude heer rijst van zijn stoel op en herhaalt
         zenuwachtig: »Kom dan!”
      </p>
                  <p> Dirk aarzelt en ziet nu eens den ouden heer, dan weer de freule,
         verlegen aan.
      </p>
                  <p> »Maar kom dan toch bij me!”</p>
                  <p> De manke nadert.</p>
                  <p> »Geef me je hand, De Vries! Zoo! 'n fermen handdruk. Zoo! jij bent
         een eerlijke vent, hoor! God weet, of ik in jou plaats 't wel zóó had
         getracteerd.—Hm! waar woon je? Vertel me eens wat van je familie.—Je
         hebt zeker een brave vrouw, hé?”
      </p>
                  <p> »Ja, meneer, die heb ik Goddank. 't Is een best wijf, die m'n
         kinderen grootbrengt met God en met eere,” antwoordt de manke, uit de
         volheid zijns harten.
      </p>
                  <p> »Dat dacht ik wel.—Constance, schel eens om wat port; laat den man
         een stoel nemen, en ga jij hier bij ons zitten.—Kom, vrind! vertel me
         nu alles eens. Wat verdien je wel en...?”
      </p>
                  <p> Een lange poos zit de manke met den ouden baron te praten; hij
         verhaalt hem van Mijntje, van zijn kinderen en eindelijk ook van
         Bles—dat dier ligt hem na aan 't hart. »Wil u wel gelooven meneer! dat
         hij me als een hondje naloopt, aardig hé? Dat deden alle paarden die ik
         gehad heb.” Dirks oogen beginnen te glinsteren als hij vervolgt: »'k
         heb altijd liefhebberij gehad in mijn vak en toen ik nog ongetrouwd was
         en bij baas Halswijk diende, hield ik men span in orde, dat beloof ik
         je—maar wat krijg je bij zoo'n snorder onderhanden? Ouwe dragonders,
         een enkel afgedankte artillerist, meestal dampig, ja! als ik weer eens
         een span goeie Bovenlanders of Friezen mocht rijen, zou ik nog eens
         kunnen laten zien, dat 'k weet wat 'n paard is en wat het toekomt.”
      </p>
                  <p> Met toenemend welgevallen ziet de oude heer, achterover in zijn
         stoel geleund, naar Dirk, die bescheiden, maar zonder schroom,
         voortgaat met over paarden en rijtuigen te spreken—telkens weer
         opnieuw uitgelokt door een of andere vraag of opmerking van den Baron.
         Dirk merkt dat niet maar Freule Constance wèl; zij knikt, achter den
         snorder staande, een paar maal levendig met het hoofd, als wilde zij
         zeggen: »Ik begrijp u papa—'t is goed wat je wilt doen.”
      </p>
                  <p> Eindelijk weet de Baron wat hij weten wil, neemt zijn zakdoek,
         brengt die even aan 't voorhoofd en zegt tot den snorder:—»En nu,
         goeie vrind, wil ik wel weer alleen zijn, ik dank je. Ik word wat moe;
         'k voel toch, dat ik nog zwak ben, maar jou gezicht heeft me heel veel
         goedgedaan.—Ziedaar! neem dat mee, dat's voor den eerlijken vinder;
         doe mijn groeten aan je vrouw en zeg haar, ze is immers ook van
         Overijssel, dat ik een landsman van haar ben—maar pak dan toch aan,
         man—dat 's om je kinderen eens te tracteeren. Zeg aan je vrouw, dat ze
         een brave vent heeft en dat ze later wel meer van mij hooren
         zal—Adieu!” Dirk krijgt nog een ferme handdruk van den Baron en
         verlaat het vertrek. Als hij in den corridor staat, ziet hij een
         banknoot in zijn hand—nauwelijks gelooft hij zijn oogen.
      </p>
                  <p> »Godallemachtig! Honderd gulden!—Nou naar Mijn! Kristenenzielen,
         wat zal 't wijf blij zijn!”
      </p>
                  <p> Hij stormt de trappen af, en als hij den portier voorbijkomt, vraagt
         deze, uit zijn hokje ziende: »Heb je den baron gesproken?”
      </p>
                  <p> »Nou! dat zou 'k je verzoeken.—Dag, portier!”</p>
                  <p> Dirk maakt, dat hij wegkomt.</p>
                  <p> Of de baron woord hield?</p>
                  <p> Vraag dat maar eens aan Dirk of liever aan zijn vrouw, die,
         gedurende het jaar dat zij in het ruime luchtige koetsiershuis van het
         buitengoed »Weijdenstein” boven Zutphen wonen, er welgedaan en gezond
         is gaan uitzien. De kinderen groeien als kool, eten als wolven, en er
         is altijd genoeg.
      </p>
                  <p> Als Dirk zijn zevental dan zoo gelukkig bijeen ziet, denkt hij:
         »Vrouw! 't is eigenlijk jou schuld, dat we 't nu zoo goed hebben", en
         zijn vrouw zegt dikwijls tegen de kinderen: »Neem een voorbeeld aan
         jelui's vader: die is zoo eerlijk als goud!”
      </p>
               </level3>
               <level3>
                  <h3>
			                  <a id="a1_0_7">DE FASHIONABELE DINEUR.</a>
		                </h3>
                  <p/>
                  <p> DE FASHIONABELE DINEUR.</p>
                  <p> Voor den man, van wien ik in deze regelen het portret en de
         beschrijving wil leveren, weet ik inderdaad geen goeden Hollandschen
         naam.
      </p>
                  <p> »De fatsoenlijke eter”? Neen! dat drukt niet uit wat hij is.—»De
         deftige gast”? Evenmin!—»De tafelvriend van goeden huize”? Misschien
         zou die naam iets beter zijn, maar 't is toch de rechte niet. Neen! er
         is bepaald in onze taal geen geheel geschikte uitdrukking om aan te
         toonen, wat ik met »den fashionabelen dineur” bedoel.
      </p>
                  <p> 't Is zonderling, maar het mengsel van Engelsch en Fransch schijnt
         noodig te zijn om met twee woorden den persoon te kenschetsen, dien ik
         op 't oog heb; misschien ligt er wel het bewijs in, dat hij
         oorspronkelijk een »niet inheemsch” type is, maar—ik ben er zeker
         van—velen van hen, die dit schetsje lezen, zullen hem hier of daar
         hebben ontmoet.
      </p>
                  <p> Wellicht wisten zij vóór dezen niet, dat de hoogstfatsoenlijke gast,
         dien zij aan tafel ontmoeten, mijn model is geweest; misschien komen
         zij, na 't lezen van dit opstel, tot de gevolgtrekking, dat de uiterst
         beleefde, spraakzame, beschaafde en bovenal vormelijke man, die hun
         over-of nabuur was, tot het gild der »dineurs” behoorde.
      </p>
                  <p> Valt u dus voor hem een goede kernachtige naam in, geachte
         lezer,—ik houd mij aanbevolen om dien over te nemen.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> De fashionabele dineur is meestal een man op zekeren leeftijd,
         ongehuwd en van goede, dikwijls van aristocratische familie; ik heb er
         zelf een gekend, die rechtstreeks van een oud Provinciaal
         regeeringsgeslacht afstamde en nooit verzuimde om die
         familiebetrekking, in den loop van zijn gesprek, op even handige als
         kiesche manier, een oogenblik te laten doorschemeren.
      </p>
                  <p> Hij had bepaald een zeker talent om op die afstamming te wijzen,
         zonder dat het den argeloozen toehoorder opviel hoe hij het deed. Met
         een peinzende uitdrukking op zijn gelaat en een vriendelijk glimlachje
         om zijn lippen, kon hij met zijn zacht brouwende stem tegen den een of
         ander, die hem geschikt voorkwam, zeggen, zoo natuurlijk mogelijk: »Hoe
         meer ik u aanzie, hoe meer 't mij frappeert, dat u sprekend gelijkt op
         Jonker Van Daelen, den intiemsten vriend van mijn oom Baron Van
         Rompselaar. Of is u misschien inderdaad familie van de Van
         Daelens?—Niet? O! maar de gelijkenis is bepaald buitengewoon frappant,
         kolossaal!”
      </p>
                  <p> Een tweeden niet onhandigen »truc” gebruikte hij, wanneer er geen
         gelegenheid was om van de toevallige gelijkenis partij te trekken. 't
         Is niet moeilijk om aan tafel het gesprek langzaam aan tusschen de soep
         en den pudding zoodanig te leiden, dat men eindelijk komt waar men
         wezen wil. Zoo wist hij het dikwijls, door verschillende wendingen, op
         liefdadige instellingen te brengen, en als hij 't op de hoogte had,
         waar hij zijn moest, begon hij met een zeker pathos: »Liefdadige
         instellingen, Mevrouw?—Ik acht en vereer ze; maar! .... mij hebben ze
         drie ton gekost.—U lacht? Neen! 't is parôle d'honneur, de zuivere
         waarheid. Voor een jaar of twaalf was ik, of werd ik beschouwd als de
         eenige erfgenaam van Barones Van Bronkenhorst, geboren Freule Sprang
         van Schramade, de eenige zuster van mijn moeder. Zij was weduwe en
         kinderloos; ik was haar petekind.—Wat blijkt nu na haar dood? Ze heeft
         haar geheele vermogen aan liefdadige instellingen vermaakt, behalve een
         klein legaat aan mijn neef Jonkheer Van Brijnen,—notabene om daarvoor
         een hondenasyl te stichten! Ridicuul!—Ja, zij was altijd excentriek,
         hoogst excentriek.”
      </p>
                  <p> In de meeste gevallen zou de fashionabele dineur een Mr. voor zijn
         naam hebben gehad, wanneer hij niet met een onoverwinnelijke vrees en
         afschuw voor examens ware ter wereld gekomen, een vrees, die hij trots
         jaren van studie, niet kon overwinnen en die hem noodzaakte om vóór het
         »summa cum laude” afscheid van de universiteit te nemen. Familie en
         vrienden deden alles wat zij konden om hem te doen vergeten, dat hij
         nooit kon slagen in het vinden van een voor hem passende betrekking; 't
         was ook zoo moeilijk, want hij kon en mocht, om zijn afstamming, niet
         maar 't eerste 't beste baantje aannemen.
      </p>
                  <p> Een huwelijk uit berekening mislukte hem evenzeer als een
         verbintenis, die hij uit zuivere genegenheid trachtte te sluiten, en
         daarom werd hij, bewust dat zelfs het pogen grootsch is in 't
         worstelperk des huwelijks, als célibatair te oud om zich nogmaals aan
         Amors grillen te wagen. Misschien ook hielden andere redenen van meer
         ingrijpenden aard hem terug van Hymens boot; hij was immers lang
         »jongeheer” geweest en...... Niemand zou hebben kunnen of willen zeggen
         wàt hem terughield, maar iets of meerdere ietsen kunnen soms geldige
         beletselen zijn om..... Neen! laten we niet verder vragen: de man is te
         fashionabel om zoo onbescheiden te zijn.
      </p>
                  <p> Niemand zal, wanneer hij een fashionabelen dineur voor 't eerst
         ontmoet, in hem een man vermoeden, die met een verleden heeft te kampen
         gehad, om eindelijk op meer dan rijpen leeftijd door 't onverbiddelijke
         noodlot te worden gedoemd, om, zooals men 't wel eens vulgair uitdrukt,
         »zijn kostje hier en daar op te halen.”
      </p>
                  <p> Toch is het de waarheid: want rijk is hij nooit, behoeftig zelden,
         arm nog minder. Zijn vermogen staat eenvoudig niet in evenredige
         verhouding tot zijn eigen stand en afstamming, en evenmin past het bij
         de maatschappelijke stelling van hen, bij wie hij dineert.
      </p>
                  <p> Meestal bestaat hij van een kleine lijfrente, die hem door een of
         anderen aristocratischen oom of tante is nagelaten; in 't adresboek
         komt hij daardoor onder de rubriek »particulieren” of »renteniers”
         voor. Zoodra ge hem ziet, zegt ge dadelijk: dat is een hoogst
         fatsoenlijk man, goed verzorgd in alle opzichten, wat kleeding en
         vormen betreft; en als ge hem hoort spreken, wordt ge aanstonds
         overtuigd, dat alles wat naar 't ordinaire zweemt, hem volkomen vreemd
         is. In den loop van het gesprek, zal hij u voortdurend in verbazing
         brengen door den onmetelijken schat van gemeenplaatsen, die hem ten
         dienste staan. Hij vertelt u met een beminnelijk glimlachje, dat hij
         gestudeerd heeft, ten minste dat hij student is geweest; en met een
         zekeren weemoed fluistert hij u in, zoodra hij na een of ander
         familie-diner de pianino ziet openen, dat hij »au beau milieu de sa
         jeunesse” veel aan muziek heeft gedaan, maar dat, door alles wat hij
         ondervonden heeft, zijn stem niet meer is wat ze eenmaal was. Soms is
         die vertrouwelijke mededeeling een verkorte bede om hem tot zingen(?)
         te verleiden.—Wee u, zoo ge u laat vangen!
      </p>
                  <p> »J'ai dit la romance", vertelt hij aan een ieder, die 't hooren wil;
         en wanneer hij dat zachte woordje: »dit” met een soort van zoetelijken
         glimlach over zijn min of meer gastronomisch ontwikkelde lippen, doet
         suizelen, herinnert hij u onwillekeurig aan den troubadour van
         voorheen, die aan de minnehoven, voor adellijke jonkvrouwen en
         burchtdames stem en speeltuig liet klinken.
      </p>
                  <p> »De romance moet niet
<!-- **** No template for element: i **** --> gezongen worden", beweert hij; »il faut
         la dire.” Wees voorzichtig, dat ge niet in den lach schiet, want hij
         zou 't u hoogst kwalijk nemen, al zou het timbre van zijn stem u ook
         dadelijk »volkomen vergeving van zonden” verzekeren. Ge kunt u immers
         zonder gerechte vroolijkheid uit zijn Lucullisch ontwikkelden mond geen
         »Rêve parfum au frais murmure” voorstellen, evenmin als ge u verbeelden
         kunt, dat de opgepofte, korte handjes van den min of meer dikbuikigen
         heer, die u met diepen ernst van zijn talenten staat te vertellen, ooit
         citersnaar of pianotoetsen hebben gestreeld.
      </p>
                  <p> Natuurlijk houdt ge uit beleefdheid uw gelaat in bedwang; bovendien,
         de man is geen gewone bluffer of ophakker. Integendeel, hij is door en
         door fijn, fatsoenlijk en net; alle gewone ploertigheid is hem vreemd.
      </p>
                  <p> In zijn spreken, uiterlijk en manieren is en blijft hij »een
         gentleman” van top tot teen. Of niet nu en dan door de poriën van zijn
         volmaakt fashionabel omhulsel een klein reukje van bekrompenheid en
         bescheiden grootspraak heenwasemt, wil ik niet beslissen, maar in allen
         gevalle wordt dat toch belangrijk gewijzigd door den geur van
         Jockey-club of New-mown-hay-essence, die u uit zijn zakdoek tegenwaait,
         wanneer hij dien met voorname deftigheid even in de hand neemt, om
         daarmee voorzichtig zijn veelal iets te hoog voorhoofd af te betten,
         als hij, na de vermoeiende bezigheid van het dineeren, van tafel
         opstaande, u plechtig verzekert, dat hij »gecharmeerd is van uw
         alleraangenaamst gezelschap”.
      </p>
                  <p> Met tact weet hij des winters na 't diner, zonder dat iemand hem ook
         maar in de verste verte van onbescheidenheid zou kunnen beschuldigen,
         het beste plaatsje aan den open haard te bezetten, en met echte
         virtuositeit kiest hij in een ondeelbaar oogenblik uit het kistje
         Regalia-comme-il-faut, dat men hem aanbiedt, de beste sigaar. Terwijl
         hij zijn koffie »savoureert", geniet hij »als kenner” die Havana,
         zonder te dampen als een stoomboot en daardoor een ander overlast aan
         te doen. Hij zou iemand »lastig zijn?” O, foei! dat is onmogelijk. Hij
         is—vraag het maar aan al de dames, die hij kent—de meest galante, de
         beleefdste en voorkomendste cavalier, die zonder onderscheid voor alle
         vrouwen—mits fatsoenlijke—een kleinen dienst overheeft, een dienstje
         soms zóó klein, dat een »gewoon heer” het niet zou durven bewijzen.
         Daardoor nemen de dames hem dan ook algemeen »en amitié”. Hij zegt het
         zelf en derhalve zal het wel waar zijn, want—jokken, neen! daarvoor is
         hij veel te fashionabel.
      </p>
                  <p> Komt het eens voor, dat hij een enkele maal van 't een of ander een
         niet geheel juiste voorstelling geeft, dan doet hij dat alleen, omdat
         het volstrekt onvermijdelijk, noodzakelijk is om—»en amitié” te
         blijven; waar 't doel goed is, wordt ook voor hem 't middel spoedig
         heilig.
      </p>
                  <p> Eigenaardig is het, dat hij dit goede doel nooit uit 't oog verliest
         bij families, waar hij zijn »vasten dag” heeft, en treffend is het om
         te aanschouwen, hoe hij op die »vaste dagen” prijs stelt. Ontvalt hem
         zoo'n steunpilaar van zijn bestaan, oogenblikkelijk ziet hij rond naar
         een plaatsvervanger. Gewoonlijk vindt hij dien, door zich bij vrienden
         van vrienden in te leiden met een: »Veroorlooft u mij Mevrouw, dat ik u
         eens een visite kom maken? Ik ben zoo gecharmeerd van uw aangenaam
         gezelschap, dat....”
      </p>
                  <p> Meestal gelukt hem die manoeuvre, want 't is voor veel familiën, die
         nogal eens diners geven, wel iets waard iemand »au besoin” te hebben:
         meestal toch doen de heeren opgeld.
      </p>
                  <p> Ook als »_veertiende” komt de »dineur” niet zelden uitmuntend te
         stade; terwijl hij als »chapeau” voor dames van een zekeren leeftijd,
         die niet in de termen vallen om door de jongelui te worden begeleid,
         veel dienst kan doen, als de kruier te vroeg of in 't geheel niet komt.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> 't Is inderdaad een genot om hem te zien dineeren; want hoewel hij
         een lekkerbek is in den overtreffenden trap, een epicurist, die met
         ongeloofelijke juistheid op de punt van zijn tong den jaargang der
         wijnen weet te schatten en onfeilbaar vast elke afwijking in geur of
         smaak van een of ander gerecht ontdekt, is hij, zoodra hij in zijn
         hoedanigheid van »dineur” optreedt, volkomen optimistisch gestemd. Hij
         verzekert u met zooveel plechtige overtuiging, dat de ossenhaas »om te
         zuigen” is, dat ge waarlijk meent een trouweloosheid van uw gebit te
         ontdekken, als ge zelf met moeite die vezelachtige zelfstandigheid
         vermaalt.
      </p>
                  <p> Zoodra hij met een zekere, aandoenlijke beslistheid verkondigt, dat
         de doperwtjes »superber” en »délicaat” zijn, schaamt ge u, dat ge een
         oogenblik den moed hebt gehad er iets aangebrands aan te proeven.
      </p>
                  <p> Wanneer ge gevoel hebt voor de kunst van dineeren, gaat ge, bijna
         zonder het zelf te weten, hem navolgen in de meesterlijke wijze, waarop
         hij de punt van zijn servet in de holte tusschen adamsappel en
         halsboord steekt; hij doet dat zóó handig, zóó zorgvuldig en »chic",
         dat ge onmiddellijk beseft, hoe hoog de man staat als »Dineur", hoe ver
         hij het heeft gebracht in de kunst van hoogst fatsoenlijk dineeren. Let
         op! hoe hij vork en mes hanteert; 't is met volkomen meesterschap. Zie
         naar hem, als hij, tusschen duim en wijsvinger, zijn wijnkelk opneemt.
         Doet hij het niet juist alsof hij een bedauwd rozenblaadje aanvat? Geef
         u de moeite op te merken, hoe keurig hij zijn lepel in evenwicht houdt,
         en met hoeveel sierlijke zorgeloosheid hij met zijn stukje brood weet
         te spelen, als er niets gewichtigers voor hem te doen is. Aan 't
         dessert zoekt hij zijn wederga in 't ontkleeden van een Chinaasappel,
         waarvan hij de schil tot allerlei aardige doeleinden weet te gebruiken;
         niemand dan hij, ontdoet, met zooveel innige toewijding en snelheid,
         een sappige perzik van haar donzig huidje, maar ontegenzeggelijk is hij
         een phoenomeen, als ge ziet hoe hij noten ontleedt en bereidt in de
         perelende »Oeil de Perdrix", die hem steevast een vriendelijken
         glimlach om de lippen toovert. In dat gewichtig oogenblik geeft hij
         gewoonlijk één of, als de champagne bijzonder goed is, twee »uien” van
         zijn répertoire ten beste. Uit beleefdheid en omdat hij toch waarachtig
         zoo'n »uitstekend nette vent” is, lachen enkele gasten die hem kennen
         om die anecdoten, al zijn ze ook even oud als zijn gewoonte om vóórdat
         hij begint te vertellen te zeggen: »Misschien kennen de heeren en dames
         deze aardigheid al, maar...”
      </p>
                  <p> Verlies hem geen seconde uit het oog, want ge kunt ontzaglijk veel
         van hem leeren; hij verstaat het »dineeren", zooals niemand anders.
         Geen wonder: 't is ook het eenige wat hij met voorliefde doet, het
         eenige waarmee hij zijn leven verslijt—neen! in stand houdt.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Zijn gesprekken aan tafel zijn ongetwijfeld voor den opmerker
         uiterst leerrijk en belangwekkend, ten minste wanneer die opmerker te
         gelijk leeren wil, hoe men onder 't eten zijn dame moet bezighouden.
         Opéra's, concerten enz. bezoekt de fashionabele dineur, uit den aard
         van zijn beurs en vak, niet of hoogst zelden, maar toch weet hij er met
         tact over te babbelen; hij put zijn gunstig of ongunstig oordeel,
         zonder dat iemand het merkt, uit de kranten, die hij elken avond van a
         tot z leest, en zonder aarzelen geeft hij zijn meening te kennen over
         deze of gene zangeres of acteur, soms zelfs zóó apodictisch, dat men
         dadelijk begrijpt dat zijn geoefende voelhorens hem hebben medegedeeld,
         dat hij naast of over iemand zit, die er nog minder verstand van heeft
         dan hij zelf. Zijn onderhoud met anderen, regelt zich altijd naar de
         geaardheid en gezindheid van hem of haar, die het toeval naast hem
         plaatst. Mevrouw X, zijn tafelbuurtje, is streng orthodox;
         oogenblikkelijk dweept hij met dominé Heiler of vindt de preeken van
         den zendeling Indicus overheerlijk en dierbaar. Is de coquette, maar
         min of meer bekrompen en oppervlakkige juffrouw Y hem als dame
         toebedeeld, dan verbaast hij u door zijn kennis van »robes Présidente,
         coiffure à la Japonnaise” en »plissés en biais;” wanneer ge hem met
         haar hoort, praten, zoudt ge—indien ge hem niet als »medegast” kendet,
         oogenblikkelijk uw neus er onder willen verwedden, dat hij een
         dameskleedermaker is of een confectie-magazijn bestuurt. Doet hij—in
         veel gevallen gebruiken bijgeloovige families den braven man
         daarvoor—als veertiende gast dienst en plaatst het toeval hem niet
         naast een dame, maar naast een heer, dikwijls nog wel een heer, op wien
         't minder aankomt, dan is hij politicus, maar altijd occasie-politicus,
         dat wil zeggen: hij verkent eerst zorgvuldig zijn nevenman, en al
         naarmate deze behoudend, radicaal, liberaal of clericaal is,
         sympathiseert hij beurtelings met een dier richtingen; hij verandert
         als een kameleon van kleur, zoodra de omstandigheden het gebieden.
      </p>
                  <p> Over whisten, omberen en trekjes redeneert hij met grondige kennis
         en niet zonder recht, want hij speelt fijn, uiterst oplettend en
         meestal zóó gelukkig, dat hij minstens de fooi van meid of knecht
         verdient; 't hoort ook geheel en al bij zijn vak, want bij veel
         families wordt 's winters, na 't diner een kaartje gelegd. Ligt zijn
         naamkaartje op het servet, naast het slabbetje van een der kleinen, dan
         is hij dadelijk een hartstochtelijk kindervriend; maar vindt hij het
         nevens dat der kinderlooze Mevrouw A, dan is hij het oogenblikkelijk
         volkomen met haar eens, dat kinderen heel aardig kunnen zijn, maar dat
         het toch oneindig veel beter is: er géén, dan zoo »plebeïsch veel” te
         hebben.
      </p>
                  <p> Alle richtingen, alle gezindheden, liefhebberijen, voorliefden en
         hekels zijn in hem vertegenwoordigd, en daarom vindt iedereen hem »een
         aangenaam welopgevoed mensch", namelijk zoolang men hem aan eet-en
         speeltafel ontmoet.
      </p>
                  <p> Zoodra de tafel is opgeheven, kunt ge den man, dien ge nog slechts
         voor de helft hebt gezien en leeren kennen, geheel bestudeeren.
      </p>
                  <p> Met een glimlach van voldaanheid, overtuigd dat hij naar plicht en
         geweten, als een ridder zonder blaam of vrees, heeft gedaan wat zijn
         mond vond om te doen, kunt ge hem dan rond zien kijken met een blik,
         die beter dan woorden zegt: »Ik tart een ieder om mij te overtreffen.”
      </p>
                  <p> Beschouw hem nu eens goed. Zaagt ge ooit een beter pas gesneden en
         zorgvuldiger afgewerkten zwarten rok dan den zijnen? Namelijk als 't
         groot diner is; bij meer huiselijke maaltijden verschijnt hij in een
         zwart lakensche sluitjas van goed fatsoen en voldoende qualiteit. Zijn
         overhemd is altijd onberispelijk wit en gesteven evenals zijn staande
         boord, en een beter gemaakte pantalon dan de zijne hebt ge nooit
         ontmoet.
      </p>
                  <p> Keurige manchetten kijken uit zijn mouwen en de gouden knoopen van
         circa 2 centimeters middellijn schitteren als kleine zonnen boven het
         sneeuwwit linnen, dat zijn goed verzorgde handen omvat.
      </p>
                  <p> 't Is een lust om zijn »au fainéant” of »au chinois” gegroeide en
         gesneden nagels te bekijken. Wit gebrabd aan den uitersten rand,
         gepolijst op de ronding en rozig getint aan den wortel, passen ze
         volkomen bij zijn dikke vleezige handjes, die door haar blanke
         reinheid, zoowel als door haar week, zacht uiterlijk zijn trots
         uitmaken. Ze bewijzen duidelijk, dat zij geen ander werk kunnen doen
         dan 't onvermijdelijkste bij het toilet van haar meester of 't
         allernoodigste aan de speeltafel. Nauwelijks kan men gelooven, dat
         zulke ronde, weeke, wasachtige vingers onschuldige pianinotoetsen zoo
         onbarmhartig kunnen martelen.
      </p>
                  <p> Wáár de »dineur” zich scheren laat, wordt zeker met opzet niet
         bekendgemaakt, want ongetwijfeld zou de barbier, die zulk een kunstwerk
         kan verrichten,
<!-- **** No template for element: i **** --> al te veel te doen krijgen, immers met een loep
         zelfs is geen stoppeltje aan kin en wangen te ontdekken; en waren de
         aristocratisch gesneden bakkebaarden niet op 's mans gelaat als
         tegenbewijs te zien, niemand zou willen gelooven, dat hij ooit aanleg
         had tot een baard.
      </p>
                  <p> Dat hij »rouge de théâtre” of »carmin des bayadères” gebruikt, is
         niet met grond aan te nemen, al schijnen zijn lieve bolle koontjes het
         u ook lachend toe te blozen. O! neen, hij heeft geen hulpmiddelen der
         kunst noodig, want de vriendelijke natuur goot dien dageraadschijn over
         de verhevenheden van zijn vleezig gelaat, zoodat de maanlichtachtige
         bleekheid der overige meer vlakke gedeelten evenals de kleine, maar
         helderblauwe oogen er grillig bij afsteken. Als het alpengloeien in den
         avondstond, spelen na het diner rozige tinten op de punt van zijn
         regelmatig gevormden neus, en om de zinnelijk gesneden lippen van zijn
         meestal te grooten mond.
      </p>
                  <p> Als hij eet of lacht, ontwaart ge twee en dertig tanden, die door
         hun buitengewone regelmatigheid en witte kleur u een oogenblik in
         verlegenheid brengen, omdat ge niet weet of moeder natuur, dan wel een
         mannelijk tandheelkundig individu uw bewondering verdient. 't Zwarte
         haar, dat hij eenmaal in overvloed bezat, is nu voor het grootste
         gedeelte ergens anders. Zijn voorhoofd is daardoor buitengewoon hoog;
         maar aan de slapen en soms ook bij den eersten halswervel is nog haar
         genoeg overgebleven om het bewijs te leveren, dat de goede man
         inderdaad met eere grijs wordt. Een paar volle zware, zwarte
         wenkbrauwen trachten intusschen het tegendeel te betoogen, tenzij de
         kapper, die de eer heeft hem te bedienen, uit de school wou klappen of
         de »teinture capillaire", die hij verkoopt, wel overal met even goed
         gevolg aan te wenden is. Op zijn neus, en afwisselend op zijn vest ter
         hoogte van zijn fraaie horlogeketting, vertoont zich een pince-nez, die
         er »gedistingeerd” uitziet; en wanneer ge den »fashionabelen dineur”
         over het mollige tapijt in de kamer langzaam en deftig ziet op en neer
         wandelen, blinken zijn verlakte schoenen, behoudens hier of daar een
         enkel spatje bovenop, u zoo nieuw en krakend tegen, dat ge onmiddellijk
         begrijpt, dat ze voor deze gelegenheid expresselijk vervaardigd of
         bewaard zijn en door gutta-percha overschoenen in plaats van door een
         rijtuig weldadig beschermd werden.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Ziehier dan het beeld van den »fashionabelen dineur” geschetst,
         wanneer hij in zijn kwaliteit als zoodanig optreedt. Hoe hij er uitziet
         en wat hij doet, zoodra zijn plicht hem niet meer roept, zal ik
         trachten nog met korte woorden mee te deelen.
      </p>
                  <p> 't Is reeds lang morgen; bijna is het middag en de zon schijnt
         vriendelijk tusschen de franjes door van de neergelaten gordijnen, voor
         de vensters der voorkamer, zoodat op het min of meer verschoten
         vloerkleed enkele heldere plekken en strepen het patroon doen herleven.
         Een vrij goed, maar erg ouderwetsch en met hoezen voorzien ameublement
         dommelt in 't gedempte licht, en slaperig, stijf, voornaam kijken
         eenige familieportretten uit hun grauwig gouden lijsten u na, als ge u
         langs een tafel—waarop eenige boeken liggen, die eertijds in
         prachtband werden gebonden—naar de achterkamer begeeft.
      </p>
                  <p> Ontbloot eerbiedig uw hoofd, want ge zijt in 't heilige der
         heiligen! Ge hebt een drempel overschreden, waarover nog nooit een van
         de fashionabele kennissen en vrienden des »dineurs” den voet zette. Ge
         zijt er nu eenmaal, maak dus van de aangeboden gelegenheid gebruik, en
         zie rond. Nu is hij thuis, dat is te zeggen voor u—omdat ge
         onzichtbaar zijt; voor ieder ander sterveling is hij altijd »UIT.”
         Alleen op zijn verjaardag ontvangt hij eenige belangstellende vrienden
         en kennissen; dan zien de meubelen er versch gewreven uit en de
         voorname familieleden schijnen op hun portretten te glimlachen over de
         advokaten borrel, die hij—ge moet niet zeggen dat ik het u verklapt
         hebt—'s morgens zelf heeft gemaakt, »omdat hij dan zeker is dat er
         alles in komt.” Kom nu met mij mede, zachtjes? Hij slaapt misschien
         nog. Neen! het met groen saai omhangen ledikant herbergt hem dien we
         zoeken, niet meer. Over een kleerknaap hangt rustend de zwarte rok,
         dien gij onlangs zoo mooi vondt, en daaronder droomt het vest,
         verpoozend van de uitspanning des vorigen maaltijds. Netjes in tweeën
         gevouwen vleit zich de pantalon op den stoel er naast, tegen het
         onbesmette overhemd, dat met vermoeide slappe mouwen over de leuning
         bungelt, terwijl de manchetten bijna den grond raken en de gouden
         knoopen daaraan ondeugend fonkelen in een zonnestraaltje, dat onder de
         reet der deur doorsluipt.—Onwillekeurig ziet ge rond naar de eigenaar
         van de bottines, die zorgvuldig met een wit doekje bedekt, naast den
         stoel verscholen, zich, alleen door één van haar glimmende neusjes
         verraden hebben. Ge ontwaart hem niet. Hij staat ook niet voor de
         waschtafel, waarop tal van flesschjes en potjes met geheimzinnigen
         inhoud u allerlei onbescheiden vragen op de lippen brengen; ook voor
         den scheerspiegel op standaard is hij niet bezig; evenmin ontdekt ge
         hem zittend aan de kleine tafel, waarop hij boord en das met zijn
         horloge en den verderen inhoud van zijn zakken heeft neêrgelegd. Hij is
         nergens te vinden. Zou hij reeds weer bezig zijn met het uitoefenen van
         zijn...? Stil, laat hij uw vraag niet hooren: ge zoudt hem plotseling
         voor goed en geheel onzichtbaar maken. Houd u dood—doodstil en volg de
         kleine lichtschemering die u, uit een tot nog toe niet opgemerkte
         zijdeur, wenkt.
      </p>
                  <p> Hij is in het allerheiligste van het heilige der heiligen, en waant
         zich onbespied. In 's hemelsnaam voorzichtig. Houd uw adem in, indien
         ge hem zien wilt, want, bemerkt hij uwe nadering ook maar bij
         instinct—als met een tooverslag zoudt ge hem geheel en al zien
         verdwijnen; en .. 't is heusch de moeite waard om hem gade te slaan.
      </p>
                  <p> Stil dus! sluip, onhoorbaar zacht, nader. Ziet ge hem nu? Niet?—Wat
         ziet ge dan? Zeg 't mij maar zachtjes, ik ben bescheiden, zoolang het
         noodig is.
      </p>
                  <p> Een man gehuld in een emeritus kamerjapon, die wanhopige pogingen
         doet om, behalve een beverschen borstrok met witbeenen knoopen en een
         dito onderbroek met loshangende bandjes, twee somber afhangende sokken
         te verbergen, omdat zij treurig over neergetrapte pantoffels zakken.
      </p>
                  <p> Een geelig witte nachtdas begrenst van onderen een slaperig gelaat,
         dat over 't voorhoofd den met gaatjes gebreiden rand van een gruwelijk
         burgerlijke pluimmuts voelt streelen.
      </p>
                  <p> Maar dat is immers de man niet, dien wij zoeken? Ja zeker! hij is
         het wel, maar ge hebt hem nog niet anders dan »in zijn vak” ontmoet en
         in huisgewaad ziet iemand er, gemeenlijk, eenigszins anders uit dan in
         »gala.” Hij is pas opgestaan; ge kunt het hem niet kwalijk nemen, 't
         diner bij de Verhovens duurde gisteren buitengewoon lang en de
         Bourgogne was erg zwaar; hij drinkt ze gaarne, maar voelt er zich nooit
         »heel lekker” op den volgenden dag—'t kan echter niet anders, zijn vak
         brengt dergelijke kleine »misères” mede.
      </p>
                  <p> Houdt u nog een oogenblik bedaard en zie naar 't geen hij doet.</p>
                  <p> Hij gaapt. Hemel! wat gaapt hij leelijk, lang en lui. Welk een
         minimum van tanden, en hoe waterig kijkt hij uit zijn oogen! Hij rekt
         zich uit, met de armen omhoog en gaapt nog eens. Wat doet hij nu? Hij
         kijkt naar een petroleumtoestel dat op het aanrecht—waarachtig! we
         zijn in een keukentje verzeild—staat. Hij draait de pitten wat op en
         ziet met alle aandacht naar het water dat hij warmt om zich te kunnen
         scheren....?
      </p>
                  <p> Neen! dat denkt ge maar. Kijk dan ook oplettender s. v. p.: hij
         heeft immers geen keteltje, maar een pannetje boven de vlam staan....
      </p>
                  <p> Wat zou daarin zijn? Wellicht het een of andere chemische preparaat;
         wie weet! misschien is de »fashionable dineur” een verkapt alchimist
         die, in zijn vrijen tijd, naar »'t levens Elixir” of naar »den steen
         der wijzen” zoekt.
      </p>
                  <p> St! ziet ge hem nu naar dien donkeren hoek van keukentje sluipen? 't
         Is alsof hij vreest dat men hem hooren zal, zoo zachtjes loopt hij. Ha!
         dáár bewaart hij zijn ingrédiënten, dáár in dat geheime kastje in den
         muur. Laten we nu goed toekijken, misschien komen we er achter, hoe hij
         goud maakt. Hebt ge opgemerkt, dat hij een zwart geheimzinnig uitziend
         fleschje in de eene hand heeft genomen? Ziet ge wel dat hij in de
         andere een blikken busje houdt?
      </p>
                  <p> Hoe jammer! daar draait hij zich om en staat met den rug naar ons
         toe; nu kunnen we niet zien welke bestanddeelen hij in 't pannetje
         werpt.—Ga een eindje met mij achter uit. 't Mocht eens gevaarlijk goed
         zijn, dat ontploft en uw gelaat zengt, en.....
      </p>
                  <p> Groote Goden! hij neemt een lepel, steekt dien in 't pannetje en
         .... heusch! hij proeft van—de hemel mag weten, wàt—hij kookt.
      </p>
                  <p> Onnoozele, begrijpt ge nu nog niet, wat ge daar ziet?</p>
                  <p> Och 't is zoo doodeenvoudig. Kijk maar eens even op den
         scheurkalender in de voorkamer.
      </p>
                  <p> Nu, welken datum?</p>
                  <p> Acht en twintig Maart!</p>
                  <p> Juist, 't is in 't laatst van de maand: dan houdt hij om geldige
         redenen niet van restauratie of table d'hôte en—toevallig heeft hij
         heden geen uitnoodigingen.
      </p>
                  <p> O!.....</p>
                  <p> Vat ge 't nu?</p>
                  <p> Ik geloof het wel, arme fashionabele man!</p>
               </level3>
               <level3>
                  <h3>
			                  <a id="a1_0_8">HOE JETJE GEZOEND WERD.</a>
		                </h3>
                  <p/>
                  <p> HOE JETJE GEZOEND WERD.</p>
                  <p> 't Is voor een eerzaam kruidenier, die min of meer pokdalig,
         weduwnaar en kippig is en een drukke zaak heeft, bepaald een ongeluk,
         wanneer hij een mooie dochter bezit, die jolig en goedlachsch, niet
         besluiten kan om als een hofjesjuffrouw achter de neteldoeksche
         schuifgordijntjes van een sombere binnenkamer te blijven kniezen, maar
         nu en dan zich verstout, met dezen of genen winkelklant een praatje te
         houden, of in den deurpost staande, naar 't vroolijke zonnetje en de
         voorbijgangers te kijken.
      </p>
                  <p> Laat ik u daar eens iets van vertellen, tot nut en leering van alle
         brave kruideniers, alle ondeugende jongelui en aardige meiskens.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Op den Nieuwendijk woonde sedert jaren een zekere Bommers, die een
         ouderwetschen kruidenierswinkel hield en jaar in jaar uit, met een
         vettig glimmend lustren jasje aan en een dito petje op 't hoofd, achter
         zijn toonbank stond, om naast een winkelknecht, die er even oudbakken
         en kleverig uitzag als hijzelf, koffie, krenten, suiker en andere
         zoetigheid af te wegen, of petroleum, stroop en patentolie te
         verkoopen.
      </p>
                  <p> Bommers was niet alleen kruidenier, maar tevens vader en wel van een
         Jetje, dat in de buurt, om haar frisch blozend gelaat, lachende blauwe
         oogen en kastanjebruin haar als »mooi Jetje” bekend, door de jongelui,
         die in de nabijheid woonden, meer bijzonder »'t lachebekje” werd
         genoemd, omdat ze zoo'n vriendelijk rood mondje had, dat met twee
         schalksche kuiltjes in haar donzige wangen zoo aardig en prettig
         lachte, als deze of gene klant, generis masculini, met haar een grapje
         maakte, als zij toevallig in vaders winkel stond of op de stoep een
         luchtje schepte.
      </p>
                  <p> Behalve vijgen, sukade, rozijnen en andere versnaperingen, verkocht
         Bommers ook sigaren, die, hoe gevaarlijk groenachtig geel en gespikkeld
         ze er ook uitzagen, eensklaps bij de omwonende jongelui bijzonder in
         trek kwamen, zóó zelfs dat Jan de winkelknecht er zich over verwonderde
         en grinnikend aan zijn meester durfde zeggen: »Ik geloof, dat die
         spreeuwen”—Jans geliefkoosde benaming voor de spes patriae—»een stuk
         leer in d'r mond hebben in plaats van 'n tong; want als ze die bokkies
         lekker vinden, dan....” Jan liet den volzin onvoltooid en 't was
         misschien maar gelukkig. Als eenig antwoord meesmuilde de patroon,
         zette den handel in sigaren met kracht door, en bracht meteen den prijs
         der »bokkies” van zes op vier voor een dubbeltje. »Je moet maar zeggen,
         dat ze opgeslagen zijn, hoor Jan! Ze nemen ze toch", zei hij op zekeren
         dag. Jan pruttelde in zich zelf: »Smakelijk rooken!” en hij dacht er
         bij: »Als Jetje in den winkel is, kan ik ze voor drie centen evengoed
         verkoopen.” 't Was geen onlogische Jan!
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Vlak tegenover Bommers' winkel, woonde op een kamer van de eerste
         verdieping Herman Stam, een jolig medisch student, die, wanneer hij
         niet studeerde, zijn beenen en pantoffels op de vensterbank voor 't
         publiek ten toon stelde, of zijn vroolijk, open gelaat naar buiten stak
         en deftig rookend uit een lange pijp, dikwijls vrij lang en vrijmoedig
         in den kruidenierswinkel tegenover hem tuurde. Waarom? Och! eenvoudig
         uit belangstelling om te zien of er veel klanten inliepen. Zóó beweerde
         hij ten minste tegen zijn hospita, die hem eenmaal had gevraagd:
         »Meheir! wat ziet uwee toch an dien ouwen kruideniersrommel? Ik heb al
         driemaal geklopt, maar uwee hoorde me niet, zóó was je an 't kijken.”
         't Goede mensch had niet gezien, dat de jonge juffrouw Bommers juist op
         dat oogenblik in den kruidenierswinkel stond en wel in de geopende
         deur, van waar zij, ze kon het heusch niet helpen, Hermans bruine oogen
         en den dampenden kop van zijn gouwenaar kon zien. Zij vond, dat hij zoo
         gezellig en deftig rookte, en knikte—uit louter buurschap—hem toe.
      </p>
                  <p> 't Was opmerkelijk, dat sedert dien tijd de zware en lichte van de
         vier, die Bommers verkocht, bij Herman en eenigen van zijne vrienden,
         buitengewoon in trek begonnen te komen. Elken dag verschenen geregeld
         drie of vier van die vroolijke snaken in den winkel en vroegen ieder
         voor één dubbeltje Puantos Infamos van de vier, zwaar of licht, naar
         dat 't zoo uitkwam,—'t was hun om 't even. De winkelknecht had reeds
         een paar malen bescheiden aangemerkt: »Ze heeten Upmann-sigaren,
         heeren!” Maar met het leukste gezicht van de wereld had Herman, namens
         zijn vrienden, geantwoord: »O zoo! heeten ze Upmann? Dank je voor de
         communicatie, 't is wel mogelijk, maar wij kennen ze niet onder dien
         naam en zeggen dus kortheidshalve: »Puantos Infamos”.” Jan zweeg
         tegenover dit argument.
      </p>
                  <p> De oude Bommers zag wel is waar met genoegen, dat zijn debiet in
         sigaren iederen dag toenam, maar toch kon hij zich niet ontveinzen, dat
         die Puantos-klanten ijselijk lang bleven praten, niet met hem, maar met
         zijn aardig levenslustig dochtertje, dat heel toevallig altijd in den
         winkel stond, als de jongelui kwamen, en tegen hen, maar in 't
         bijzonder tegen Herman Stam, heel erg vriendelijk was.
      </p>
                  <p> Met schrik en een vaderlijke hartklopping—ook een kruidenier heeft
         een gevoelig hart—zag de oude Bommers, dat Herman soms tweemaal op één
         dag zich aan de Infamos te goed deed, en eens zelfs had Bommers, zonder
         dat de student het wist, gezien, dat de medische jongeling het
         oogenblik dat hij zich omdraaide, om uit den oliebak een paar kan
         patentolie af te meten, bliksemsnel waarnam om Jetjes middel te
         omvatten en een poging te doen om haar een kusje te ontstelen. Wel is
         waar had de roover, in plaats van een zoen, een fermen duw tegen den
         schouder gekregen, maar Jetje had daarbij zoo smakelijk gelachen en zoo
         glunder gekeken, dat vader het toch raadzaam oordeelde om na dien dag,
         zoodra de heeren studiosi in den winkel kwamen, zijn dochter met een:
         »Kind, ga jij ereis van den zolder wat touw voor me halen", te
         verwijderen. Jan de winkelknecht grinnikte dan inwendig van plezier,
         maar vroeg te gelijk met 't leukste gezicht van de wereld: »Opsteken,
         meneer?” en streek met kracht een ouderwetschen lucifer over 't doosje,
         zoodat de phosphor knetterend ontvlamde en de zwavellucht den klanten
         in den neus kwam, een beleefdheid waardoor hij zich herhaaldelijk een:
         »Vade retro, Satanas!”—dat hij niet begreep—op den hals haalde.
      </p>
                  <p> Ten gevolge van deze niet onhandige vaderlijke manoeuvre van
         Bommers, nam het debiet der Puantos Infamos niet meer toe, want nadat
         't herhaaldelijk was gebleken dat Jetje, zoodra »de heeren” zich
         vertoonden, onzichtbaar werd, begonnen Herman en zijn vrienden allerlei
         aanmerkingen te maken, en noemden met een zekere minachting, de
         heerlijke Puantos »bokkies", een woord dat den winkelbediende een
         heimelijken glimlach ontlokte, als wilde hij zeggen: »Ge komt langzaam
         aan tot de jaren des onderscheids, vriendjes!”
      </p>
                  <p> 't Debiet verliep eindelijk totaal, en toen het laatste kistje was
         leegverkocht aan schippers en buitenlui, die ze »voor de acht” kregen,
         omdat het—zooals Bommers zei—een opruiming was, besloot de kruidenier
         den handel in sigaren voorgoed op te geven en zich voortaan alleen tot
         't Koloniale vak te bepalen.
      </p>
                  <p> Nauwelijks was de laatste der Infamos verdwalmd tusschen de lippen
         van een Marker visscher, die haar als toegift op een ons suiker en een
         half ons thee had aangenomen, of Jetjes aardig gezichtje kwam weer te
         voorschijn in den winkel.
      </p>
                  <p> Zonderling! een paar dagen later ontdekten Herman en zijn vrienden
         een plotselinge dagelijksche behoefte aan vijgen, rozijnen en
         amandelen.
      </p>
                  <p> Bommers had inwendig het land en behandelde de jongelui zoo stuursch
         mogelijk, maar zij bleven van hun kant uiterst beleefd en fatsoenlijk,
         informeerden altijd naar den staat van »meneers gezondheid", prezen
         zijn goede waar en kochten elken dag à contant een zekere hoeveelheid
         vijgen of rozijnen.
      </p>
                  <p> Toen ten gevolge daarvan Jetje weer onzichtbaar werd, vroegen zij
         belangstellend, of de juffer soms ongesteld of grieperig was, terwijl
         Herman, als semi-arts, dadelijk een gratis behandeling aanbood. De
         kruidenier sloeg min of meer onheusch dit aanbod af en zei zelfs een
         woord, dat naar »zoetekauwen” of »snoepende jongens” zweemde. De
         studenten lachten vriendelijk, presenteerden hoffelijk het gekochte,
         eerst aan Jan en daarna aan den patroon, met de woorden: »Geneert jelui
         niet; proeft maar eens mee!” en kwamen den volgenden dag terug met de
         verzekering, dat ze nergens zulke puike, overheerlijke waar konden
         krijgen en dat 't hun speet, dat Jetje zoo onzichtbaar bleef.
      </p>
                  <p> Om den handel in vijgen enz. evenals dien in sigaren, plotseling op
         te geven, ging evenmin aan, als om zijn levenslustig dochtertje
         voortdurend in de achterkamer opgesloten te houden, en daarom besloot
         de kruidenier voor het meisje bij een bloedverwant buiten de stad belet
         te vragen en haar uit logeeren te zenden.
      </p>
                  <p> Bommers was zoo dom niet als hij er wel uitzag en keek scherper dan
         men van zijn kippigheid zou hebben durven verwachten. Glimlachend,
         neen! grinnikend, zag hij op den middag dat hij Jetje uitliet, toen zij
         met Jan den knecht, die haar koffertje bracht, naar 't station ging,
         hoe Herman Stam zijn krullebol uit 't venster stak en met groote
         verwonderde oogen 't meisje naziende, zuchtend uitriep: »Dag Jet—dag
         engel—goeie reis! Denk aan me!”
      </p>
                  <p> Hij zag wel, dat Jetje weer omkeek en vriendelijk knikte, maar dàt
         hinderde hem niet. Handenwrijvend ging hij weer achter zijn toonbank
         staan en meesmuilde: »Dat valt je tegen, hé knaapie!” En toen een
         oogenblik daarna een paar van de vijgen-habitués binnenkwamen, woog hij
         buitengewoon ruim en zei vriendelijk: »Pas ontvangen, 'n versche
         zending, heeren,—echt Smirnaasch goed!”
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Op Hermans kamer ging het den volgenden avond zeer levendig toe.
         Dikke rookwolken maakten het achttal jongelieden, dat er bijeen was,
         bijna onzichtbaar en deden de lamp walmen, zóó erg, dat 't zelfs voor
         studentenlongen nauwlijks houdbaar werd in het niet al te groote
         vertrek. Als de stem van een Jupiter Tonans uit de wolken, klonk
         eindelijk die van Herman, boven het gelach en gepraat uit. »Kerels!”
         riep hij: »luistert nu eens een oogenblik en zet de deur wat open, want
         waarachtig de lamp gaat anders uit.”
      </p>
                  <p> 't Rumoer bedaarde en de nevel trok een weinig op. Toen vervolgde
         hij, op de tafel zittend en met een flesch, bij gebrek aan een
         presidentshamer, stilte gebiedend: »Mannen, broeders! wat moeten we met
         den snoodaard doen, die, als een krenterige, pokputtige Paris, mij mijn
         Helena, vulgo Jetje, ontroofde?”
      </p>
                  <p> »Laat 'm Puantos Infamos rooken tot in eeuwigheid, dat 's straf
         genoeg!” riep er een.
      </p>
                  <p> »Voer hem krenten, totdat er de dood op volgt!” schreeuwde een
         ander.
      </p>
                  <p> »Doe 'm hertrouwen, dat's nog erger!” meende een derde.</p>
                  <p> »Vul hem met keukenstroop en vijgen en noem hem dan »zoetekauw",”
         lachte een vijgenklant. Ieder gaf een andere manier van wraakneming aan
         en allen schetterden, schreeuwden en lachten dooreen, totdat het geraas
         zóó sterk werd, dat Herman met zijn flesch nogmaals stilte moest
         gebieden en met heftige stem, vol nadruk, sprak: »Mijne heeren! ik stel
         deze motie voor: Laten we kalm overleggen, hoe we op exemplaire wijze
         den aterling zullen straffen, die 't pronkjuweel der schepping, Jetje,
         uit onze nabijheid durfde verbannen.—Ja! meneeren, de ellendeling kon
         de zon niet in het water zien schijnen; hij gedoogde niet, dat ik zijn
         spruit—de hemel weet, hoe hij zulk een lief dochtertje gekregen
         heeft—kuste. Een kus in eeren, mag niemand weren!—Toch heeft deze
         krenten-en vijgenploert zich verstout zulks te doen. De smaad, mij en
         mijn commilitones aangedaan, eischt wraak,—niet waar, mijne
         heeren?—Wraak!”
      </p>
                  <p> »Wraak! Wraak!” klonk het in koor, begeleid door een gestamp en
         gestommel, zóó hevig, dat Hermans grijze hospita verschrikt naar boven
         en de kamer binnenkwam, terwijl ze vroeg: »Meheeren, breekt den boel
         asjeblieft niet af!”—Juist op dat oogenblik gilde een van de acht:
         »Zij zal gezoend worden, dat zweren we!”—een eedsaflegging, die de
         oude hospita met een: »'t Is zonde—wat zal me nou overkomen!” eerst de
         handen ineen deed slaan, om ze oogenblikkelijk daarna schaamachtig voor
         de oogen te brengen.
      </p>
                  <p> Deze maagdelijke beweging ontlokte aan een der wraaklustigen de
         vriendelijke woorden: »Vrees niets, eerzame, eenzame, deugdzame: wij
         zijn geen antiquaren.”
      </p>
                  <p> »We hebben wel de antieken lief, maar we kussen slechts moderne
         individuen,” riep een ander. En Herman voegde er bij:
      </p>
                  <p> »Van uw eerbiedwaardigen toer zal geen haar worden gekrenkt; ga heen
         in vrede.” En toen de juffrouw met een schouderophalend gesproken:
         »Jelui bent nog niet droog achter je ooren,” vertrokken was, vervolgde
         hij:
      </p>
                  <p> »Mannen broeders! zweert met mij, dat Jetje Bommers zal gezoend
         worden.”
      </p>
                  <p> »Dat zweren wij!” brulde 't koor.</p>
                  <p> »Gezoend in tegenwoordigheid van den ouden krentenkooper!”</p>
                  <p> »Wij zweren!”</p>
                  <p> De vergadering ging over in geheime zitting.</p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Sedert ruim drie weken was in Bommers' winkel geen enkele vijg of
         amandel, geen lood rozijnen zelfs, aan studenten verkocht geworden en
         met een glimlach van voldoening dacht de vader-kruidenier er over na,
         dat 't in zijn winkel nu veel stemmiger en rustiger toeging dan
         vroeger. Ook Jan de knecht had reeds eenige malen aangemerkt: »'t Is
         toch wel zoo plezierig achter de toonbank, nu die jonge spreeuwen hier
         den boel niet meer opscheppen; ze hadden ook altijd wat anders te
         reclameeren, dan over u, dan over mijn. Soms zeien ze met een
         vrindelijk gezicht: »Zeg, winkel-os! goed wegen, hoor je!” Dan weer
         vroegen ze beleefd: »Is jou kippige patroon waarachtig de heuschelijke
         vader van Jetje?” Ze namen eeuwig en altijd een loopje met uwe en mijn
         en toch waren ze altijd netjes; maar voor mijn part kan zoo'n klandizie
         wegblijven.” En in stilte dacht hij er bij: »De jongejuffrouw ook, want
         als zij terugkomt, zal 't lieve leven wel weer van voren af aan
         beginnen.” Bommers zweeg, grinnikte, wreef zich de handen en—verkocht
         koloniale waren.
      </p>
                  <p>        * * * * *</p>
                  <p> Aan alle aardsche zaken komt een einde, zoo ook aan Jetjes logeeren
         bij de tante buiten. Ze was bijna een maand lang van huis geweest en
         zou 's avonds met den trein van 7.30 terugkomen. Voor de deur van den
         kruidenierswinkel stond een vigilante met een imperiaal er op en vader
         Bommers was juist gereed, om Jetje in eigen persoon van 't station te
         gaan afhalen, toen een welgekleed jongmensch, met een gunstig, deftig,
         ja! bijna stemmig uiterlijk, zijn winkel binnentrad en beleefd vroeg:
      </p>
                  <p> »Heb ik 't genoegen meneer Bommers te zien?”</p>
                  <p> »Om U te dienen.”</p>
                  <p> »U handelt in koloniale waren?”</p>
                  <p> »Natuurlijk!”</p>
                  <p> »Ook en-gros?”</p>
                  <p> »Zeker!”</p>
                  <p> »Kan ik U een oogenblik spreken?”</p>
                  <p> »Ja, hm!.... ik sta op 't punt om uit te gaan.”</p>
                  <p> »'t Is een dringende zaak, meneer, een particuliere aangelegenheid,
         die geen uitstel duldt.”
      </p>
                  <p> »Hum! Hum! ik moet iemand van 't spoor halen, maar..” Bommers keek
         op zijn horloge, »een paar minuten heb ik nog over. Wanneer u dus....”
      </p>
                  <p> »In 'n paar minuten? Neen, mijn waarde heer, dat gaat niet. 't Spijt
         me, maar dan zal ik u niet langer ophouden. 't Was anders een zaak
         geheel in uw eigen belang, waarover ik u wilde spreken; een
         spoedeischende zaak, die ik u alleen onder vier oogen kan
         toevertrouwen. Enfin! als 't u onmogelijk is, dan....”
      </p>
                  <p> Het jongmensch zag er zóó bedaard en fatsoenlijk uit, sprak zóó
         kalm, overtuigend en met klem, dat Bommers te gelijk nieuwsgierig en
         verlegen werd.
      </p>
                  <p> Wat te doen?—Een oogenblik aarzelde hij nog, maar toen nam hij zijn
         hoed af, zette dien op de toonbank, krauwde even in 't spaarzame grijze
         haar, dat zijn schedel versierde, mompelde: »'t Is meer dan hoog tijd,”
         en zei toen luid tot den winkelknecht: »Jan! ga jij dan maar met de
         vigilante naar 't station en haal de jongejuffrouw; dan zal ik dezen
         heer te woord staan.” Bommers zag niet, hoe een fijn glimlachje van
         voldoening over 't gelaat van zijn bezoeker vloog.
      </p>
                  <p> Jan trok haastig zijn jas aan, zette in vergissing den hoed van zijn
         patroon op en holde den winkel uit; onder 't heengaan wierp hij nog een
         blik op den bezoeker en pruttelde in zich zelf: »'t Is me toch precies
         alsof ik dien snuiter al ereis meer heb gezien.”
      </p>
                  <p> Toen de knecht vertrokken was, vroeg Bommers: »Nu, meneer?”</p>
                  <p> Het jongmensch boog even en sprak uitermate beleefd: »Meneer! laat
         me in de eerste plaats u beleefdelijk dank zeggen voor de heusche,
         gentlemanlike manier, waarop u mij behandelt; ik had nauwelijks durven
         hopen, dat u mij eenige oogenblikken van uw kostbaren tijd zou willen
         afstaan.”
      </p>
                  <p> De kruidenier zag zijn bezoeker min of meer verwonderd aan en
         mompelde iets als: »O! volstrekt niet, integendeel,” enz. Hij stond met
         zijn rug naar de straatdeur gekeerd en zag daardoor niet, dat eenige
         vroolijk lachende gezichten om het hoekje van de deur naar binnen
         keken, maar aanstonds weer verdwenen, zoodra hij zich slechts even
         bewoog. Hij zag evenmin, dat, terwijl de bezoeker verder sprak, door
         een hand een grooten ouderwetschen heerenhoed om 't hoekje van de deur
         in den winkel werd gezet.
      </p>
                  <p> »Meneer Bommers,” zei 't beleefde jongmensch, »ik ben hier gekomen
         om met u over 't artikel stroop te spreken.”
      </p>
                  <p> »Over stroop?”</p>
                  <p> »Juist meneer, over stroop—s-t-r-o-o-p!”</p>
                  <p> »Maar had dat dan zoo'n haast, dat u...?”</p>
                  <p> »Oordeel zelf, meneer Bommers. Stroop is een artikel dat een
         toekomst heeft: primo omdat in iedere huishouding stroop wordt
         gebruikt: secundo omdat de geheele wereld stroop noodig heeft....”
      </p>
                  <p> »Maar meneer!”</p>
                  <p> »Wees zoo goed mij even te laten uitspreken. De wereld—dat wil
         zeggen de menschen—zijn allen vatbaar voor stroop; die 't meest met
         den strooppot loopt, komt 't snelst vooruit. Zegt niet de vanouds
         beroemde Judels in zijn onovertreffelijke chansonnette S-t-r-o-o-p, dat
         ieder mensch, wanneer zijn eigenbelang het vordert, dit nuttige, zoete
         voedingsmiddel gebruikt? Judels was niet alleen een komiek, maar ook
         een philosoof.—O, mijnheer, wanneer u eerst, slechts begrijpen kunt,
         hoever men met stroopsmeren komt, dan zult u beseffen hoe....”
      </p>
                  <p> De oude Bommers was onder dit gesprek langzaam aan tot achter zijn
         toonbank teruggeweken; hij keek het jongmensch met groote oogen aan,
         als wilde hij zeggen: »Ik geloof, dat jij niet goed bent,” en toen de
         deftige jonkman verder ging met zijn beschouwingen over stroop, 't nut
         en de aanwending daarvan in 't maatschappelijk leven, zich daarbij in
         vuur redeneerde, herhaaldelijk heftig gesticuleerde en met de vlakke
         hand eenige malen op het blad der toonbank sloeg, werd Bommers angstig,
         want zulke taal was voor hem te machtig, en 't zweet brak hem uit, toen
         hij zijn bezoeker hoorde zeggen: »_Stroop, meneer Bommers, is de melk
         der samenleving, de quintessence der beschaving en de hefboom waarmee
         het sociaal evenwicht kan worden geregeld. S-t-r-o-o-p geeft in zes
         letters de oplossing van 't moeielijk probleem: vrijheid, gelijkheid en
         broederschap.”
      </p>
                  <p> »Maar dat is een gek, een ongelukkige uit Meerenberg ontsnapt,”
         dacht de kruidenier, die eindelijk kans zag om in den woordenstroom,
         die hem dreigde te overstelpen, een dam te werpen door stotterend te
         vragen: »Maar meneer, wat beduidt nu dit alles?”
      </p>
                  <p> Weer wenkte een hand om 't hoekje van de deur, maar de kruidenier
         zag het niet; 't jongmensch wèl, en toen Bommers, zijn vraag kalmer
         herhalend, zei: »Wat wou u nu eigenlijk?” klonk het antwoord hem als
         een donderslag in de ooren: »Vijf pond beste stroop, als 't u blieft!”
      </p>
                  <p> »Vijf pond str-o-o-p?—Waarin?”</p>
                  <p> »In dezen hoed, waarde heer.” Met een snelle wending had de jonkman
         den gereedstaanden hoed gegrepen en voor den verbaasden winkelier op de
         toonbank gezet.
      </p>
                  <p> »In dien h-oe-d?”</p>
                  <p> »Juist!—Maar den hoed eerst tarren asjeblieft! Ik wil mijn gewicht
         hebben,” en de klant zag hem dreigend aan.
      </p>
                  <p> Bommers' oogen werden achter zijn bril zoo groot en rond als
         theeschoteltjes en, met een zekeren angst, zag hij zijn overbuur aan.
         Ja, in de oogen van dien klant schitterde een waanzinnige vonk: 't was
         ongetwijfeld zóó, als hij reeds had gedacht,—een gek. Bliksemsnel
         vloog hem de gedachte door 't hoofd: met zulke menschen moet men
         voorzichtig zijn en toegevend; daarom veranderde hij dadelijk zijn
         gelaatsuitdrukking en zei met zachte stem, als sprak hij tot een
         verwend knaapje:
      </p>
                  <p> »'n Aardig idee, meneer,—stroop in een hoed.”</p>
                  <p> »Ja, hé? En als je eerst eens wist, burger Bommers, waarom ik die in
         een hoed haal!”
      </p>
                  <p> Terwijl Bommers den hoed tarde en daarna langzaam de vijf pond
         stroop er in liet loopen, vervolgde zijn bezoeker, op eenigszins
         somberen toon:
      </p>
                  <p> »'t Is een drama, meneer!—neen! een tragédie.—Zal u goed wegen,
         vijf pond?”
      </p>
                  <p> »Ja! ja!—Kijk maar, ruim gewogen!” en de winkelier zette den hoed
         met stroop vlak voor zijn klant neer; deze nam het hoofddeksel met
         beide handen bij den rand op, rook er in en sprak toen op somberen toon
         verder: »'t Ruikt bijna als bloed!”—Bommers verschoot van
         kleur.—»Weet u wat de Nemesis is?—Niet?—O, neen! u is immers niet
         klassiek ontwikkeld.—Luister dus.—Een vriend van mij, een
         boezemvriend, is doodelijk beleedigd door een poen, een wanschapen
         vaderlijk wezen, dat Amor in 't gezicht slaat en Venus haat.—O!
         meneer! dat eischt wraak! Wrr-a-a-k!”
      </p>
                  <p> Bommers kreeg 't nog benauwder dan een oogenblik van te voren, want
         't jongmensch begon nu heusch te doen, alsof hij »stapel” was.
         Plotseling wierp hij een rijksdaalder op tafel, maar hield de hand er
         op en zei: »Daar ligt geld, meneer,—'t slijk der aarde", en toen
         plotseling vriendelijk lachend: »Ik krijg [f]1.50 terug asjeblieft.”
      </p>
                  <p> Bommers kon van achter de toonbank niet zien, dat de hand, die om 't
         hoekje van de voordeur voortdurend wenken had gegeven, nu eensklaps
         zeer duidelijke en heftige bewegingen maakte. Hij wilde zich reeds
         bukken, om uit de winkellade een daalder kleingeld te nemen, toen zijn
         klant den rijksdaalder nogmaals vasthield en uitriep:
      </p>
                  <p> »Weet ge wat mijn wraak zal zijn, meneer? Den ellendeling, die mijn
         vriend heeft beleedigd en gehoond, zet ik dezen hoed op!”
      </p>
                  <p> Daar schoot de kruidenier plotseling in een lach; 't denkbeeld,
         iemand met zoo'n hoed op te zien, was zelfs voor hem te comisch om er
         niet om te lachen, en giegelend riep hij:
      </p>
                  <p> »Origineel! heel origineel! Dat 's een koopje voor wien 't
         treft—hè! hè! hè! hè!”—Bommers lachte, dat hij schudde.
      </p>
                  <p> »Ja, edele vriend! dat is 't zeker!” antwoordde 't jongmensch; hij
         liet den rijksdaalder los, en Bommers, die kippig was en zich ongaarne
         met wisselen vergiste, bukte voorover naar de winkellade.
      </p>
                  <p> Juist op dat oogenblik vernam men op straat een luid gejoel en
         gedruisch: een open kales, waarin vier studenten waren gezeten, hield
         stil voor den kruidenierswinkel; een der studenten, die een
         reusachtigen bouquet in de hand hield, sprong nog voordat het rijtuig
         geheel stilstond er uit, en opende het portier van de vigilante, die
         met Jan op den bok en Jetje binnenin er achter reed.
      </p>
                  <p> Hoffelijk buigend hielp hij de schoone bij het uitstappen, en vol
         verwondering zag Bommers op,—om zijn dochter te
         zien.—Neen!—plotseling zakten vijf pond stroop hem door de haren en
         over de oogen en dreef een krachtige slag den ouden »kachelpijp” over
         zijn neus. De arme vader zei juist: »Genadige hemel! daar is...” 't
         Woord Jetje stierf reeds in den zoeten zondvloed, die hem overstelpte,
         maar toch kon hij nog verstaan, dat de zonderlinge bezoeker hem
         daemonisch lachend zijn eigen woorden teruggaf: »Origineel! heel
         origineel! Een koopje voor wien 't treft!”
      </p>
                  <p> Er was niets aan te doen; Jan werd eenvoudig boven op de toonbank
         gezet en onschadelijk gemaakt. En Jetje? Zij werd—o!
         snoodheid—achtmaal in eer en deugd gezoend, onder de oogen .... neen!
         in tegenwoordigheid van haar vader, die, toen hij een half uur later na
         veel moeite, ontstroopt was, aanging als een razende Roeland en op die
         »vervloekelingen” schold, totdat Jan hem toevoegde: »Meheer, neem me
         niet kwalijk, maar je zag d'r toch effetief komiek uit!” Toen stortten
         de fiolen van zijn toorn zich eensklaps uit over den armen winkelknecht
         en eerst 's avonds laat kwam hij tot kalmte en vond zijn
         winkeliers-neen! vaderlijken glimlach terug, omdat zijn dochter hem
         vertelde, dat zij buiten bij tante een vrijer had opgedaan, die heusch
         en echt van trouwen sprak en—niet met stroop liep.
      </p>
               </level3>
            </level2>
         </level1>
      </bodymatter>
   </book>
</dtbook>